Jó 15

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1 Então Elifaz, o temanita, tomou a palavra e disse:
2 Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?
2 “Será que um sábio daria respostas vazias? Será que encheria a si mesmo de vento leste?
3 Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
3 Argumentaria com palavras que de nada servem e com razões das quais nada se aproveita?
4 Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.
4 Mas você destrói o temor de Deus e diminui a devoção a ele devida.
5 Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
5 Pois o que você fala se inspira em sua iniquidade, e você adota a língua dos astutos.
6 Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.
6 A sua própria boca o condena, e não eu; os seus lábios dão testemunho contra você.”
7 Zijt gij de eerste een mens geboren? Of zijt gij voor de heuvelen voortgebracht?
7 “Será que você é o primeiro homem que nasceu? Por acaso, você foi formado antes dos montes?
8 Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
8 Será que você ouviu o conselho secreto de Deus e detém toda a sabedoria?
9 Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
9 O que você sabe, que nós não sabemos? O que você entende, que nós não entendemos?
10 Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.
10 Também há entre nós homens idosos e de cabelos brancos, muito mais velhos do que o seu pai.”
11 Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?
11 “Você faz pouco caso das consolações de Deus e das suaves palavras que dirigimos a você?
12 Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
12 Por que você se deixa levar pelo seu coração? Por que os seus olhos flamejam,
13 Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
13 para que você dirija contra Deus o seu furor? E por que deixa que tais palavras saiam de sua boca?”
14 Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?
14 “Que é o homem, para que seja puro? E o que nasce de mulher, para ser justo?
15 Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen.
15 Eis que Deus não confia nem nos seus santos! Nem os céus são puros aos seus olhos,
16 Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?
16 quanto menos o homem, que é abominável e corrupto, que bebe a iniquidade como a água!”
17 Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
17 “Escute o que eu vou explicar; vou contar-lhe o que eu vi,
18 Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft;
18 o que os sábios anunciaram, sem ocultar nada, tendo-o recebido dos pais deles,
19 Denwelken alleen het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging.
19 aos quais somente foi dada esta terra, sem que nenhum estrangeiro passasse entre eles.”
20 Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd.
20 “O ímpio é atormentado todos os dias, no curto número de anos que se reservam para o opressor.
21 Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over.
21 O som dos horrores está nos seus ouvidos; na prosperidade lhe sobrevém o destruidor.
22 Hij gelooft niet uit de duisternis weder te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde.
22 Não crê que possa escapar das trevas, e sim que a espada o espera.
23 Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag der duisternis.
23 Anda vagando, em busca de pão, dizendo: ‘Onde está?’ Bem sabe que o dia das trevas está perto.
24 Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.
24 A angústia e a tribulação o assombram; prevalecem contra ele, como o rei preparado para a batalha.
25 Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan.
25 Porque ele levantou a mão contra Deus e desafiou o Todo-Poderoso;
26 Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden.
26 arremete contra ele obstinadamente, protegido por um grosso escudo.
27 Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen;
27 Porque cobriu o rosto com a sua gordura, que se acumulou também na cintura;
28 En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.
28 morou em cidades assoladas, em casas em que ninguém devia morar, que estavam prestes a virar ruínas.
29 Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.
29 Por isso, não ficará rico, nem subsistirá a sua riqueza; nem se estenderão os seus bens pela terra.
30 Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.
30 Não escapará das trevas; a chama do fogo secará os seus rebentos, e ao sopro da boca de Deus será arrebatado.
31 Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen.
31 Que ele não confie na vaidade, enganando a si mesmo, porque a vaidade será a sua recompensa.
32 Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen.
32 Esta lhe chegará antes da hora, e o seu ramo não reverdecerá.
33 Men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijfboom.
33 Será como a videira que perde as uvas ainda verdes, como a oliveira que deixa cair a sua flor.
34 Want de vergadering der huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten der geschenken.
34 Porque a companhia dos ímpios será estéril, e o fogo consumirá as tendas do suborno.
35 Zijn ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan.
35 Concebem o mal e dão à luz a iniquidade; o coração deles só prepara enganos.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 15, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.