Jó 27

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1 Jó continuou em sua fala, dizendo:
2 Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!
2 “Tão certo como vive Deus, que me tirou o direito, o Todo-Poderoso, que amargurou a minha alma,
3 Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;
3 enquanto eu puder respirar e o sopro de Deus estiver nas minhas narinas,
4 Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
4 nunca os meus lábios falarão injustiça, nem a minha língua pronunciará engano.
5 Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.
5 Longe de mim que eu dê razão a vocês! Até morrer, nunca abrirei mão da minha integridade.
6 Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.
6 À minha justiça me apegarei e não a largarei; a minha consciência não me acusará em toda a minha vida.”
7 Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.
7 “Que o meu inimigo seja como o perverso, e o que se levantar contra mim, como o injusto.
8 Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?
8 Porque qual será a esperança do ímpio, quando lhe for tirada a vida, quando Deus lhe arrancar a alma?
9 Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
9 Será que Deus ouvirá o seu clamor, quando lhe sobrevier a angústia?
10 Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
10 Será que o ímpio encontrará prazer no Todo-Poderoso e invocará a Deus a todo o momento?”
11 Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.
11 “Vou ensinar a vocês a respeito do poder de Deus e não lhes ocultarei o que está na mente do Todo-Poderoso.
12 Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
12 Eis que todos vocês já viram isso. Por que, então, ficam repetindo palavras que não fazem sentido?”
13 Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen.
13 “Esta é a porção que Deus dará ao perverso, a herança que os opressores receberão do Todo-Poderoso:
14 Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden.
14 Se os filhos deles se multiplicarem, será para que sejam mortos à espada; e os seus descendentes passarão fome.
15 Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen.
15 Os que sobreviverem, a peste os sepultará, e as suas viúvas não chorarão por eles.”
16 Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem;
16 “Se o perverso amontoar prata como pó e acumular roupas como barro,
17 Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen.
17 poderá até acumular tudo isso, mas o justo é que vestirá as roupas, e o inocente ficará com a prata.
18 Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.
18 A casa que ele edifica é como a da traça, como a cabana que o vigia constrói.
19 Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet.
19 Rico, ele se deita com a sua riqueza, mas, quando abre os olhos, ela já se foi.
20 Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.
20 Pavores se apoderam dele como inundação, de noite a tempestade o arrebata.
21 De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.
21 O vento leste o leva, e ele se vai; varre-o com ímpeto do seu lugar.
22 En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden.
22 Deus lança isto sobre ele e não o poupa, a ele que procura fugir às pressas da sua mão.
23 Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats.
23 Diante de sua queda, as pessoas batem palmas; ao vê-lo ir embora o vaiam com assobios.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 27, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.