Jó 27

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1 Prosseguindo Jó em seu discurso, disse:
2 Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!
2 Tão certo como vive Deus, que me tirou o direito, e o Todo-Poderoso, que amargurou a minha alma,
3 Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;
3 enquanto em mim estiver a minha vida, e o sopro de Deus nos meus narizes,
4 Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
4 nunca os meus lábios falarão injustiça, nem a minha língua pronunciará engano.
5 Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.
5 Longe de mim que eu vos dê razão! Até que eu expire, nunca afastarei de mim a minha integridade.
6 Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.
6 À minha justiça me apegarei e não a largarei; não me reprova a minha consciência por qualquer dia da minha vida.
7 Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.
7 Seja como o perverso o meu inimigo, e o que se levantar contra mim, como o injusto.
8 Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?
8 Porque qual será a esperança do ímpio, quando lhe for cortada a vida, quando Deus lhe arrancar a alma?
9 Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
9 Acaso, ouvirá Deus o seu clamor, em lhe sobrevindo a tribulação?
10 Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
10 Deleitar-se-á o perverso no Todo-Poderoso e invocará a Deus em todo o tempo?
11 Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.
11 Ensinar-vos-ei o que encerra a mão de Deus e não vos ocultarei o que está com o Todo-Poderoso.
12 Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
12 Eis que todos vós já vistes isso; por que, pois, alimentais vãs noções?
13 Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen.
13 Eis qual será da parte de Deus a porção do perverso e a herança que os opressores receberão do Todo-Poderoso:
14 Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden.
14 Se os seus filhos se multiplicarem, será para a espada, e a sua prole não se fartará de pão.
15 Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen.
15 Os que ficarem dela, a peste os enterrará, e as suas viúvas não chorarão.
16 Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem;
16 Se o perverso amontoar prata como pó e acumular vestes como barro,
17 Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen.
17 ele os acumulará, mas o justo é que os vestirá, e o inocente repartirá a prata.
18 Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.
18 Ele edifica a sua casa como a da traça e como a choça que o vigia constrói.
19 Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet.
19 Rico se deita com a sua riqueza, abre os seus olhos e já não a vê.
20 Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.
20 Pavores se apoderam dele como inundação, de noite a tempestade o arrebata.
21 De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.
21 O vento oriental o leva, e ele se vai; varre-o com ímpeto do seu lugar.
22 En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden.
22 Deus lança isto sobre ele e não o poupa, a ele que procura fugir precipitadamente da sua mão;
23 Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats.
23 à sua queda lhe batem palmas, à saída o apupam com assobios.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 27, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.