Mateus 22
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs ARC
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 En Jezus antwoordde en sprak wederom tot hen in gelijkenissen, zeggende:
1 Então, Jesus, tomando a palavra, tornou a falar-lhes em parábolas, dizendo:
2 Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft bereidde.
2 O Reino dos céus é semelhante a um certo rei que celebrou as bodas de seu filho.
3 En hij zond zijn dienaren om de genoodigden tot de bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen.
3 E enviou os seus servos a chamar os convidados para as bodas; e estes não quiseram vir.
4 Wederom zond hij andere dienaren, zeggende: Zegt tot de genoodigden: Ziet, mijn maaltijd heb ik gereed, mijn ossen en mestvee zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft!
4 Depois, enviou outros servos, dizendo: Dizei aos convidados: Eis que tenho o meu jantar preparado, os meus bois e cevados
5 Maar zij letten er niet op en gingen heen, de een naar zijn akker en de ander naar zijn koophandel.
5 Porém eles, não fazendo caso, foram, um para o seu campo, e outro para o seu negócio;
6 Doch de anderen grepen zijn dienaren en mishandelden en doodden hen.
6 e, os outros, apoderando-se dos servos, os ultrajaram e mataram.
7 Toen werd de koning toornig als hij dit hoorde, en hij zond zijn krijgslieden en vernielde die moordenaars en stak hun stad in brand.
7 E o rei, tendo notícias e, enviando os seus exércitos, destruiu aqueles homicidas, e incendiou a sua cidade.
8 Toen zeide hij tot zijn dienaren: Mijn bruiloft is gereed, maar de genoodigden waren het niet waardig.
8 Então, disse aos servos: As bodas, na verdade, estão preparadas, mas os convidados não eram dignos.
9 Gaat dan naar de uitgangen der wegen en roept zoovelen als gij er vindt tot de bruiloft.
9 Ide, pois, às saídas dos caminhos e convidai para as bodas a todos os que encontrardes.
10 En die dienaren gingen heen naar de wegen en verzamelden allen die ze vonden, kwaden en goeden. En de bruiloftzaal werd vol gasten.
10 E os servos, saindo pelos caminhos, ajuntaram todos quantos encontraram, tanto maus como bons; e a festa nupcial ficou cheia de convidados.
11 Doch toen de koning binnenkwam om de gasten te zien, zag hij daar een mensch die geen bruiloftskleed aanhad.
11 E o rei, entrando para ver os convidados, viu ali um homem
12 En hij zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed? Maar hij verstomde.
12 E disse-lhe: Amigo, como entraste aqui, não tendo veste nupcial? E ele emudeceu.
13 Toen zeide de koning tot de dienaren: Bindt hem handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem in de duisternis daarbuiten; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
13 Disse, então, o rei aos servos: Amarrai-o de pés e mãos, levai-o e lançai-
14 Want velen zijn geroepen, doch weinigen uitverkoren.
14 Porque muitos são chamados, mas poucos, escolhidos.
15 Toen gingen de fariseërs heen en beraadslaagden samen om Hem in zijn rede te verstrikken.
15 Então, retirando-se os fariseus, consultaram entre si como o surpreenderiam em alguma palavra.
16 En zij zonden tot Hem hun discipelen met de Herodianen, zeggende: Meester, wij weten dat Gij waarachtig zijt en den weg Gods in waarheid leert, en dat Gij niemand ontziet, want Gij ziet niet op den persoon des menschen.
16 E enviaram-lhe os seus discípulos, com os herodianos, dizendo: Mestre, bem sabemos que és verdadeiro e ensinas o caminho de Deus, segundo a verdade, sem te importares com quem quer que seja, porque não olhas à aparência dos homens.
17 Zeg ons dan: Wat dunkt U? Is het geoorloofd om aan den keizer belasting te geven of niet?
17 Dize-nos, pois, que te parece: é lícito pagar o tributo a César ou não?
18 Doch Jezus hun valschheid kennende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij, gij geveinsden?
18 Jesus, porém, conhecendo a sua malícia, disse: Por que me experimentais, hipócritas?
19 Toont Mij de schattingsmunt! En zij brachten Hem een penning.
19 Mostrai-me a moeda do tributo. E eles lhe apresentaram um dinheiro.
20 En Jezus zeide tot hen: Van wien is dit beeld en dit opschrift?
20 E ele disse-lhes: De quem é esta efígie e
21 Zij zeiden: Van den keizer. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan aan den keizer wat den keizer, en aan God wat Gode toekomt.
21 Disseram-lhe eles: De César. Então, ele lhes disse: Dai, pois, a César o que
22 En toen, zij dit hoorden, verwonderden zij zich, en Hem daarlatende, vertrokken zij.
22 E eles, ouvindo isso, maravilharam-se e, deixando-o, se retiraram.
23 Op dien zelfden dag kwamen er sadduceërs tot Hem, die zeggen dat er geen verrijzenis is, en zij vroegen Hem, zeggende:
23 No mesmo dia, chegaram junto dele os saduceus, que dizem não haver ressurreição, e o interrogaram,
24 Meester! Mozes heeft gezegd: Als iemand zonder kinderen sterft, dan zal zijn broeder diens vrouw trouwen en aan zijn broeder nakomelingschap verwekken.
24 dizendo: Mestre, Moisés disse: Se morrer alguém, não tendo filhos, casará o seu irmão com a mulher dele e suscitará descendência a seu irmão.
25 Daar waren nu bij ons zeven broeders; en de eerste stierf getrouwd, en daar hij geen kinderen had, liet hij zijn vrouw na voor zijn broeder;
25 Ora, houve entre nós sete irmãos; o primeiro, tendo casado, morreu e, não tendo descendência, deixou sua mulher a seu irmão.
26 en zoo ook de tweede en de derde, tot den zevende toe.
26 Da mesma sorte, o segundo, e o terceiro, até ao sétimo;
27 Ten laatste van allen stierf ook de vrouw.
27 por fim, depois de todos, morreu também a mulher.
28 In de verrijzenis dan, wiens vrouw van de zeven zal zij zijn? want allen hebben haar gehad.
28 Portanto, na ressurreição, de qual dos sete será a mulher, visto que todos a possuíram?
29 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij doolt, omdat gij de Schrifturen niet kent, noch de kracht Gods.
29 Jesus, porém, respondendo, disse-lhes: Errais, não conhecendo as Escrituras, nem o poder de Deus.
30 Want in de verrijzenis trouwen zij niet en worden zij niet getrouwd, maar zij zijn als de engelen Gods in den hemel.
30 Porque, na ressurreição, nem casam, nem são dados em casamento; mas serão como os anjos no céu.
31 Wat nu de verrijzenis der dooden belangt: hebt gij niet gelezen wat door God tot u gesproken is, als Hij zegt:
31 E, acerca da ressurreição dos mortos, não tendes lido o que Deus vos declarou, dizendo:
32 Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaäk, en de God van Jakob? Hij is toch geen God van dooden, maar van levenden!
32 Eu sou o Deus de Abraão, o Deus de Isaque e o Deus de Jacó? Ora, Deus não é Deus dos mortos, mas dos vivos.
33 En toen de scharen dit hoorden, waren zij verwonderd over zijn onderwijs.
33 E, as turbas, ouvindo isso, ficaram maravilhadas da sua doutrina.
34 En de fariseërs, hoorende dat Hij aan de sadduceërs den mond gestopt had, kwamen bijeen.
34 E os fariseus, ouvindo que ele fizera emudecer os saduceus, reuniram-se no mesmo lugar.
35 En een uit hen, een wetgeleerde, Hem verzoekende, vroeg Hem:
35 E um deles, doutor da lei, interrogou-o para o experimentar, dizendo:
36 Meester! welk is het groote gebod in de wet?
36 Mestre, qual é o grande mandamento da lei?
37 En Jezus zeide tot hem: Gij zult beminnen den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.
37 E Jesus disse-lhe: Amarás o Senhor, teu Deus, de todo o teu coração, e de toda a tua alma, e de todo o teu pensamento.
38 Dit is het eerste en groote gebod.
38 Este é o primeiro e grande mandamento.
39 Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste beminnen als uzelven.
39 E o segundo, semelhante a este, Amarás o teu próximo como a ti mesmo.
40 Aan deze twee geboden hangt de gansche wet en de profeten.
40 Desses dois mandamentos dependem toda a lei e os profetas.
41 Terwijl nu de fariseërs bijeen waren, vroeg Jezus hun, zeggende:
41 E, estando reunidos os fariseus, interrogou-os Jesus,
42 Wat dunkt u van den Christus? Wiens zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Van David.
42 dizendo: Que pensais vós do Cristo? De quem é filho? Eles disseram-lhe: De Davi.
43 Hij zeide tot hen: Hoe noemt Hem David in den Geest dan Heere, als hij zegt:
43 Disse-lhes ele: Como é, então, que Davi, em espírito, lhe chama Senhor, dizendo:
44 De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden gelegd heb onder uw voeten?
44 Disse o Senhor ao meu Senhor: Assenta-te à minha direita, até que eu ponha os teus inimigos por escabelo de teus pés.
45 Indien dan David Hem Heere noemt, hoe is Hij zijn zoon?
45 Se Davi, pois, lhe chama Senhor, como é seu filho?
46 En niemand kon Hem een woord antwoorden; ook durfde niemand Hem van dien dag af iets meer vragen.
46 E ninguém podia responder-lhe uma palavra, nem, desde aquele dia, ousou mais alguém interrogá-lo.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 22, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.