Lucas 22
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ
BKJ BKJ
1 En het feest der ongedeesemde brooden, het Pascha genaamd, naderde.
1 Ora, aproximava-se a festa dos pães ázimos, que é chamada Páscoa.
2 en de overpriesters en schriftgeleerden zochten hoe zij Hem zouden ombrengen; want zij vreesden het volk.
2 E os principais sacerdotes e os escribas procuravam como o matariam, pois eles temiam o povo.
3 De Satan nu voer in Judas, Iskariot genoemd, die een der twaalven was.
3 Então, entrou Satanás em Judas, que tinha por sobrenome Iscariotes, o qual era do número dos doze.
4 En hij ging heen en besprak met de overpriesters en hoofdmannen hoe hij Hem aan hen zou overleveren.
4 E ele foi no seu caminho, e comunicou aos principais sacerdotes e capitães como ele poderia traí-lo.
5 En zij waren verblijd en kwamen overeen wegens het geld dat zij hem zouden geven.
5 E eles se alegraram, e concordaram em lhe dar dinheiro.
6 En hij stemde toe, en zocht een geschikte gelegenheid om Hem aan hen over te leveren zonder volksoploop.
6 E ele prometeu, e buscava uma oportunidade de traí-lo na ausência da multidão.
7 De dag nu der ongedeesemde brooden kwam, waarop het Pascha moest geslacht worden.
7 Então, chegou o dia dos pães ázimos, em que se devia sacrificar a páscoa.
8 En Hij zond Petrus en Johannes uit en zeide: Gaat heen, bereidt ons het Pascha, opdat wij het eten.
8 E ele enviou a Pedro e a João, dizendo: Ide, preparai-nos a páscoa, para que nós possamos comer.
9 En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij dat wij het bereiden?
9 E eles lhe disseram: Onde tu queres que a preparemos?
10 En Hij zeide tot hen: Ziet, als gij de stad inkomt zal u een mensch ontmoeten die een kruik met water draagt; volgt hem naar het huis waar hij ingaat.
10 E ele lhes disse: Eis que, quando entrardes na cidade, encontrareis um homem carregando um cântaro de água; segue-o até a casa em que ele entrar.
11 En zegt tot den huisheer van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de zaal, waar Ik het Pascha zal eten met mijn discipelen?
11 E direis ao dono da casa: O Mestre te diz: Onde está o aposento dos convidados, onde comerei a Páscoa com os meus discípulos?
12 En hij zal u een groote gereed gemaakte bovenzaal wijzen; daar moet gij het bereiden.
12 Então, ele vos mostrará um grande quarto superior mobiliado; ali fazei os preparativos.
13 Zij nu gingen heen en vonden het zooals Hij hun gezegd had, en zij bereidden het Pascha.
13 E eles foram, e acharam como lhes tinha dito; e prepararam a Páscoa.
14 En toen de ure gekomen was lag Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem.
14 E, chegada a hora, pôs-se à mesa, e os doze apóstolos com ele.
15 En Hij zeide tot hen: Ik heb zeer begeerd dit Pascha met u te eten vóórdat Ik lijde;
15 E ele disse-lhes: Quão intensamente desejei comer convosco esta páscoa, antes que eu sofra,
16 want Ik zeg ulieden dat Ik het niet meer eten zal, totdat het vervuld is in het koninkrijk Gods.
16 porque eu vos digo que não mais comerei dela, até que se cumpra no reino de Deus.
17 En als Hij een beker genomen en gedankt had zeide Hij: Neemt dezen en deelt hem onder ulieden!
17 E ele tomando o cálice, e tendo dado graças, disse: Tomai-o e dividi-o entre vós,
18 Want Ik zeg u, dat Ik van nu af niet meer drinken zal van de vrucht des wijnstoks totdat het koninkrijk Gods zal gekomen zijn.
18 porque eu vos digo que não mais beberei do fruto da videira até que venha o reino de Deus.
19 En Hij nam brood, en gedankt hebbende brak Hij het en gaf het hun, zeggende: Dat is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis!
19 E ele tomando o pão, e tendo dado graças, partiu-o e deu-lho, dizendo: Isto é o meu corpo, que é dado por vós; fazei isso em memória de mim.
20 Evenzoo gaf Hij den beker, na den maaltijd, en zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor u vergoten wordt!
20 Semelhantemente também o cálice, depois da ceia, dizendo: Este cálice é o novo testamento no meu sangue, que é derramado por vós.
21 Doch ziet, de hand van mijn verrader is met Mij aan de tafel!
21 Mas eis que a mão do que me trai está comigo à mesa.
22 De Zoon des menschen gaat toch wel heen, gelijk bepaald is; maar wee dien mensch, door wien Hij wordt verraden!
22 E, na verdade, o Filho do homem vai conforme o que está determinado; mas ai daquele homem por quem ele é traído!
23 En zij begonnen onder malkander te onderzoeken, wie van hen het toch wel mocht zijn die dat doen zou?
23 E eles começaram a perguntar entre si qual deles seria o que havia de fazer isso.
24 Er ontstond ook een strijd onder hen, wie van hen moest geacht worden de meeste te zijn.
24 E houve também uma contenda entre eles, sobre qual deles deveria se considerar o maior.
25 En Hij zeide tot hen: De koningen der volken heerschen over hen, en die over hen macht hebben worden weldoeners genoemd.
25 E ele lhes disse: Os reis dos gentios exercem senhorio sobre eles, e os que exercem autoridade sobre eles são chamados benfeitores.
26 Doch gij niet alzoo; maar de meeste onder u worde als de minste, en de voorganger als de dienaar;
26 Mas não será assim com vós; mas o maior entre vós será como o menor; e quem governa, como quem serve.
27 want wie is meer, die aanligt of die dient? — immers dié aanligt? Ik nu ben in uw midden als een dienaar.
27 Porquanto qual é maior, quem está à mesa ou quem serve? Porventura, não é quem está à mesa? Mas eu estou entre vós como aquele que serve.
28 Maar gij zijt het die bij Mij zijt gebleven in mijn bekoringen.
28 Vós sois os que tendes permanecido comigo nas minhas tentações.
29 En Ik beschik ulieden een koninkrijk, gelijk mijn Vader Mij beschikt heeft,
29 E eu vos designo um reino, como meu Pai me designou,
30 opdat gij eet en drinkt aan mijn tafel in mijn koninkrijk; en gij zult zitten op troonen, oordeelende de twaalf stammen van Israël.
30 para que comais e bebais à minha mesa no meu reino, e vos assenteis sobre tronos, julgando as doze tribos de Israel.
31 En de Heere zeide: Simon, Simon! zie, de Satan heeft ulieden voor zich begeerd, om u te ziften als de tarwe!
31 E o Senhor disse: Simão, Simão, eis que Satanás tem desejado te ter, para vos peneirar como trigo;
32 Doch Ik heb voor u gebeden opdat uw geloof niet bezwijke; en gij, eens bekeerd zijnde, versterk dan uw broeders.
32 mas eu orei por ti, para que a tua fé não desfaleça; e tu, quando te converteres, fortaleça teus irmãos.
33 En hij zeide tot Hem: Heere, met U ben ik bereid zelfs de gevangenis en den dood in te gaan!
33 E ele lhe disse: Senhor, eu estou pronto a ir contigo até a prisão e à morte.
34 Maar Hij zeide: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, vóórdat gij driemaal geloochend hebt, dat gij Mij kent!
34 E ele disse: Digo-te, Pedro, que o galo não cantará hoje, antes que tu negues por três vezes, de conhecer-me.
35 En Hij zeide tot hen: Toen Ik ulieden uitzond zonder geldbeurs, of reiszak, of schoenen, heeft u wel iets ontbroken? Zij zeidén: Niets!
35 E ele disse-lhes: Quando eu vos enviei sem bolsa, alforje ou calçados, faltou-vos alguma coisa? E eles responderam: Nada.
36 Toen zeide Hij tot hen: Maar nu, wie een geldbeurs heeft, neme die, alsmede een reiszak; en die er geen heeft, die verkoope zijn kleed en koope een zwaard!
36 Então ele disse-lhes: Mas agora aquele que tiver bolsa, tome-a, como também seu alforje; e o que não tem espada, venda a sua veste e compre uma.
37 Want Ik zeg ulieden dat hetgeen geschreven is, aan Mij moet volbracht worden, dit namelijk: En Hij is met de booswichten gerekend! want ook dit, aangaande Mij, wordt vervuld.
37 Pois eu vos digo que é necessário que aquilo que está escrito se cumpra em mim: E ele foi contado entre os transgressores; porque as coisas que me dizem respeito têm um fim.
38 Zij nu zeiden: Heere, ziehier twee zwaarden! En Hij zeide tot hen: ’t Is wel!
38 E eles disseram: Senhor, eis que aqui estão duas espadas. E ele lhes disse: É o suficiente.
39 En Hij ging uit en begaf zich, volgens zijn gewoonte, naar den Berg der Olijven; en Hem volgden ook de discipelen.
39 E, ele saindo, foi, como costumava, para o monte das Oliveiras; e seus discípulos também o seguiram.
40 En toen Hij aan die plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in bekoring komt.
40 E, ele chegando ao lugar, disse-lhes: Orai, para que não entreis em tentação.
41 En Hij verwijderde zich van hen, omtrent een steenworp ver, en knielde neder, en bad, zeggende:
41 E retirou-se deles cerca de um tiro de pedra, e, ajoelhando-se, orava,
42 Vader! och, of Gij dezen beker van Mij wildet wegnemen! doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede!
42 dizendo: Pai, se tu quiseres, remove de mim este cálice; todavia, não se faça a minha vontade, mas a tua.
43 En Hem verscheen een engel van den hemel, die Hem versterkte.
43 E apareceu-lhe um anjo do céu, fortalecendo-o.
44 En in hevige benauwdheid zijnde, bad Hij te vuriger; en zijn zweet werd als dikke bloeddroppels die op den grond vielen.
44 E, estando em agonia, ele orava mais intensamente; e o seu suor tornou-se como grandes gotas de sangue que caíam por terra.
45 En van het gebed opgestaan zijnde, kwam Hij tot de discipelen en vond hen slapende van droefheid,
45 E ele levantando-se da oração, veio para os seus discípulos, e ele encontrou-os dormindo de tristeza,
46 en Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op, en bidt, opdat gij niet in bekoring komt.
46 e ele disse-lhes: Por que estais dormindo? Levantai-vos, e orai, para que não entreis em tentação.
47 Terwijl Hij nog sprak, ziet daar een schare, en de genoemde Judas, één van de twaalven, ging vóór hen uit, en naderde tot Jezus om Hem te kussen.
47 E, estando ele ainda a falar, eis que uma multidão, e aquele que se chamava Judas, um dos doze, ia adiante dela, e aproximou-se de Jesus para o beijar.
48 En Jezus zeide tot hem: Judas, ‘t is met een kus dat gij den Zoon des menschen verraadt?
48 Mas Jesus lhe disse: Judas, com um beijo tu trais o Filho do homem?
49 Toen nu zij, die bij Hem waren, zagen wat er ging gebeuren, zeiden zij tot Hem: Heere, zullen wij met het zwaard er op inslaan?
49 Quando os que estavam ao redor, viram o que ia acontecer, eles disseram-lhe: Senhor, feriremos com a espada?
50 En één uit hen sloeg des hoogepriesters dienstknecht, en hieuw hem het rechteroor af.
50 E um deles feriu o servo do sumo sacerdote, e cortou-lhe a sua orelha direita.
51 Doch Jezus antwoordde en zeide: Tot zoover! En Hij raakte zijn oor aan en genas hem.
51 E, Jesus respondendo, disse: Permiti ainda isto! E, tocando sua orelha, o curou.
52 Jezus zeide dan tot de overpriesters, en de hoofdmannen des tempels, en de oudsten, die op Hem afgekomen waren: Als tegen een roover zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken?
52 E disse Jesus aos principais sacerdotes, e aos capitães do templo, e aos anciãos que tinham vindo contra ele: Viestes como contra um ladrão, com espadas e varas.
53 Toen Ik dagelijks met u in den tempel was, hebt gij de handen niet tegen Mij uitgestoken! Maar dit is uw ure, en de macht der duisternis!
53 Eu tenho estado diariamente convosco no templo, não estendestes as mãos contra mim; mas esta é a vossa hora, e o poder das trevas.
54 Zij namen Hem dan gevangen en voerden Hem weg, en brachten Hem naar het huis van den hoogepriester. En Petrus volgde van verre.
54 Então, tomando-o, levaram-no, e o trouxeram para a casa do sumo sacerdote. E Pedro seguia-o de longe.
55 En toen zij vuur ontstoken hadden in het midden van de voorplaats, en samen nederzaten, zat Petrus midden onder hen.
55 E, havendo-se acendido fogo no meio do pátio, estando todos sentados, assentou-se Pedro entre eles.
56 En een zekere dienstmaagd, die bij het licht hem zag zitten en hem goed aankeek, zeide: Ook deze was met Hem!
56 Mas uma certa serva vendo-o assentado ao lado do fogo, e olhando-o seriamente, disse: Este homem também estava com ele.
57 Doch hij verloochende Hem en zeide: Ik ken Hem niet, vrouw!
57 E ele negou-o, dizendo: Mulher, eu não o conheço.
58 En kort daarna zag hem een ander en zeide: Ook gij zijt een van die! Maar Petrus zeide: Mensch, ik ben niet!
58 E, um pouco depois, vendo-o outro, disse: Tu és também deles. E Pedro disse: Homem, eu não sou.
59 En na verloop van omtrent één ure verzekerde een ander en zeide: Zeker, ook deze was met Hem, want hij is ook een Galileër!
59 E, passada quase uma hora, um outro com confiança afirmava, dizendo: Com certeza este indivíduo também estava com ele; pois ele é um galileu.
60 Maar Petrus zeide: Mensch, ik weet niet wat gij zegt! En terstond, als hij nog sprak, kraaide de haan.
60 E Pedro disse: Homem, eu não sei o que tu dizes. E imediatamente, enquanto ele falava, o galo cantou.
61 En de Heere keerde zich om en zag Petrus aan. En Petrus werd indachtig aan het woord des Heeren, hoe Hij gezegd had: Heden, nog vóórdat de haan zal kraaien, zult gij Mij driemaal verloochenen!
61 E, virando-se o Senhor, olhou para Pedro, e Pedro lembrou-se da palavra do Senhor, como lhe tinha dito: Antes do galo cantar, tu me negarás três vezes.
62 En Petrus ging naar buiten en weende bitter.
62 E, Pedro saindo, chorou amargamente.
63 En de mannen die Jezus vasthielden, bespotten en sloegen Hem.
63 E os homens que guardavam Jesus zombavam dele, e feriam-no.
64 En zij blinddoekten Hem, en sloegen Hem in het gezicht, en vroegen Hem zeggende: Profeteer, wie is het die U geslagen heeft?
64 E, vendando-lhe os olhos, batiam na sua face, perguntando-lhe: Profetiza, quem é que te bateu?
65 En veel andere dingen zeiden zij, lasterend, tegen Hem.
65 E muitas outras coisas diziam contra ele, blasfemando.
66 En toen het dag was geworden, vergaderde de Raad des volks, de overpriesters en schriftgeleerden, en zij voerden Hem naar hun vergadering, en zeiden: Zoo Gij de Christus zijt, zeg het ons!
66 E logo que amanheceu, ajuntaram-se os anciãos do povo, os principais dos sacerdotes e os escribas, e o conduziram ao seu conselho, dizendo:
67 En Hij zeide tot hen: Als Ik het u zou zeggen, zoudt gij het toch niet gelooven,
67 Se tu és o Cristo, dize-nos. E ele lhes disse: Se eu vo-lo disser, não o crereis;
68 en zoo Ik u iets vroeg, gij zoudt toch niet antwoorden of Mij loslaten;
68 e se eu também vos perguntar, não me respondereis, nem me soltareis.
69 van nu af zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan de rechterhand der kracht Gods!
69 De hoje em diante, o Filho do homem se assentará à direita do poder de Deus.
70 En allen zeiden: Gij zijt dan de Zoon van God? En Hij zeide tot hen: Gij zegt het, want Ik ben het!
70 Então, todos disseram: És tu então o Filho de Deus? E ele lhes disse: Vós dizeis que eu sou.
71 Zij nu zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van noode? want wij zelven hebben het uit zijn mond gehoord!
71 E eles disseram: Por que ainda temos necessidade de outro testemunho? Porque nós mesmos o ouvimos da sua própria boca.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Lucas 22, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.