Provérbios 31

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 De woorden van de koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.
1 Palavras do rei Lemuel, de Massá, as quais lhe ensinou sua mãe.
2 Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
2 Que te direi, filho meu? Ó filho do meu ventre? Que te direi, ó filho dos meus votos?
3 Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.
3 Não dês às mulheres a tua força, nem os teus caminhos, às que destroem os reis.
4 Het komt den koningen niet toe, o Lemuel! het komt den koningen niet toe wijn te drinken, en den prinsen, sterken drank te begeren;
4 Não é próprio dos reis, ó Lemuel, não é próprio dos reis beber vinho, nem dos príncipes desejar bebida forte.
5 Opdat hij niet drinke, en het gezette vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.
5 Para que não bebam, e se esqueçam da lei, e pervertam o direito de todos os aflitos.
6 Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn;
6 Dai bebida forte aos que perecem e vinho, aos amargurados de espírito;
7 Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke.
7 para que bebam, e se esqueçam da sua pobreza, e de suas fadigas não se lembrem mais.
8 Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.
8 Abre a boca a favor do mudo, pelo direito de todos os que se acham desamparados.
9 Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.
9 Abre a boca, julga retamente e faze justiça aos pobres e aos necessitados.
10 Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.
10 Mulher virtuosa, quem a achará? O seu valor muito excede o de finas joias.
11 Beth. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.
11 O coração do seu marido confia nela, e não haverá falta de ganho.
12 Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.
12 Ela lhe faz bem e não mal, todos os dias da sua vida.
13 Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.
13 Busca lã e linho e de bom grado trabalha com as mãos.
14 He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.
14 É como o navio mercante: de longe traz o seu pão.
15 Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
15 É ainda noite, e já se levanta, e dá mantimento à sua casa e a tarefa às suas servas.
16 Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.
16 Examina uma propriedade e adquire-a; planta uma vinha com as rendas do seu trabalho.
17 Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.
17 Cinge os lombos de força e fortalece os braços.
18 Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.
18 Ela percebe que o seu ganho é bom; a sua lâmpada não se apaga de noite.
19 Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.
19 Estende as mãos ao fuso, mãos que pegam na roca.
20 Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.
20 Abre a mão ao aflito; e ainda a estende ao necessitado.
21 Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.
21 No tocante à sua casa, não teme a neve, pois todos andam vestidos de lã escarlate.
22 Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.
22 Faz para si cobertas, veste-se de linho fino e de púrpura.
23 Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.
23 Seu marido é estimado entre os juízes, quando se assenta com os anciãos da terra.
24 Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den koopman gordelen.
24 Ela faz roupas de linho fino, e vende-as, e dá cintas aos mercadores.
25 Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.
25 A força e a dignidade são os seus vestidos, e, quanto ao dia de amanhã, não tem preocupações.
26 Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
26 Fala com sabedoria, e a instrução da bondade está na sua língua.
27 Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
27 Atende ao bom andamento da sua casa e não come o pão da preguiça.
28 Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:
28 Levantam-se seus filhos e lhe chamam ditosa; seu marido a louva, dizendo:
29 Resch. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.
29 Muitas mulheres procedem virtuosamente, mas tu a todas sobrepujas.
30 Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.
30 Enganosa é a graça, e vã, a formosura, mas a mulher que teme ao
31 Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.
31 Dai-lhe do fruto das suas mãos, e de público a louvarão as suas obras.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Provérbios 31, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.