Mateus 22
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs NAA
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 En Jezus antwoordde en sprak wederom tot hen in gelijkenissen, zeggende:
1 De novo Jesus lhes falou por parábolas, dizendo:
2 Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft bereidde.
2 — O Reino dos Céus é semelhante a um rei que preparou uma festa de casamento para seu filho.
3 En hij zond zijn dienaren om de genoodigden tot de bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen.
3 Enviou os seus servos a chamar os convidados para a festa, mas estes não quiseram vir.
4 Wederom zond hij andere dienaren, zeggende: Zegt tot de genoodigden: Ziet, mijn maaltijd heb ik gereed, mijn ossen en mestvee zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft!
4 Enviou ainda outros servos, dizendo: “Digam aos convidados: Eis que já preparei o meu banquete; os meus bois e animais da engorda já foram abatidos, e tudo está pronto; venham para a festa.”
5 Maar zij letten er niet op en gingen heen, de een naar zijn akker en de ander naar zijn koophandel.
5 Mas os convidados não se importaram e se foram, um para o seu campo, outro para o seu negócio.
6 Doch de anderen grepen zijn dienaren en mishandelden en doodden hen.
6 Outros, agarrando os servos, os maltrataram e mataram.
7 Toen werd de koning toornig als hij dit hoorde, en hij zond zijn krijgslieden en vernielde die moordenaars en stak hun stad in brand.
7 — O rei ficou furioso e, enviando as suas tropas, exterminou aqueles assassinos e incendiou a cidade deles.
8 Toen zeide hij tot zijn dienaren: Mijn bruiloft is gereed, maar de genoodigden waren het niet waardig.
8 Então disse aos seus servos: “A festa está pronta, mas os convidados não eram dignos.
9 Gaat dan naar de uitgangen der wegen en roept zoovelen als gij er vindt tot de bruiloft.
9 Vão, pois, para as encruzilhadas dos caminhos e convidem para o banquete todos os que vocês encontrarem.”
10 En die dienaren gingen heen naar de wegen en verzamelden allen die ze vonden, kwaden en goeden. En de bruiloftzaal werd vol gasten.
10 E, saindo aqueles servos pelas estradas, reuniram todos os que encontraram, maus e bons; e a sala do banquete ficou cheia de convidados.
11 Doch toen de koning binnenkwam om de gasten te zien, zag hij daar een mensch die geen bruiloftskleed aanhad.
11 — Mas, quando o rei entrou para ver os que estavam à mesa, notou ali um homem que não trazia veste nupcial
12 En hij zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed? Maar hij verstomde.
12 e perguntou-lhe: “Amigo, como você entrou aqui sem veste nupcial?” E ele emudeceu.
13 Toen zeide de koning tot de dienaren: Bindt hem handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem in de duisternis daarbuiten; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
13 Então o rei ordenou aos serventes: “Amarrem os pés e as mãos dele e atirem-no para fora, nas trevas; ali haverá choro e ranger de dentes.”
14 Want velen zijn geroepen, doch weinigen uitverkoren.
14 Porque muitos são chamados, mas poucos são escolhidos.
15 Toen gingen de fariseërs heen en beraadslaagden samen om Hem in zijn rede te verstrikken.
15 Então os fariseus se retiraram e consultaram entre si como surpreenderiam Jesus em alguma palavra.
16 En zij zonden tot Hem hun discipelen met de Herodianen, zeggende: Meester, wij weten dat Gij waarachtig zijt en den weg Gods in waarheid leert, en dat Gij niemand ontziet, want Gij ziet niet op den persoon des menschen.
16 E enviaram-lhe discípulos, juntamente com os herodianos, para lhe dizer: — Mestre, sabemos que o senhor é verdadeiro e que ensina o caminho de Deus de acordo com a verdade, sem se importar com a opinião dos outros, porque não olha para a aparência das pessoas.
17 Zeg ons dan: Wat dunkt U? Is het geoorloofd om aan den keizer belasting te geven of niet?
17 Assim sendo, diga-nos o que o senhor acha: é lícito pagar imposto a César ou não?
18 Doch Jezus hun valschheid kennende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij, gij geveinsden?
18 Mas Jesus, percebendo a maldade deles, respondeu:
19 Toont Mij de schattingsmunt! En zij brachten Hem een penning.
19 Mostrem-me a moeda do imposto. Trouxeram-lhe um denário.
20 En Jezus zeide tot hen: Van wien is dit beeld en dit opschrift?
20 E Jesus lhes perguntou:
21 Zij zeiden: Van den keizer. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan aan den keizer wat den keizer, en aan God wat Gode toekomt.
21 Eles responderam: — De César. Então Jesus lhes disse:
22 En toen, zij dit hoorden, verwonderden zij zich, en Hem daarlatende, vertrokken zij.
22 Ouvindo isto, se admiraram e, deixando-o, foram embora.
23 Op dien zelfden dag kwamen er sadduceërs tot Hem, die zeggen dat er geen verrijzenis is, en zij vroegen Hem, zeggende:
23 Naquele dia, alguns saduceus, que dizem não haver ressurreição, aproximaram-se de Jesus e lhe perguntaram:
24 Meester! Mozes heeft gezegd: Als iemand zonder kinderen sterft, dan zal zijn broeder diens vrouw trouwen en aan zijn broeder nakomelingschap verwekken.
24 — Mestre, Moisés disse: “Se alguém morrer, não tendo filhos, o irmão desse homem deve casar com a viúva e gerar descendentes para o falecido.”
25 Daar waren nu bij ons zeven broeders; en de eerste stierf getrouwd, en daar hij geen kinderen had, liet hij zijn vrouw na voor zijn broeder;
25 Ora, havia entre nós sete irmãos. O primeiro, tendo casado, morreu e, não tendo descendência, deixou sua mulher para seu irmão.
26 en zoo ook de tweede en de derde, tot den zevende toe.
26 O mesmo aconteceu com o segundo, com o terceiro, até o sétimo.
27 Ten laatste van allen stierf ook de vrouw.
27 Por fim, depois de todos, morreu também a mulher.
28 In de verrijzenis dan, wiens vrouw van de zeven zal zij zijn? want allen hebben haar gehad.
28 Portanto, na ressurreição, de qual dos sete ela será esposa? Porque todos casaram com ela.
29 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij doolt, omdat gij de Schrifturen niet kent, noch de kracht Gods.
29 Jesus respondeu:
30 Want in de verrijzenis trouwen zij niet en worden zij niet getrouwd, maar zij zijn als de engelen Gods in den hemel.
30 Porque, na ressurreição, nem casam, nem se dão em casamento, mas são como os anjos no céu.
31 Wat nu de verrijzenis der dooden belangt: hebt gij niet gelezen wat door God tot u gesproken is, als Hij zegt:
31 Quanto à ressurreição dos mortos, vocês nunca leram o que Deus disse a vocês:
32 Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaäk, en de God van Jakob? Hij is toch geen God van dooden, maar van levenden!
32 “Eu sou o Deus de Abraão, o Deus de Isaque e o Deus de Jacó”? Ele não é Deus de mortos, e sim de vivos.
33 En toen de scharen dit hoorden, waren zij verwonderd over zijn onderwijs.
33 Ouvindo isto, as multidões se maravilhavam da sua doutrina.
34 En de fariseërs, hoorende dat Hij aan de sadduceërs den mond gestopt had, kwamen bijeen.
34 Entretanto, os fariseus, sabendo que Jesus havia silenciado os saduceus, reuniram-se em conselho.
35 En een uit hen, een wetgeleerde, Hem verzoekende, vroeg Hem:
35 E um deles, intérprete da Lei, querendo pôr Jesus à prova, perguntou-lhe:
36 Meester! welk is het groote gebod in de wet?
36 — Mestre, qual é o grande mandamento na Lei?
37 En Jezus zeide tot hem: Gij zult beminnen den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.
37 Jesus respondeu:
38 Dit is het eerste en groote gebod.
38 Este é o grande e primeiro mandamento.
39 Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste beminnen als uzelven.
39 E o segundo, semelhante a este, é: “Ame o seu próximo como você ama a si mesmo.”
40 Aan deze twee geboden hangt de gansche wet en de profeten.
40 Destes dois mandamentos dependem toda a Lei e os Profetas.
41 Terwijl nu de fariseërs bijeen waren, vroeg Jezus hun, zeggende:
41 Estando reunidos os fariseus, Jesus lhes perguntou:
42 Wat dunkt u van den Christus? Wiens zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Van David.
42 — O que vocês pensam do Cristo? De quem é filho? Eles responderam: — De Davi.
43 Hij zeide tot hen: Hoe noemt Hem David in den Geest dan Heere, als hij zegt:
43 E Jesus perguntou:
44 De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden gelegd heb onder uw voeten?
44 “Disse o Senhor ao meu Senhor:
45 Indien dan David Hem Heere noemt, hoe is Hij zijn zoon?
45 — Portanto, se Davi o chama de Senhor, como ele pode ser filho de Davi?
46 En niemand kon Hem een woord antwoorden; ook durfde niemand Hem van dien dag af iets meer vragen.
46 E ninguém podia lhe responder uma palavra; e a partir daquele dia ninguém mais ousou fazer perguntas.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 22, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.