Lucas 22
vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs NAA
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 En het feest der ongedeesemde brooden, het Pascha genaamd, naderde.
1 Estava próxima a Festa dos Pães sem Fermento, chamada Páscoa.
2 en de overpriesters en schriftgeleerden zochten hoe zij Hem zouden ombrengen; want zij vreesden het volk.
2 Os principais sacerdotes e os escribas procuravam uma forma de matar Jesus; porque temiam o povo.
3 De Satan nu voer in Judas, Iskariot genoemd, die een der twaalven was.
3 Ora, Satanás entrou em Judas, chamado Iscariotes, que era um dos doze.
4 En hij ging heen en besprak met de overpriesters en hoofdmannen hoe hij Hem aan hen zou overleveren.
4 Judas foi entender-se com os principais sacerdotes e os capitães sobre como lhes entregaria Jesus.
5 En zij waren verblijd en kwamen overeen wegens het geld dat zij hem zouden geven.
5 Eles se alegraram e combinaram em lhe dar dinheiro.
6 En hij stemde toe, en zocht een geschikte gelegenheid om Hem aan hen over te leveren zonder volksoploop.
6 Judas concordou e buscava uma boa ocasião para lhes entregar Jesus, longe da multidão.
7 De dag nu der ongedeesemde brooden kwam, waarop het Pascha moest geslacht worden.
7 Chegou o dia da Festa dos Pães sem Fermento, em que era necessário fazer o sacrifício do cordeiro pascal.
8 En Hij zond Petrus en Johannes uit en zeide: Gaat heen, bereidt ons het Pascha, opdat wij het eten.
8 Então Jesus enviou Pedro e João, dizendo:
9 En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij dat wij het bereiden?
9 Eles lhe perguntaram: — Onde o senhor quer que a preparemos?
10 En Hij zeide tot hen: Ziet, als gij de stad inkomt zal u een mensch ontmoeten die een kruik met water draagt; volgt hem naar het huis waar hij ingaat.
10 Jesus lhes explicou:
11 En zegt tot den huisheer van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de zaal, waar Ik het Pascha zal eten met mijn discipelen?
11 e digam ao dono da casa: “O Mestre pergunta: ‘Onde fica o aposento no qual comerei a Páscoa com os meus discípulos?’”
12 En hij zal u een groote gereed gemaakte bovenzaal wijzen; daar moet gij het bereiden.
12 Ele lhes mostrará um espaçoso cenáculo mobiliado; ali façam os preparativos.
13 Zij nu gingen heen en vonden het zooals Hij hun gezegd had, en zij bereidden het Pascha.
13 E, indo, acharam tudo como Jesus lhes tinha dito e prepararam a Páscoa.
14 En toen de ure gekomen was lag Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem.
14 Chegada a hora, Jesus se pôs à mesa, e os apóstolos estavam com ele.
15 En Hij zeide tot hen: Ik heb zeer begeerd dit Pascha met u te eten vóórdat Ik lijde;
15 Então Jesus lhes disse:
16 want Ik zeg ulieden dat Ik het niet meer eten zal, totdat het vervuld is in het koninkrijk Gods.
16 Pois eu lhes digo que nunca mais a comerei, até que ela se cumpra no Reino de Deus.
17 En als Hij een beker genomen en gedankt had zeide Hij: Neemt dezen en deelt hem onder ulieden!
17 E, pegando um cálice, depois de ter dado graças, disse:
18 Want Ik zeg u, dat Ik van nu af niet meer drinken zal van de vrucht des wijnstoks totdat het koninkrijk Gods zal gekomen zijn.
18 Pois eu digo a vocês que, de agora em diante, não mais beberei do fruto da videira, até que venha o Reino de Deus.
19 En Hij nam brood, en gedankt hebbende brak Hij het en gaf het hun, zeggende: Dat is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis!
19 E, pegando um pão, tendo dado graças, o partiu e lhes deu, dizendo:
20 Evenzoo gaf Hij den beker, na den maaltijd, en zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor u vergoten wordt!
20 Do mesmo modo, depois da ceia, pegou o cálice, dizendo:
21 Doch ziet, de hand van mijn verrader is met Mij aan de tafel!
21 — Mas eis que a mão do traidor está comigo à mesa.
22 De Zoon des menschen gaat toch wel heen, gelijk bepaald is; maar wee dien mensch, door wien Hij wordt verraden!
22 Pois o Filho do Homem vai segundo o que está determinado, mas ai daquele por quem ele está sendo traído!
23 En zij begonnen onder malkander te onderzoeken, wie van hen het toch wel mocht zijn die dat doen zou?
23 Então começaram a perguntar entre si qual deles seria o que estava para fazer isso.
24 Er ontstond ook een strijd onder hen, wie van hen moest geacht worden de meeste te zijn.
24 Houve também entre eles uma discussão sobre qual deles parecia ser o maior.
25 En Hij zeide tot hen: De koningen der volken heerschen over hen, en die over hen macht hebben worden weldoeners genoemd.
25 Mas Jesus lhes disse:
26 Doch gij niet alzoo; maar de meeste onder u worde als de minste, en de voorganger als de dienaar;
26 Mas vocês não são assim; pelo contrário, o maior entre vocês seja como o menor; e aquele que dirige seja como o que serve.
27 want wie is meer, die aanligt of die dient? — immers dié aanligt? Ik nu ben in uw midden als een dienaar.
27 Pois qual é maior: aquele que está à mesa ou aquele que serve? Não é verdade que é aquele que está à mesa? Pois, no meio de vocês, eu sou como quem serve.
28 Maar gij zijt het die bij Mij zijt gebleven in mijn bekoringen.
28 Vocês são os que têm permanecido comigo nas minhas tentações.
29 En Ik beschik ulieden een koninkrijk, gelijk mijn Vader Mij beschikt heeft,
29 E eu confio a vocês um reino, assim como o meu Pai confiou a mim,
30 opdat gij eet en drinkt aan mijn tafel in mijn koninkrijk; en gij zult zitten op troonen, oordeelende de twaalf stammen van Israël.
30 para que comam e bebam à minha mesa no meu Reino; e vocês se assentarão em tronos para julgar as doze tribos de Israel.
31 En de Heere zeide: Simon, Simon! zie, de Satan heeft ulieden voor zich begeerd, om u te ziften als de tarwe!
31 — Simão, Simão, eis que Satanás pediu para peneirar vocês como trigo!
32 Doch Ik heb voor u gebeden opdat uw geloof niet bezwijke; en gij, eens bekeerd zijnde, versterk dan uw broeders.
32 Eu, porém, orei por você, para que a sua fé não desfaleça. E você, quando voltar para mim, fortaleça os seus irmãos.
33 En hij zeide tot Hem: Heere, met U ben ik bereid zelfs de gevangenis en den dood in te gaan!
33 Porém Pedro respondeu: — Estou pronto para ir com o Senhor, tanto para a prisão como para a morte.
34 Maar Hij zeide: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, vóórdat gij driemaal geloochend hebt, dat gij Mij kent!
34 Mas Jesus lhe disse:
35 En Hij zeide tot hen: Toen Ik ulieden uitzond zonder geldbeurs, of reiszak, of schoenen, heeft u wel iets ontbroken? Zij zeidén: Niets!
35 A seguir, Jesus perguntou aos discípulos: Eles responderam: — Não faltou nada!
36 Toen zeide Hij tot hen: Maar nu, wie een geldbeurs heeft, neme die, alsmede een reiszak; en die er geen heeft, die verkoope zijn kleed en koope een zwaard!
36 Então Jesus lhes disse:
37 Want Ik zeg ulieden dat hetgeen geschreven is, aan Mij moet volbracht worden, dit namelijk: En Hij is met de booswichten gerekend! want ook dit, aangaande Mij, wordt vervuld.
37 Pois eu lhes digo que é preciso que se cumpra em mim o que está escrito: “Ele foi contado com os malfeitores.” Pois o que a mim se refere está sendo cumprido.
38 Zij nu zeiden: Heere, ziehier twee zwaarden! En Hij zeide tot hen: ’t Is wel!
38 Então lhe disseram: — Senhor, aqui estão duas espadas! Jesus lhes respondeu:
39 En Hij ging uit en begaf zich, volgens zijn gewoonte, naar den Berg der Olijven; en Hem volgden ook de discipelen.
39 E, saindo, Jesus foi, como de costume, para o monte das Oliveiras; e os discípulos o acompanharam.
40 En toen Hij aan die plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in bekoring komt.
40 Chegando ao lugar escolhido, Jesus lhes disse:
41 En Hij verwijderde zich van hen, omtrent een steenworp ver, en knielde neder, en bad, zeggende:
41 Ele, por sua vez, se afastou um pouco, e, de joelhos, orava,
42 Vader! och, of Gij dezen beker van Mij wildet wegnemen! doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede!
42 dizendo:
43 En Hem verscheen een engel van den hemel, die Hem versterkte.
43 Então lhe apareceu um anjo do céu que o confortava.
44 En in hevige benauwdheid zijnde, bad Hij te vuriger; en zijn zweet werd als dikke bloeddroppels die op den grond vielen.
44 E, estando em agonia, orava mais intensamente. E aconteceu que o suor dele se tornou como gotas de sangue caindo sobre a terra.
45 En van het gebed opgestaan zijnde, kwam Hij tot de discipelen en vond hen slapende van droefheid,
45 Levantando-se da oração, Jesus foi até onde os discípulos estavam, e os encontrou dormindo de tristeza.
46 en Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op, en bidt, opdat gij niet in bekoring komt.
46 E disse:
47 Terwijl Hij nog sprak, ziet daar een schare, en de genoemde Judas, één van de twaalven, ging vóór hen uit, en naderde tot Jezus om Hem te kussen.
47 Enquanto Jesus ainda falava, eis que chegou uma multidão. E um dos doze, que se chamava Judas, vinha à frente deles e se aproximou de Jesus para o beijar.
48 En Jezus zeide tot hem: Judas, ‘t is met een kus dat gij den Zoon des menschen verraadt?
48 Jesus, porém, lhe disse:
49 Toen nu zij, die bij Hem waren, zagen wat er ging gebeuren, zeiden zij tot Hem: Heere, zullen wij met het zwaard er op inslaan?
49 Os que estavam ao redor de Jesus, vendo o que estava por acontecer, perguntaram: — Senhor, devemos atacar com as espadas?
50 En één uit hen sloeg des hoogepriesters dienstknecht, en hieuw hem het rechteroor af.
50 Um deles golpeou o servo do sumo sacerdote e cortou-lhe a orelha direita.
51 Doch Jezus antwoordde en zeide: Tot zoover! En Hij raakte zijn oor aan en genas hem.
51 Mas Jesus interveio, dizendo: E, tocando na orelha do homem, o curou.
52 Jezus zeide dan tot de overpriesters, en de hoofdmannen des tempels, en de oudsten, die op Hem afgekomen waren: Als tegen een roover zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken?
52 Então Jesus disse aos principais sacerdotes, capitães do templo e anciãos que vieram prendê-lo:
53 Toen Ik dagelijks met u in den tempel was, hebt gij de handen niet tegen Mij uitgestoken! Maar dit is uw ure, en de macht der duisternis!
53 Todos os dias, estando eu com vocês no templo, vocês não tentaram me prender. Esta, porém, é a hora de vocês e a hora do poder das trevas.
54 Zij namen Hem dan gevangen en voerden Hem weg, en brachten Hem naar het huis van den hoogepriester. En Petrus volgde van verre.
54 Então, prendendo Jesus, levaram-no e o introduziram na casa do sumo sacerdote. Pedro seguia de longe.
55 En toen zij vuur ontstoken hadden in het midden van de voorplaats, en samen nederzaten, zat Petrus midden onder hen.
55 Quando acenderam um fogo no meio do pátio e se assentaram juntos, Pedro tomou lugar entre eles.
56 En een zekere dienstmaagd, die bij het licht hem zag zitten en hem goed aankeek, zeide: Ook deze was met Hem!
56 Uma empregada, vendo-o sentado perto do fogo, fixou os olhos nele e disse: — Este também estava com ele.
57 Doch hij verloochende Hem en zeide: Ik ken Hem niet, vrouw!
57 Mas Pedro negou, dizendo: — Mulher, não o conheço.
58 En kort daarna zag hem een ander en zeide: Ook gij zijt een van die! Maar Petrus zeide: Mensch, ik ben niet!
58 Pouco depois, outro homem, ao ver Pedro, disse: — Você também é um deles. Mas Pedro disse: — Homem, eu não sou um deles.
59 En na verloop van omtrent één ure verzekerde een ander en zeide: Zeker, ook deze was met Hem, want hij is ook een Galileër!
59 E, tendo passado cerca de uma hora, outro afirmou, dizendo: — Com certeza este também estava com ele, porque também é galileu.
60 Maar Petrus zeide: Mensch, ik weet niet wat gij zegt! En terstond, als hij nog sprak, kraaide de haan.
60 Mas Pedro insistiu: — Homem, não sei do que você está falando. E logo, enquanto Pedro ainda falava, o galo cantou.
61 En de Heere keerde zich om en zag Petrus aan. En Petrus werd indachtig aan het woord des Heeren, hoe Hij gezegd had: Heden, nog vóórdat de haan zal kraaien, zult gij Mij driemaal verloochenen!
61 Então, o Senhor voltou-se e fixou os olhos em Pedro. E Pedro se lembrou da palavra do Senhor, como lhe tinha dito: “Hoje, antes que o galo cante, você me negará três vezes.”
62 En Petrus ging naar buiten en weende bitter.
62 E Pedro, saindo dali, chorou amargamente.
63 En de mannen die Jezus vasthielden, bespotten en sloegen Hem.
63 Os homens que detinham Jesus zombavam dele, davam-lhe pancadas e,
64 En zij blinddoekten Hem, en sloegen Hem in het gezicht, en vroegen Hem zeggende: Profeteer, wie is het die U geslagen heeft?
64 colocando uma venda sobre os olhos dele, diziam: — Profetize! Quem foi que bateu em você?
65 En veel andere dingen zeiden zij, lasterend, tegen Hem.
65 E muitas outras coisas diziam contra ele, blasfemando.
66 En toen het dag was geworden, vergaderde de Raad des volks, de overpriesters en schriftgeleerden, en zij voerden Hem naar hun vergadering, en zeiden: Zoo Gij de Christus zijt, zeg het ons!
66 Logo que amanheceu, reuniu-se a assembleia dos anciãos do povo, tanto os principais sacerdotes como os escribas, e o conduziram ao Sinédrio, onde lhe disseram:
67 En Hij zeide tot hen: Als Ik het u zou zeggen, zoudt gij het toch niet gelooven,
67 — Se você é o Cristo, diga-nos. Então Jesus lhes respondeu:
68 en zoo Ik u iets vroeg, gij zoudt toch niet antwoorden of Mij loslaten;
68 E, se eu perguntar, vocês não me darão resposta.
69 van nu af zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan de rechterhand der kracht Gods!
69 Desde agora, o Filho do Homem estará sentado à direita do Deus Todo-Poderoso.
70 En allen zeiden: Gij zijt dan de Zoon van God? En Hij zeide tot hen: Gij zegt het, want Ik ben het!
70 Todos perguntaram: — Então você é o Filho de Deus? Jesus respondeu:
71 Zij nu zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van noode? want wij zelven hebben het uit zijn mond gehoord!
71 Eles disseram: — Que necessidade ainda temos de testemunho? Porque nós mesmos ouvimos o que ele falou.
Atalhos do teclado
- Capítulo anterior←
- Próximo capítulo→
- Versículo anteriork
- Próximo versículoj
- Limpar seleçãoEsc
- Esta ajuda?
Estude este capítulo no WhatsApp
Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Lucas 22, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.