Provérbios 30

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiel, tot Ithiel en Uchal.
1 São estas as palavras solenes de Agur, filho de Jaque: “Deus não está comigo, Deus não está comigo. Estou desamparado.
2 Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;
2 Sou mais animal do que gente; não tenho a inteligência que um ser humano deve ter.
3 En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
3 Nunca aprendi a ser sábio e não conheço o Deus Santo.
4 Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?
4 Quem já sabe tudo a respeito do céu? Quem já pegou o vento com as mãos? Quem já embrulhou água num pano? Quem já marcou os limites da terra? Você sabe quem é ele? E quem é o filho dele?
5 Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.
5 Tudo o que Deus diz é verdade. Ele é como um escudo para todos os que procuram a sua proteção.
6 Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.
6 Nunca declare que Deus disse alguma coisa que, de fato, ele não disse; se você fizer isso, ele o corrigirá e mostrará que você é mentiroso.”
7 Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve:
7 Eu te peço, ó Deus, que me dês duas coisas antes de eu morrer:
8 Ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;
8 não me deixes mentir e não me deixes ficar nem rico nem pobre. Dá-me somente o alimento que preciso para viver.
9 Opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en den Naam mijns Gods aantaste.
9 Porque, se eu tiver mais do que o necessário, poderei dizer que não preciso de ti. E, se eu ficar pobre, poderei roubar e assim envergonharei o teu nome, ó meu Deus.
10 Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.
10 Nunca fale mal de um empregado ao patrão dele para que você não seja amaldiçoado, nem sofra por isso.
11 Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;
11 Há pessoas que amaldiçoam o próprio pai e são ingratas com a própria mãe.
12 Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is;
12 Há pessoas que pensam que são puras, mas a sua sujeira ainda não foi lavada.
13 Een geslacht, welks ogen hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn;
13 Há pessoas que são tão orgulhosas, que olham os outros com desprezo.
14 Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren.
14 Há pessoas que ganham a vida explorando sem dó nem piedade os pobres e os necessitados.
15 De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg!
15 A sanguessuga tem duas filhas, e as duas se chamam: Me dá! Me dá! Há quatro coisas que nunca estão satisfeitas:
16 Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!
16 o mundo dos mortos ; a mulher sem filhos; a terra seca que precisa sempre de chuva; e o fogo de um incêndio.
17 Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.
17 Quem caçoa do seu pai ou despreza a sua mãe, quando ela fica velha, será comido pelos urubus ou terá os olhos arrancados pelos corvos.
18 Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:
18 Há quatro coisas misteriosas que eu não consigo entender:
19 De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.
19 a águia voando no céu; a cobra se arrastando nas pedras; o navio que encontra o seu caminho no mar; e o amor entre um homem e uma mulher.
20 Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
20 Uma esposa infiel age assim: comete adultério, toma um banho e depois diz: “Não fiz nada de errado!”
21 Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan:
21 Há quatro coisas que a terra não pode tolerar:
22 Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;
22 o escravo que se torna rei; o tolo que tem para comer tudo o que quer;
23 Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.
23 a mulher de mau gênio que arranja casamento; e a escrava que toma o lugar da sua senhora.
24 Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.
24 No mundo há quatro animais que são pequenos, mas muito espertos:
25 De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs.
25 as formigas, que são fracas, mas ajuntam a sua comida no verão;
26 De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen.
26 os coelhos selvagens, que também não são fortes, mas fazem as suas casas nas pedras;
27 De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen.
27 os gafanhotos, que não têm rei, mas avançam em bandos;
28 De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.
28 e as lagartixas, que qualquer um pode pegar com a mão, mas podem ser encontradas até nos palácios.
29 Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken;
29 Há quatro seres vivos que, quando caminham, causam olhares de admiração:
30 De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;
30 o leão, o mais forte de todos os animais, que não tem medo de nada;
31 Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.
31 o bode; o galo, que anda de peito erguido; e um rei diante do seu povo.
32 Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!
32 Se você tem sido bastante tolo para ser orgulhoso e planejar o mal, então pare e pense:
33 Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.
33 bater o leite dá manteiga; pancada no nariz faz sair sangue; provocar a raiva dá briga.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Provérbios 30, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.