Mateus 22
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs VC
VC Versão Católica
1 En Jezus antwoordde en sprak wederom tot hen in gelijkenissen, zeggende:
1 Jesus tornou a falar-lhes por meio de parábolas:
2 Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft bereidde.
2 The kingdom of the heavens has become like a king who made a wedding feast for his son,
3 En hij zond zijn dienaren om de genoodigden tot de bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen.
3 and sent his bondmen to call the persons invited to the wedding feast, and they would not come.
4 Wederom zond hij andere dienaren, zeggende: Zegt tot de genoodigden: Ziet, mijn maaltijd heb ik gereed, mijn ossen en mestvee zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft!
4 Again he sent other bondmen, saying, Say to the persons invited, Behold, I have prepared my dinner; my oxen and my fatted beasts are killed, and all things ready; come to the wedding feast.
5 Maar zij letten er niet op en gingen heen, de een naar zijn akker en de ander naar zijn koophandel.
5 But they made light of it, and went, one to his own land, and another to his commerce.
6 Doch de anderen grepen zijn dienaren en mishandelden en doodden hen.
6 And the rest, laying hold of his bondmen, ill-treated and slew {them}.
7 Toen werd de koning toornig als hij dit hoorde, en hij zond zijn krijgslieden en vernielde die moordenaars en stak hun stad in brand.
7 And {when} the king {heard of it he} was wroth, and having sent his forces, destroyed those murderers and burned their city.
8 Toen zeide hij tot zijn dienaren: Mijn bruiloft is gereed, maar de genoodigden waren het niet waardig.
8 Then he says to his bondmen, The wedding feast is ready, but those invited were not worthy;
9 Gaat dan naar de uitgangen der wegen en roept zoovelen als gij er vindt tot de bruiloft.
9 go therefore into the thoroughfares of the highways, and as many as ye shall find invite to the wedding feast.
10 En die dienaren gingen heen naar de wegen en verzamelden allen die ze vonden, kwaden en goeden. En de bruiloftzaal werd vol gasten.
10 And those bondmen went out into the highways, and brought together all as many as they found, both evil and good; and the wedding feast was furnished with guests.
11 Doch toen de koning binnenkwam om de gasten te zien, zag hij daar een mensch die geen bruiloftskleed aanhad.
11 And the king, having gone in to see the guests, beheld there a man not clothed with a wedding garment.
12 En hij zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed? Maar hij verstomde.
12 And he says to him, {My} friend, how camest thou in here not having on a wedding garment? But he was speechless.
13 Toen zeide de koning tot de dienaren: Bindt hem handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem in de duisternis daarbuiten; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
13 Then said the king to the servants, Bind him feet and hands, and take him away, and cast him out into the outer darkness: there shall be the weeping and the gnashing of teeth.
14 Want velen zijn geroepen, doch weinigen uitverkoren.
14 For many are called ones, but few chosen ones.
15 Toen gingen de fariseërs heen en beraadslaagden samen om Hem in zijn rede te verstrikken.
15 — ausente —
16 En zij zonden tot Hem hun discipelen met de Herodianen, zeggende: Meester, wij weten dat Gij waarachtig zijt en den weg Gods in waarheid leert, en dat Gij niemand ontziet, want Gij ziet niet op den persoon des menschen.
16 And they send out to him their disciples with the Herodians, saying, Teacher, we know that thou art true and teachest the way of God in truth, and carest not for any one, for thou regardest not men's person;
17 Zeg ons dan: Wat dunkt U? Is het geoorloofd om aan den keizer belasting te geven of niet?
17 tell us therefore what thou thinkest: Is it lawful to give tribute to Caesar, or not?
18 Doch Jezus hun valschheid kennende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij, gij geveinsden?
18 But Jesus, knowing their wickedness, said, Why tempt ye me, hypocrites?
19 Toont Mij de schattingsmunt! En zij brachten Hem een penning.
19 Shew me the money of the tribute. And they presented to him a denarius.
20 En Jezus zeide tot hen: Van wien is dit beeld en dit opschrift?
20 And he says to them, Whose {is} this image and superscription?
21 Zij zeiden: Van den keizer. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan aan den keizer wat den keizer, en aan God wat Gode toekomt.
21 They say to him, Caesar's. Then he says to them, Pay then what is Caesar's to Caesar, and what is God's to God.
22 En toen, zij dit hoorden, verwonderden zij zich, en Hem daarlatende, vertrokken zij.
22 And when they heard {him}, they wondered, and left him, and went away.
23 Op dien zelfden dag kwamen er sadduceërs tot Hem, die zeggen dat er geen verrijzenis is, en zij vroegen Hem, zeggende:
23 — ausente —
24 Meester! Mozes heeft gezegd: Als iemand zonder kinderen sterft, dan zal zijn broeder diens vrouw trouwen en aan zijn broeder nakomelingschap verwekken.
24 saying, Teacher, Moses said, If any one die, not having children, his brother shall marry his wife and shall raise up seed to his brother.
25 Daar waren nu bij ons zeven broeders; en de eerste stierf getrouwd, en daar hij geen kinderen had, liet hij zijn vrouw na voor zijn broeder;
25 Now there were with us seven brethren; and the first having married died, and not having seed, left his wife to his brother.
26 en zoo ook de tweede en de derde, tot den zevende toe.
26 In like manner also the second and the third, unto the seven.
27 Ten laatste van allen stierf ook de vrouw.
27 And last of all the woman also died.
28 In de verrijzenis dan, wiens vrouw van de zeven zal zij zijn? want allen hebben haar gehad.
28 In the resurrection therefore of which of the seven shall she be wife, for all had her?
29 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij doolt, omdat gij de Schrifturen niet kent, noch de kracht Gods.
29 And Jesus answering said to them, Ye err, not knowing the scriptures nor the power of God.
30 Want in de verrijzenis trouwen zij niet en worden zij niet getrouwd, maar zij zijn als de engelen Gods in den hemel.
30 For in the resurrection they neither marry nor are given in marriage, but are as angels of God in heaven.
31 Wat nu de verrijzenis der dooden belangt: hebt gij niet gelezen wat door God tot u gesproken is, als Hij zegt:
31 Quanto à ressurreição dos mortos, não lestes o que Deus vos disse:
32 Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaäk, en de God van Jakob? Hij is toch geen God van dooden, maar van levenden!
32 Eu sou o Deus de Abraão, o Deus de Isaac e o Deus de Jacó {Ex 3,6}? Ora, ele não é Deus dos mortos, mas Deus dos vivos.
33 En toen de scharen dit hoorden, waren zij verwonderd over zijn onderwijs.
33 E, ouvindo esta doutrina, as turbas se enchiam de grande admiração.
34 En de fariseërs, hoorende dat Hij aan de sadduceërs den mond gestopt had, kwamen bijeen.
34 Sabendo os fariseus que Jesus reduzira ao silêncio os saduceus, reuniram-se
35 En een uit hen, een wetgeleerde, Hem verzoekende, vroeg Hem:
35 e um deles, doutor da lei, fez-lhe esta pergunta para pô-lo à prova:
36 Meester! welk is het groote gebod in de wet?
36 Mestre, qual é o maior mandamento da lei?
37 En Jezus zeide tot hem: Gij zult beminnen den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.
37 Respondeu Jesus: Amarás o Senhor teu Deus de todo teu coração, de toda tua alma e de todo teu espírito {Dt 6,5}.
38 Dit is het eerste en groote gebod.
38 Este é o maior e o primeiro mandamento.
39 Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste beminnen als uzelven.
39 E o segundo, semelhante a este, é: Amarás teu próximo como a ti mesmo {Lv 19,18}.
40 Aan deze twee geboden hangt de gansche wet en de profeten.
40 Nesses dois mandamentos se resumem toda a lei e os profetas.
41 Terwijl nu de fariseërs bijeen waren, vroeg Jezus hun, zeggende:
41 Como os fariseus se agrupassem, Jesus interrogou-os:
42 Wat dunkt u van den Christus? Wiens zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Van David.
42 Que pensais vós de Cristo? De quem é filho? Responderam: De Davi!
43 Hij zeide tot hen: Hoe noemt Hem David in den Geest dan Heere, als hij zegt:
43 Como então, prosseguiu Jesus, Davi, falando sob inspiração do Espírito, chama-o Senhor, dizendo:
44 De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden gelegd heb onder uw voeten?
44 O Senhor disse a meu Senhor: Senta-te à minha direita, até que eu ponha teus inimigos por escabelo dos teus pés {Sl 109,1}?
45 Indien dan David Hem Heere noemt, hoe is Hij zijn zoon?
45 Se, pois, Davi o chama Senhor, como é ele seu filho?
46 En niemand kon Hem een woord antwoorden; ook durfde niemand Hem van dien dag af iets meer vragen.
46 Ninguém pôde responder-lhe nada. E, depois daquele dia, ninguém mais ousou interrogá-lo.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 22, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.