Provérbios 30

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiel, tot Ithiel en Uchal.
1 Palavras de Agur, filho de Jaque, de Massá. Disse o homem: Fatiguei-me, ó Deus; fatiguei-me, ó Deus, e estou exausto
2 Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;
2 porque sou demasiadamente estúpido para ser homem; não tenho inteligência de homem,
3 En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
3 não aprendi a sabedoria, nem tenho o conhecimento do Santo.
4 Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?
4 Quem subiu ao céu e desceu? Quem encerrou os ventos nos seus punhos? Quem amarrou as águas na sua roupa? Quem estabeleceu todas as extremidades da terra? Qual é o seu nome, e qual é o nome de seu filho, se é que o sabes?
5 Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.
5 Toda palavra de Deus é pura; ele é escudo para os que nele confiam.
6 Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.
6 Nada acrescentes às suas palavras, para que não te repreenda, e sejas achado mentiroso.
7 Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve:
7 Duas coisas te peço; não mas negues, antes que eu morra:
8 Ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;
8 afasta de mim a falsidade e a mentira; não me dês nem a pobreza nem a riqueza; dá-me o pão que me for necessário;
9 Opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en den Naam mijns Gods aantaste.
9 para não suceder que, estando eu farto, te negue e diga: Quem é o Ou que, empobrecido, venha a furtar e profane o nome de Deus.
10 Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.
10 Não calunies o servo diante de seu senhor, para que aquele te não amaldiçoe e fiques culpado.
11 Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;
11 Há daqueles que amaldiçoam a seu pai e que não bendizem a sua mãe.
12 Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is;
12 Há daqueles que são puros aos próprios olhos e que jamais foram lavados da sua imundícia.
13 Een geslacht, welks ogen hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn;
13 Há daqueles — quão altivos são os seus olhos e levantadas as suas pálpebras!
14 Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren.
14 Há daqueles cujos dentes são espadas, e cujos queixais são facas, para consumirem na terra os aflitos e os necessitados entre os homens.
15 De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg!
15 A sanguessuga tem duas filhas, a saber: Dá, Dá. Há três coisas que nunca se fartam, sim, quatro que não dizem: Basta!
16 Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!
16 Elas são a sepultura, a madre estéril, a terra, que se não farta de água, e o fogo, que nunca diz: Basta!
17 Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.
17 Os olhos de quem zomba do pai ou de quem despreza a obediência à sua mãe, corvos no ribeiro os arrancarão e pelos pintãos da águia serão comidos.
18 Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:
18 Há três coisas que são maravilhosas demais para mim, sim, há quatro que não entendo:
19 De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.
19 o caminho da águia no céu, o caminho da cobra na penha, o caminho do navio no meio do mar e o caminho do homem com uma donzela.
20 Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
20 Tal é o caminho da mulher adúltera: come, e limpa a boca, e diz: Não cometi maldade.
21 Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan:
21 Sob três coisas estremece a terra, sim, sob quatro não pode subsistir:
22 Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;
22 sob o servo quando se torna rei; sob o insensato quando anda farto de pão;
23 Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.
23 sob a mulher desdenhada quando se casa; sob a serva quando se torna herdeira da sua senhora.
24 Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.
24 Há quatro coisas mui pequenas na terra que, porém, são mais sábias que os sábios:
25 De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs.
25 as formigas, povo sem força; todavia, no verão preparam a sua comida;
26 De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen.
26 os arganazes, povo não poderoso; contudo, fazem a sua casa nas rochas;
27 De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen.
27 os gafanhotos não têm rei; contudo, marcham todos em bandos;
28 De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.
28 o geco, que se apanha com as mãos; contudo, está nos palácios dos reis.
29 Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken;
29 Há três que têm passo elegante, sim, quatro que andam airosamente:
30 De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;
30 O leão, o mais forte entre os animais, que por ninguém torna atrás;
31 Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.
31 o galo, que anda ereto, o bode e o rei, a quem não se pode resistir.
32 Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!
32 Se procedeste insensatamente em te exaltares ou se maquinaste o mal, põe a mão na boca.
33 Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.
33 Porque o bater do leite produz manteiga, e o torcer do nariz produz sangue, e o açular a ira produz contendas.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Provérbios 30, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.