Jó 21

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Maar Job antwoordde en zeide:
1 Então em resposta Jó disse:
2 Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
2 “O melhor consolo que vocês me podem dar é escutar com atenção as minhas palavras.
3 Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
3 Tenham paciência enquanto falo; depois que eu terminar, vocês podem zombar de mim.
4 Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
4 Não é de nenhum ser humano que me queixo e é por isso que estou tão impaciente.
5 Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
5 Se vocês olharem para mim, porão a mão na boca, assustados.
6 Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.
6 Quando penso no que aconteceu, fico perturbado, e o meu corpo todo treme.
7 Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?
7 “Por que será que os maus continuam vivos? Por que chegam ricos à velhice?
8 Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.
8 Eles têm filhos e netos e vivem para vê-los bem-crescidos ao seu redor.
9 Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet.
9 Nada ameaça a segurança dos seus lares, e Deus não os castiga.
10 Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.
10 O seu gado se reproduz sem problemas, dando crias sem nunca abortar.
11 Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.
11 Os seus filhos correm como carneirinhos e pulam de alegria;
12 Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.
12 eles cantam e se divertem ao som de pandeiros, liras e flautas.
13 In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.
13 Os maus têm sempre do bom e do melhor e morrem em paz, sem sofrimento.
14 Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.
14 “No entanto, a Deus eles dizem: ‘Deixa-nos em paz; não queremos saber das tuas
15 Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?
15 Quem é o Deus Todo-Poderoso para que o adoremos? Que adianta fazer orações a ele?’
16 Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.
16 Os maus dizem que progridem pelos seus próprios esforços, mas eu não aceito o seu modo de pensar.
17 Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!
17 “Quando foi que se apagou a luz dos perversos? Quantas vezes algum deles caiu na desgraça? Será que Deus alguma vez ficou
18 Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;
18 Quando foi que ele os espalhou como a palha ou como a poeira que é levada pela ventania?
19 Dat God Zijn geweld weglegt, voor Zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt;
19 “Vocês dizem que Deus castiga o filho pelos pecados do pai. Mas é o pai que deveria ser castigado para que aprendesse a lição.
20 Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!
20 Que o pecador receba o seu próprio castigo, que ele sinta o peso da ira do Todo-Poderoso!
21 Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?
21 Mas, se ele já está morto, se já está no outro mundo, que lhe importa que a sua família sofra?
22 Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
22 Por acaso, alguém pode dar lições ao Todo-Poderoso, que julga até os seres celestiais?
23 Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;
23 “Alguns homens levam uma vida feliz e tranquila e morrem ricos,
24 Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.
24 com saúde e cheios de força.
25 De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.
25 Outros, ao contrário, nunca provaram um momento de felicidade e morrem com o coração cheio de amargura.
26 Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.
26 Mas uns e outros acabam morrendo, são sepultados e ficam cobertos de vermes.
27 Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.
27 “Eu conheço os pensamentos de vocês e sei que pensam mal de mim.
28 Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?
28 Vocês perguntam: ‘Onde está agora a casa daquele grande homem que vivia uma vida de pecado?’
29 Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet?
29 “Será que vocês não têm conversado com pessoas que viajam? Vocês não têm ouvido as suas histórias?
30 Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.
30 Essas pessoas dizem que, quando Deus fica irado e castiga, o homem mau sempre escapa.
31 Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?
31 Ninguém o acusa das maldades que comete; ninguém o faz pagar pelos seus atos.
32 Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.
32 Ele é levado para o cemitério e posto numa sepultura bem-guardada.
33 De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.
33 Milhares de pessoas acompanham o corpo, e até a terra que o cobre é leve.
34 Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?
34 “Meus amigos, as suas consolações são vazias; tudo o que vocês dizem é mentira.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 21, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.