Neemias 7

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Voorts geschiedde het, als de muur gebouwd was, dat ik de deuren oprichtte, en de poortiers, en de zangers, en de Levieten werden besteld.
1 Agora as muralhas estavam reconstruídas, e os portões estavam todos colocados nos seus lugares. Foi marcado o trabalho dos guardas do Templo, dos cantores e dos levitas .
2 En ik gaf bevel aan mijn broeder Hanani, en aan Hananja, den overste van den burg te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen.
2 Para governar a cidade de Jerusalém, eu coloquei dois homens: o meu irmão Hanani e Hananias, o oficial comandante da fortaleza. Hananias era um homem fiel e temia a Deus mais do que qualquer outro.
3 En ik zeide tot hen: Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden, totdat de zon heet wordt, en terwijl zij daarbij staan, laat hen de deuren sluiten, betast gij ze dan; en dat men wachten zette, inwoners van Jeruzalem, een iegelijk op zijn wacht, en een iegelijk tegenover zijn huis.
3 Eu disse aos dois que só mandassem abrir os portões de Jerusalém quando o sol começasse a esquentar. E que mandassem fechar e trancar os portões antes que os guardas deixassem o serviço, na hora do pôr do sol. Também ordenei que escolhessem guardas entre o povo que morava em Jerusalém. Alguns deles deviam ficar de guarda em certos lugares, e os outros deviam tomar conta da área em frente das suas próprias casas.
4 De stad nu was wijd van ruimte en groot; doch des volks was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd.
4 A cidade de Jerusalém era grande, mas não tinha muitos moradores, e eram poucas as casas que já haviam sido reconstruídas.
5 Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus:
5 Deus pôs no meu coração a ideia de reunir todo o povo, e os seus líderes, e as autoridades para verificar os registros das suas famílias. Eu achei o livro de registros do primeiro grupo que havia voltado da Babilônia. São estas as informações que havia no livro:
6 Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk tot zijn stad;
6 Entre os israelitas que o rei Nabucodonosor, da Babilônia, tinha levado como prisioneiros, havia muitos que eram da província de Judá. Estes voltaram para Jerusalém e Judá, cada um para a sua própria cidade.
7 Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
7 Os seus líderes eram Zorobabel, Josué, Neemias, Azarias, Raamias, Naamani, Mordecai, Bilsã, Misperete, Bigvai, Neum e Baaná. Parós: dois mil cento e setenta e dois. Sefatias: trezentos e setenta e dois. Ará: seiscentos e cinquenta e dois. Paate-Moabe (descendentes de Jesua e de Joabe): dois mil oitocentos e dezoito. Elom: mil duzentos e cinquenta e quatro. Zatu: oitocentos e quarenta e cinco. Zacai: setecentos e sessenta. Binui: seiscentos e quarenta e oito. Bebai: seiscentos e vinte e oito. Azgade: dois mil trezentos e vinte e dois. Adonicã: seiscentos e sessenta e sete. Bigvai: dois mil e sessenta e sete. Adim: seiscentos e cinquenta e cinco. Ater (que também era chamado de Ezequias): noventa e oito. Hasum: trezentos e vinte e oito. Besai: trezentos e vinte e quatro. Harife: cento e doze. Gibeão: noventa e cinco. Belém e Netofa: cento e oitenta e oito. Anatote: cento e vinte e oito. Bete-Azmavete quarenta e duas. Quiriate-Jearim, Cefira e Beerote: setecentas e quarenta e três. Ramá e Geba: seiscentos e vinte e uma. Micmás: cento e vinte e duas. Betel e Ai: cento e vinte e três. A outra Nebo: cinquenta e duas. A outra Elão: mil duzentas e cinquenta e quatro. Harim: trezentas e vinte. Jericó: trezentas e quarenta e cinco. Lode, Hadide e Ono: setecentos e vinte e uma. Senaá: três mil novecentas e trinta. Jedaías (descendentes de Jesua): novecentos e setenta e três. Imer: mil e cinquenta e dois. Pasur: mil duzentos e quarenta e sete. Harim: mil e dezessete. Jesua e Cadmiel (descendentes de Hodavias): setenta e quatro. Músicos do Templo (descendentes de Asafe): cento e quarenta e oito. Guardas do Templo (descendentes de Salum, Ater, Talmom, Acube, Hatita e Sobai): cento e trinta e oito. Zia, Hasufa, Tabaote, Queros, Sia, Padom, Lebana, Hagaba, Salmai, Hanã, Gidel, Gaar, Reaías, Rezim, Necoda, Gazã, Uzá, Paseia, Besai, Meunim, Nefisim, Baquebuque, Hacufa, Harur, Baslite, Meída, Harsa, Barcôs, Sísera, Tama, Nesias e Hatifa. Sotai, Soferete, Perida, Jaala, Darcom, Gidel, Sefatias, Hatil, Poquerete-Hazebaim e Amom.
8 De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
8 — ausente —
9 De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
9 — ausente —
10 De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
10 — ausente —
11 De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;
11 — ausente —
12 De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
12 — ausente —
13 De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;
13 — ausente —
14 De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;
14 — ausente —
15 De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;
15 — ausente —
16 De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
16 — ausente —
17 De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
17 — ausente —
18 De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;
18 — ausente —
19 De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;
19 — ausente —
20 De kinderen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;
20 — ausente —
21 De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig;
21 — ausente —
22 De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;
22 — ausente —
23 De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;
23 — ausente —
24 De kinderen van Harif, honderd en twaalf;
24 — ausente —
25 De kinderen van Gibeon, vijf en negentig;
25 — ausente —
26 De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;
26 — ausente —
27 De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;
27 — ausente —
28 De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;
28 — ausente —
29 De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;
29 — ausente —
30 De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;
30 — ausente —
31 De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;
31 — ausente —
32 De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;
32 — ausente —
33 De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;
33 — ausente —
34 De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
34 — ausente —
35 De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;
35 — ausente —
36 De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
36 — ausente —
37 De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
37 — ausente —
38 De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;
38 — ausente —
39 De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig;
39 — ausente —
40 De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;
40 — ausente —
41 De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig;
41 — ausente —
42 De kinderen van Harim, duizend en zeventien;
42 — ausente —
43 De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;
43 — ausente —
44 De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig;
44 — ausente —
45 De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;
45 — ausente —
46 De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
46 — ausente —
47 De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;
47 — ausente —
48 De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;
48 — ausente —
49 De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;
49 — ausente —
50 De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;
50 — ausente —
51 De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;
51 — ausente —
52 De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;
52 — ausente —
53 De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
53 — ausente —
54 De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
54 — ausente —
55 De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
55 — ausente —
56 De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;
56 — ausente —
57 De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida;
57 — ausente —
58 De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
58 — ausente —
59 De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;
59 — ausente —
60 Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
60 Foi de trezentos e noventa e dois o número total dos descendentes dos servidores do Templo e dos servidores de Salomão que voltaram do cativeiro.
61 Ook togen dezen op van Thel-melah, Thel-harsa, Cherub, Addon en Immer; maar zij konden hunner vaderen huis, en hun zaad niet tonen, of zij uit Israel waren;
61 — ausente —
62 De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
62 — ausente —
63 En van de priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die een vrouw van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was.
63 — ausente —
64 Dezen zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd.
64 — ausente —
65 En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en thummim.
65 O governador judeu disse que eles não poderiam comer da comida oferecida a Deus até que houvesse um sacerdote que pudesse decidir a questão por meio do Urim e do Tumim . Seus escravos e escravas: sete mil trezentos e trinta e sete. Cantores e cantoras: duzentos e quarenta e cinco. Cavalos: setecentos e trinta e seis. Mulas: duzentas e quarenta e cinco. Camelos: quatrocentos e trinta e cinco. Jumentos: seis mil setecentos e vinte. O governador deu oito quilos e quatrocentos gramas de ouro, cinquenta vasilhas para o culto e quinhentos e trinta Os chefes dos grupos de famílias deram cento e sessenta e oito quilos de ouro e mil duzentos e cinquenta e sete quilos de prata. O resto do povo deu cento e sessenta e oito quilos de ouro, mil cento e quarenta e dois quilos de prata e sessenta e sete mantos sacerdotais.
66 Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;
66 — ausente —
67 Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.
67 — ausente —
68 Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;
68 — ausente —
69 Kemelen, vierhonderd vijf en dertig; ezelen, zes duizend, zevenhonderd en twintig.
69 — ausente —
70 Een deel nu van de hoofden der vaderen gaven tot het werk. Hattirsatha gaf tot den schat, aan goud, duizend drachmen, vijftig sprengbekkens, vijfhonderd en dertig priesterrokken.
70 — ausente —
71 En anderen van de hoofden der vaderen gaven tot den schat des werks, aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend en tweehonderd ponden.
71 — ausente —
72 En wat de overigen des volks gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend mijnen, en zeven en zestig priesterrokken.
72 — ausente —
73 En de priesters, en de Levieten, en de poortiers, en de zangers, en sommigen van het volk, en de Nethinim, en gans Israel, woonden in hun steden.
73 Todo o povo de Israel começou a morar nas cidades e povoados de Judá. Eram sacerdotes, levitas , guardas do Templo, músicos, algumas pessoas do povo e os servidores do Templo.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Neemias 7, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.