Salmos 73

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn.
1 Com efeito, Deus é bom para com Israel, para com os de coração limpo.
2 Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.
2 Quanto a mim, porém, quase me resvalaram os pés; pouco faltou para que se desviassem os meus passos.
3 Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
3 Pois eu invejava os arrogantes, ao ver a prosperidade dos perversos.
4 Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
4 Para eles não há preocupações, o seu corpo é sadio e nédio.
5 Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.
5 Não partilham das canseiras dos mortais, nem são afligidos como os outros homens.
6 Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.
6 Daí, a soberba que os cinge como um colar, e a violência que os envolve como manto.
7 Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.
7 Os olhos saltam-lhes da gordura; do coração brotam-lhes fantasias.
8 Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.
8 Motejam e falam maliciosamente; da opressão falam com altivez.
9 Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.
9 Contra os céus desandam a boca, e a sua língua percorre a terra.
10 Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,
10 Por isso, o seu povo se volta para eles e os tem por fonte de que bebe a largos sorvos.
11 Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
11 E diz: Como sabe Deus? Acaso, há conhecimento no Altíssimo?
12 Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.
12 Eis que são estes os ímpios; e, sempre tranquilos, aumentam suas riquezas.
13 Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.
13 Com efeito, inutilmente conservei puro o coração e lavei as mãos na inocência.
14 Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.
14 Pois de contínuo sou afligido e cada manhã, castigado.
15 Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
15 Se eu pensara em falar tais palavras, já aí teria traído a geração de teus filhos.
16 Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
16 Em só refletir para compreender isso, achei mui pesada tarefa para mim;
17 Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
17 até que entrei no santuário de Deus e atinei com o fim deles.
18 Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.
18 Tu certamente os pões em lugares escorregadios e os fazes cair na destruição.
19 Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!
19 Como ficam de súbito assolados, totalmente aniquilados de terror!
20 Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.
20 Como ao sonho, quando se acorda, assim, ó Senhor, ao despertares, desprezarás a imagem deles.
21 Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
21 Quando o coração se me amargou e as entranhas se me comoveram,
22 Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
22 eu estava embrutecido e ignorante; era como um irracional à tua presença.
23 Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;
23 Todavia, estou sempre contigo, tu me seguras pela minha mão direita.
24 Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
24 Tu me guias com o teu conselho e depois me recebes na glória.
25 Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!
25 Quem mais tenho eu no céu? Não há outro em quem eu me compraza na terra.
26 Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.
26 Ainda que a minha carne e o meu coração desfaleçam, Deus é a fortaleza do meu coração e a minha herança para sempre.
27 Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.
27 Os que se afastam de ti, eis que perecem; tu destróis todos os que são infiéis para contigo.
28 Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.
28 Quanto a mim, bom é estar junto a Deus; no para proclamar todos os seus feitos.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Salmos 73, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.