Jó 21

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Maar Job antwoordde en zeide:
1 Respondeu, porém, Jó:
2 Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
2 Ouvi atentamente as minhas razões, e já isso me será a vossa consolação.
3 Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
3 Tolerai-me, e eu falarei; e, havendo eu falado, podereis zombar.
4 Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
4 Acaso, é do homem que eu me queixo? Não tenho motivo de me impacientar?
5 Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
5 Olhai para mim e pasmai; e ponde a mão sobre a boca;
6 Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.
6 porque só de pensar nisso me perturbo, e um calafrio se apodera de toda a minha carne.
7 Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?
7 Como é, pois, que vivem os perversos, envelhecem e ainda se tornam mais poderosos?
8 Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.
8 Seus filhos se estabelecem na sua presença; e os seus descendentes, ante seus olhos.
9 Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet.
9 As suas casas têm paz, sem temor, e a vara de Deus não os fustiga.
10 Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.
10 O seu touro gera e não falha, suas novilhas têm a cria e não abortam.
11 Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.
11 Deixam correr suas crianças, como a um rebanho, e seus filhos saltam de alegria;
12 Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.
12 cantam com tamboril e harpa e alegram-se ao som da flauta.
13 In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.
13 Passam eles os seus dias em prosperidade e em paz descem à sepultura.
14 Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.
14 E são estes os que disseram a Deus: Retira-te de nós! Não desejamos conhecer os teus caminhos.
15 Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?
15 Que é o Todo-Poderoso, para que nós o sirvamos? E que nos aproveitará que lhe façamos orações?
16 Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.
16 Vede, porém, que não provém deles a sua prosperidade; longe de mim o conselho dos perversos!
17 Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!
17 Quantas vezes sucede que se apaga a lâmpada dos perversos? Quantas vezes lhes sobrevém a destruição? Quantas vezes Deus na sua ira lhes reparte dores?
18 Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;
18 Quantas vezes são como a palha diante do vento e como a pragana arrebatada pelo remoinho?
19 Dat God Zijn geweld weglegt, voor Zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt;
19 Deus, dizeis vós, guarda a iniquidade do perverso para seus filhos. Mas é a ele que deveria Deus dar o pago, para que o sinta.
20 Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!
20 Seus próprios olhos devem ver a sua ruína, e ele, beber do furor do Todo-Poderoso.
21 Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?
21 Porque depois de morto, cortado já o número dos seus meses, que interessa a ele a sua casa?
22 Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
22 Acaso, alguém ensinará ciência a Deus, a ele que julga os que estão nos céus?
23 Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;
23 Um morre em pleno vigor, despreocupado e tranquilo,
24 Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.
24 com seus baldes cheios de leite e fresca a medula dos seus ossos.
25 De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.
25 Outro, ao contrário, morre na amargura do seu coração, não havendo provado do bem.
26 Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.
26 Juntamente jazem no pó, onde os vermes os cobrem.
27 Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.
27 Vede que conheço os vossos pensamentos e os injustos desígnios com que me tratais.
28 Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?
28 Porque direis: Onde está a casa do príncipe, e onde, a tenda em que morava o perverso?
29 Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet?
29 Porventura, não tendes interrogado os que viajam? E não considerastes as suas declarações,
30 Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.
30 que o mau é poupado no dia da calamidade, é socorrido no dia do furor?
31 Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?
31 Quem lhe lançará em rosto o seu proceder? Quem lhe dará o pago do que faz?
32 Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.
32 Finalmente, é levado à sepultura, e sobre o seu túmulo se faz vigilância.
33 De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.
33 Os torrões do vale lhe são leves, todos os homens o seguem, assim como não têm número os que foram adiante dele.
34 Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?
34 Como, pois, me consolais em vão? Das vossas respostas só resta falsidade.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 21, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.