Provérbios 30

Dutch (DUTCH) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiel, tot Ithiel en Uchal.
1 Palavras de Agur, filho de Jaque, o oráculo. Disse este varão a Itiel, a Itiel e a Ucal:
2 Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;
2 Na verdade, que eu sou mais bruto do que ninguém; não tenho o entendimento do homem,
3 En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
3 nem aprendi a sabedoria, nem tenho o conhecimento do Santo.
4 Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?
4 Quem subiu ao céu e desceu? Quem encerrou os ventos nos seus punhos? Quem amarrou as águas na sua roupa? Quem estabeleceu todas as extremidades da terra? Qual é o seu nome, e qual é o nome de seu filho, se é que o sabes?
5 Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.
5 Toda palavra de Deus é pura; escudo é para os que confiam nele.
6 Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.
6 Nada acrescentes às suas palavras, para que não te repreenda, e sejas achado mentiroso.
7 Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve:
7 Duas coisas te pedi; não mas negues, antes que morra:
8 Ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;
8 afasta de mim a vaidade e a palavra mentirosa; não me dês nem a pobreza nem a riqueza; mantém-me do pão da minha porção acostumada;
9 Opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en den Naam mijns Gods aantaste.
9 para que, porventura, de farto te não negue e diga: Quem é o Senhor ? Ou que, empobrecendo, venha a furtar e lance mão do nome de Deus.
10 Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.
10 Não calunies o servo diante de seu senhor, para que te não amaldiçoe e fiques culpado.
11 Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;
11 Há uma geração que amaldiçoa a seu pai e que não bendiz a sua mãe.
12 Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is;
12 Há uma geração que é pura aos seus olhos e que nunca foi lavada da sua imundícia.
13 Een geslacht, welks ogen hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn;
13 Há uma geração cujos olhos são altivos e cujas pálpebras são levantadas para cima.
14 Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren.
14 Há uma geração cujos dentes são espadas e cujos queixais são facas, para consumirem na terra os aflitos e os necessitados entre os homens.
15 De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg!
15 A sanguessuga tem duas filhas, a saber: Dá, Dá. Estas três coisas nunca se fartam; e quatro nunca dizem: Basta:
16 Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!
16 a sepultura, a madre estéril, a terra, que se não farta de água, e o fogo, que nunca diz: Basta.
17 Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.
17 Os olhos que zombam do pai ou desprezam a obediência da mãe, corvos do ribeiro os arrancarão, e os pintãos da águia os comerão.
18 Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:
18 Há três coisas que me maravilham, e a quarta não a conheço:
19 De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.
19 o caminho da águia no céu, o caminho da cobra na penha, o caminho do navio no meio do mar e o caminho do homem com uma virgem.
20 Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
20 Tal é o caminho da mulher adúltera: ela come, e limpa a sua boca, e diz: Não cometi maldade.
21 Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan:
21 Por três coisas se alvoroça a terra, e a quarta não a pode suportar:
22 Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;
22 pelo servo, quando reina; e pelo tolo, quando anda farto de pão;
23 Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.
23 pela mulher aborrecida, quando se casa; e pela serva, quando fica herdeira da sua senhora.
24 Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.
24 Estas quatro coisas são das mais pequenas da terra, mas sábias, bem-providas de sabedoria:
25 De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs.
25 as formigas são um povo impotente; todavia, no verão preparam a sua comida;
26 De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen.
26 os coelhos são um povo débil; e, contudo, fazem a sua casa nas rochas;
27 De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen.
27 os gafanhotos não têm rei; e, contudo, todos saem e em bandos se repartem;
28 De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.
28 a aranha, que se apanha com as mãos e está nos paços dos reis.
29 Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken;
29 Há três que têm um bom andar, e o quarto passeia muito bem:
30 De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;
30 o leão, o mais forte entre os animais, que por ninguém torna atrás;
31 Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.
31 o cavalo de guerra, bem-cingido pelos lombos; o bode também; e o rei, a quem se não pode resistir.
32 Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!
32 Se procedeste loucamente, elevando-te, e se imaginaste o mal, põe a mão na boca.
33 Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.
33 Porque o espremer do leite produz manteiga, e o espremer do nariz produz sangue, e o espremer da ira produz contenda.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Provérbios 30, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.