Lucas 22
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs NTLH
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 En het feest der ongedeesemde brooden, het Pascha genaamd, naderde.
1 Faltava pouco tempo para a Festa dos Pães sem Fermento , chamada Páscoa .
2 en de overpriesters en schriftgeleerden zochten hoe zij Hem zouden ombrengen; want zij vreesden het volk.
2 Os chefes dos sacerdotes e os mestres da Lei procuravam um jeito para matar Jesus em segredo porque tinham medo do povo.
3 De Satan nu voer in Judas, Iskariot genoemd, die een der twaalven was.
3 Então Satanás entrou em Judas, chamado Iscariotes, que era um dos doze discípulos.
4 En hij ging heen en besprak met de overpriesters en hoofdmannen hoe hij Hem aan hen zou overleveren.
4 Judas foi falar com os chefes dos sacerdotes e com os oficiais da guarda do Templo para combinar a maneira como ele ia lhes entregar Jesus.
5 En zij waren verblijd en kwamen overeen wegens het geld dat zij hem zouden geven.
5 Eles ficaram muito contentes e prometeram dar dinheiro a ele.
6 En hij stemde toe, en zocht een geschikte gelegenheid om Hem aan hen over te leveren zonder volksoploop.
6 Judas aceitou e começou a procurar uma oportunidade para entregar Jesus a eles, sem que o povo ficasse sabendo.
7 De dag nu der ongedeesemde brooden kwam, waarop het Pascha moest geslacht worden.
7 Chegou o dia da Festa dos Pães sem Fermento , dia em que os judeus matavam carneirinhos para comemorar a Páscoa .
8 En Hij zond Petrus en Johannes uit en zeide: Gaat heen, bereidt ons het Pascha, opdat wij het eten.
8 Então Jesus deu a Pedro e a João a seguinte ordem:
9 En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij dat wij het bereiden?
9 Eles perguntaram: — Onde o senhor quer que a gente prepare o jantar?
10 En Hij zeide tot hen: Ziet, als gij de stad inkomt zal u een mensch ontmoeten die een kruik met water draagt; volgt hem naar het huis waar hij ingaat.
10 Jesus respondeu:
11 En zegt tot den huisheer van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de zaal, waar Ik het Pascha zal eten met mijn discipelen?
11 e digam ao dono dela: “O Mestre mandou perguntar a você onde fica a sala em que ele e os seus discípulos vão comer o jantar da Páscoa.”
12 En hij zal u een groote gereed gemaakte bovenzaal wijzen; daar moet gij het bereiden.
12 Então ele mostrará a vocês uma grande sala mobiliada, no andar de cima. Preparem ali o jantar.
13 Zij nu gingen heen en vonden het zooals Hij hun gezegd had, en zij bereidden het Pascha.
13 Os dois discípulos foram até a cidade e encontraram tudo como Jesus tinha dito. Então prepararam o jantar da Páscoa.
14 En toen de ure gekomen was lag Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem.
14 Quando chegou a hora, Jesus sentou-se à mesa com os apóstolos
15 En Hij zeide tot hen: Ik heb zeer begeerd dit Pascha met u te eten vóórdat Ik lijde;
15 e lhes disse:
16 want Ik zeg ulieden dat Ik het niet meer eten zal, totdat het vervuld is in het koninkrijk Gods.
16 Pois eu digo a vocês que nunca comerei este jantar até que eu coma o verdadeiro jantar que haverá no
17 En als Hij een beker genomen en gedankt had zeide Hij: Neemt dezen en deelt hem onder ulieden!
17 Então Jesus pegou o cálice de vinho, deu graças a Deus e disse:
18 Want Ik zeg u, dat Ik van nu af niet meer drinken zal van de vrucht des wijnstoks totdat het koninkrijk Gods zal gekomen zijn.
18 Pois eu afirmo a vocês que nunca mais beberei deste vinho até que chegue o Reino de Deus.
19 En Hij nam brood, en gedankt hebbende brak Hij het en gaf het hun, zeggende: Dat is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis!
19 Depois pegou o pão e deu graças a Deus. Em seguida partiu o pão e o deu aos apóstolos, dizendo:
20 Evenzoo gaf Hij den beker, na den maaltijd, en zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor u vergoten wordt!
20 Depois do jantar, do mesmo modo deu a eles o cálice de vinho, dizendo:
21 Doch ziet, de hand van mijn verrader is met Mij aan de tafel!
21 Mas vejam: o traidor está aqui sentado comigo à mesa!
22 De Zoon des menschen gaat toch wel heen, gelijk bepaald is; maar wee dien mensch, door wien Hij wordt verraden!
22 Pois o
23 En zij begonnen onder malkander te onderzoeken, wie van hen het toch wel mocht zijn die dat doen zou?
23 Então os apóstolos começaram a perguntar uns aos outros quem seria o traidor.
24 Er ontstond ook een strijd onder hen, wie van hen moest geacht worden de meeste te zijn.
24 Os apóstolos tiveram uma forte discussão sobre qual deles deveria ser considerado o mais importante.
25 En Hij zeide tot hen: De koningen der volken heerschen over hen, en die over hen macht hebben worden weldoeners genoemd.
25 Então Jesus disse:
26 Doch gij niet alzoo; maar de meeste onder u worde als de minste, en de voorganger als de dienaar;
26 Mas entre vocês não pode ser assim. Pelo contrário, o mais importante deve ser como o menos importante; e o que manda deve ser como o que é mandado.
27 want wie is meer, die aanligt of die dient? — immers dié aanligt? Ik nu ben in uw midden als een dienaar.
27 Quem é o mais importante? É o que está sentado à mesa para comer ou é o que está servindo? Claro que é o que está sentado à mesa. Mas entre vocês eu sou como aquele que serve.
28 Maar gij zijt het die bij Mij zijt gebleven in mijn bekoringen.
28 — Vocês têm estado sempre comigo nos meus sofrimentos.
29 En Ik beschik ulieden een koninkrijk, gelijk mijn Vader Mij beschikt heeft,
29 Por isso, assim como o meu Pai me deu o direito de governar, eu também dou o mesmo direito a vocês.
30 opdat gij eet en drinkt aan mijn tafel in mijn koninkrijk; en gij zult zitten op troonen, oordeelende de twaalf stammen van Israël.
30 Vocês vão comer e beber à minha mesa no meu
31 En de Heere zeide: Simon, Simon! zie, de Satan heeft ulieden voor zich begeerd, om u te ziften als de tarwe!
31 Jesus continuou:
32 Doch Ik heb voor u gebeden opdat uw geloof niet bezwijke; en gij, eens bekeerd zijnde, versterk dan uw broeders.
32 Mas eu tenho orado por você, Simão, para que não lhe falte fé. E, quando você voltar para mim, anime os seus irmãos.
33 En hij zeide tot Hem: Heere, met U ben ik bereid zelfs de gevangenis en den dood in te gaan!
33 Então Pedro disse a Jesus: — Estou pronto para ser preso e morrer com o senhor!
34 Maar Hij zeide: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, vóórdat gij driemaal geloochend hebt, dat gij Mij kent!
34 Então Jesus afirmou:
35 En Hij zeide tot hen: Toen Ik ulieden uitzond zonder geldbeurs, of reiszak, of schoenen, heeft u wel iets ontbroken? Zij zeidén: Niets!
35 Depois Jesus perguntou aos discípulos: — Não faltou nada! — responderam eles.
36 Toen zeide Hij tot hen: Maar nu, wie een geldbeurs heeft, neme die, alsmede een reiszak; en die er geen heeft, die verkoope zijn kleed en koope een zwaard!
36 Então Jesus disse:
37 Want Ik zeg ulieden dat hetgeen geschreven is, aan Mij moet volbracht worden, dit namelijk: En Hij is met de booswichten gerekend! want ook dit, aangaande Mij, wordt vervuld.
37 Pois as
38 Zij nu zeiden: Heere, ziehier twee zwaarden! En Hij zeide tot hen: ’t Is wel!
38 Aí os seus discípulos disseram: — Senhor, aqui estão duas espadas.
39 En Hij ging uit en begaf zich, volgens zijn gewoonte, naar den Berg der Olijven; en Hem volgden ook de discipelen.
39 Jesus saiu e foi, como de costume, ao monte das Oliveiras; e os seus discípulos foram com ele.
40 En toen Hij aan die plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in bekoring komt.
40 Quando chegou ao lugar escolhido, Jesus disse:
41 En Hij verwijderde zich van hen, omtrent een steenworp ver, en knielde neder, en bad, zeggende:
41 Então se afastou a uma distância de mais ou menos trinta metros. Ajoelhou-se e começou a orar,
42 Vader! och, of Gij dezen beker van Mij wildet wegnemen! doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede!
42 dizendo:
43 En Hem verscheen een engel van den hemel, die Hem versterkte.
43 [Então um anjo do céu apareceu e o animava.
44 En in hevige benauwdheid zijnde, bad Hij te vuriger; en zijn zweet werd als dikke bloeddroppels die op den grond vielen.
44 Cheio de uma grande aflição, Jesus orava com mais força ainda. O seu suor era como gotas de sangue caindo no chão.]
45 En van het gebed opgestaan zijnde, kwam Hij tot de discipelen en vond hen slapende van droefheid,
45 Depois de orar, ele se levantou, voltou para o lugar onde os discípulos estavam e os encontrou dormindo, pois a tristeza deles era muito grande.
46 en Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op, en bidt, opdat gij niet in bekoring komt.
46 E disse:
47 Terwijl Hij nog sprak, ziet daar een schare, en de genoemde Judas, één van de twaalven, ging vóór hen uit, en naderde tot Jezus om Hem te kussen.
47 Jesus ainda estava falando, quando chegou uma multidão. Judas, um dos doze discípulos, que era quem guiava aquela gente, chegou perto de Jesus para beijá-lo.
48 En Jezus zeide tot hem: Judas, ‘t is met een kus dat gij den Zoon des menschen verraadt?
48 Mas Jesus disse:
49 Toen nu zij, die bij Hem waren, zagen wat er ging gebeuren, zeiden zij tot Hem: Heere, zullen wij met het zwaard er op inslaan?
49 Quando os discípulos que estavam com Jesus viram o que ia acontecer, disseram: — Senhor, devemos atacar essa gente com as nossas espadas?
50 En één uit hen sloeg des hoogepriesters dienstknecht, en hieuw hem het rechteroor af.
50 Um deles feriu com a espada o empregado do Grande Sacerdote , cortando a sua orelha direita.
51 Doch Jezus antwoordde en zeide: Tot zoover! En Hij raakte zijn oor aan en genas hem.
51 Mas Jesus ordenou: Aí tocou na orelha do homem e o curou.
52 Jezus zeide dan tot de overpriesters, en de hoofdmannen des tempels, en de oudsten, die op Hem afgekomen waren: Als tegen een roover zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken?
52 Em seguida disse aos chefes dos sacerdotes, aos oficiais da guarda do Templo e aos líderes judeus que tinham vindo para prendê-lo:
53 Toen Ik dagelijks met u in den tempel was, hebt gij de handen niet tegen Mij uitgestoken! Maar dit is uw ure, en de macht der duisternis!
53 Eu estava com vocês todos os dias no pátio do Templo, e vocês não tentaram me prender. Mas esta é a hora de vocês e também a hora do poder da escuridão.
54 Zij namen Hem dan gevangen en voerden Hem weg, en brachten Hem naar het huis van den hoogepriester. En Petrus volgde van verre.
54 Eles prenderam Jesus e o levaram até a casa do Grande Sacerdote . E Pedro os seguia de longe.
55 En toen zij vuur ontstoken hadden in het midden van de voorplaats, en samen nederzaten, zat Petrus midden onder hen.
55 Quando acenderam uma fogueira no meio do pátio, Pedro foi e sentou-se com os que estavam em volta do fogo.
56 En een zekere dienstmaagd, die bij het licht hem zag zitten en hem goed aankeek, zeide: Ook deze was met Hem!
56 Uma das empregadas o viu sentado ali perto da fogueira, olhou bem para ele e disse: — Este homem também estava com Jesus!
57 Doch hij verloochende Hem en zeide: Ik ken Hem niet, vrouw!
57 Mas Pedro negou, dizendo: — Mulher, eu nem conheço esse homem!
58 En kort daarna zag hem een ander en zeide: Ook gij zijt een van die! Maar Petrus zeide: Mensch, ik ben niet!
58 Pouco tempo depois, um homem o viu ali e disse: — Você também é um deles! Mas Pedro respondeu: — Homem, eu não sou um deles.
59 En na verloop van omtrent één ure verzekerde een ander en zeide: Zeker, ook deze was met Hem, want hij is ook een Galileër!
59 Mais ou menos uma hora depois, outro insistiu: — Você estava mesmo com ele porque também é galileu.
60 Maar Petrus zeide: Mensch, ik weet niet wat gij zegt! En terstond, als hij nog sprak, kraaide de haan.
60 Mas Pedro respondeu: — Homem, eu não sei do que é que você está falando! Naquele instante, enquanto ele falava, o galo cantou.
61 En de Heere keerde zich om en zag Petrus aan. En Petrus werd indachtig aan het woord des Heeren, hoe Hij gezegd had: Heden, nog vóórdat de haan zal kraaien, zult gij Mij driemaal verloochenen!
61 Então o Senhor virou-se e olhou firme para Pedro, e ele lembrou das palavras que o Senhor lhe tinha dito: “Hoje, antes que o galo cante, você dirá três vezes que não me conhece.”
62 En Petrus ging naar buiten en weende bitter.
62 Então Pedro saiu dali e chorou amargamente.
63 En de mannen die Jezus vasthielden, bespotten en sloegen Hem.
63 Os homens que estavam guardando Jesus zombavam dele e batiam nele.
64 En zij blinddoekten Hem, en sloegen Hem in het gezicht, en vroegen Hem zeggende: Profeteer, wie is het die U geslagen heeft?
64 Taparam os olhos dele e perguntavam: — Quem foi que bateu em você? Adivinhe!
65 En veel andere dingen zeiden zij, lasterend, tegen Hem.
65 E diziam muitas outras coisas para insultá-lo.
66 En toen het dag was geworden, vergaderde de Raad des volks, de overpriesters en schriftgeleerden, en zij voerden Hem naar hun vergadering, en zeiden: Zoo Gij de Christus zijt, zeg het ons!
66 Quando amanheceu, alguns líderes dos judeus, alguns chefes dos sacerdotes e alguns mestres da Lei se reuniram. Depois mandaram levar Jesus diante do Conselho Superior .
67 En Hij zeide tot hen: Als Ik het u zou zeggen, zoudt gij het toch niet gelooven,
67 Então lhe disseram: — Diga para nós se você é o Ele respondeu:
68 en zoo Ik u iets vroeg, gij zoudt toch niet antwoorden of Mij loslaten;
68 E, se eu fizer uma pergunta, vocês não vão responder.
69 van nu af zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan de rechterhand der kracht Gods!
69 Mas de agora em diante o
70 En allen zeiden: Gij zijt dan de Zoon van God? En Hij zeide tot hen: Gij zegt het, want Ik ben het!
70 Aí todos perguntaram: — Então você é o Filho de Deus? Jesus respondeu:
71 Zij nu zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van noode? want wij zelven hebben het uit zijn mond gehoord!
71 E eles disseram: — Não precisamos mais de testemunhas. Nós mesmos ouvimos o que ele disse.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Lucas 22, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.