Neemias 7

Dutch (DUTCH) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 Voorts geschiedde het, als de muur gebouwd was, dat ik de deuren oprichtte, en de poortiers, en de zangers, en de Levieten werden besteld.
1 Sucedeu mais que, depois que o muro fora edificado, eu levantei as portas; e foram estabelecidos os porteiros, e os cantores, e os levitas.
2 En ik gaf bevel aan mijn broeder Hanani, en aan Hananja, den overste van den burg te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen.
2 Eu nomeei a Hanani, meu irmão, e a Hananias, maioral da fortaleza, sobre Jerusalém, porque era homem fiel e temente a Deus, mais do que muitos;
3 En ik zeide tot hen: Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden, totdat de zon heet wordt, en terwijl zij daarbij staan, laat hen de deuren sluiten, betast gij ze dan; en dat men wachten zette, inwoners van Jeruzalem, een iegelijk op zijn wacht, en een iegelijk tegenover zijn huis.
3 e disse-lhes: Não se abram as portas de Jerusalém até que o sol aqueça; e, enquanto assistirem ali, fechem as portas, e, vós, trancai- as; e ponham-se guardas dos moradores de Jerusalém, cada um na sua guarda e cada um diante da sua casa.
4 De stad nu was wijd van ruimte en groot; doch des volks was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd.
4 E era a cidade larga de espaço e grande, porém pouco povo havia dentro dela; e ainda as casas não estavam edificadas.
5 Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus:
5 Então, o meu Deus me pôs no coração que ajuntasse os nobres, e os magistrados, e o povo, para registrar as genealogias. E achei o livro da genealogia dos que subiram primeiro e assim achei escrito nele:
6 Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk tot zijn stad;
6 Estes são os filhos da província, que subiram do cativeiro, os transportados, que transportara Nabucodonosor, rei de Babilônia; e voltaram para Jerusalém e para Judá, cada um para a sua cidade;
7 Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
7 os quais vieram com Zorobabel, Jesua, Neemias, Azarias, Raamias, Naamani, Mardoqueu, Bilsã, Misperete, Bigvai, Neum e Baaná; este é o número dos homens do povo de Israel:
8 De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
8 foram os filhos de Parós, dois mil cento e setenta e dois.
9 De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
9 Os filhos de Sefatias, trezentos e setenta e dois.
10 De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
10 Os filhos de Ará, seiscentos e cinquenta e dois.
11 De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;
11 Os filhos de Paate-Moabe, dos filhos de Jesua e de Joabe, dois mil oitocentos e dezoito.
12 De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
12 Os filhos de Elão, mil duzentos e cinquenta e quatro.
13 De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;
13 Os filhos de Zatu, oitocentos e quarenta e cinco.
14 De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;
14 Os filhos de Zacai, setecentos e sessenta.
15 De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;
15 Os filhos de Binui, seiscentos e quarenta e oito.
16 De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
16 Os filhos de Bebai, seiscentos e vinte e oito.
17 De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
17 Os filhos de Azgade, dois mil trezentos e vinte e dois.
18 De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;
18 Os filhos de Adonicão, seiscentos e sessenta e sete.
19 De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;
19 Os filhos de Bigvai, dois mil e sessenta e sete.
20 De kinderen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;
20 Os filhos de Adim, seiscentos e cinquenta e cinco.
21 De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig;
21 Os filhos de Ater, de Ezequias, noventa e oito.
22 De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;
22 Os filhos de Hasum, trezentos e vinte e oito.
23 De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;
23 Os filhos de Besai, trezentos e vinte e quatro.
24 De kinderen van Harif, honderd en twaalf;
24 Os filhos de Harife, cento e doze.
25 De kinderen van Gibeon, vijf en negentig;
25 Os filhos de Gibeão, noventa e cinco.
26 De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;
26 Os homens de Belém e de Netofa, cento e oitenta e oito.
27 De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;
27 Os homens de Anatote, cento e vinte e oito.
28 De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;
28 Os homens de Bete-Azmavete, quarenta e dois.
29 De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;
29 Os homens de Quiriate-Jearim, Cefira e Beerote, setecentos e quarenta e três.
30 De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;
30 Os homens de Ramá e Geba, seiscentos e vinte e um.
31 De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;
31 Os homens de Micmás, cento e vinte e dois.
32 De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;
32 Os homens de Betel e Ai, cento e vinte e três.
33 De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;
33 Os homens doutra Nebo, cinquenta e dois.
34 De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
34 Os filhos do outro Elão, mil duzentos e cinquenta e quatro.
35 De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;
35 Os filhos de Harim, trezentos e vinte.
36 De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
36 Os filhos de Jericó, trezentos e quarenta e cinco.
37 De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
37 Os filhos de Lode, Hadide e Ono, setecentos e vinte e um.
38 De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;
38 Os filhos de Senaá, três mil novecentos e trinta.
39 De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig;
39 Os sacerdotes: os filhos de Jedaías, da casa de Jesua, novecentos e setenta e três.
40 De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;
40 Os filhos de Imer, mil e cinquenta e dois.
41 De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig;
41 Os filhos de Pasur, mil duzentos e quarenta e sete.
42 De kinderen van Harim, duizend en zeventien;
42 Os filhos de Harim, mil e dezessete.
43 De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;
43 Os levitas: os filhos de Jesua, de Cadmiel, dos filhos de Hodeva, setenta e quatro.
44 De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig;
44 Os cantores: os filhos de Asafe, cento e quarenta e oito.
45 De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;
45 Os porteiros: os filhos de Salum, os filhos de Ater, os filhos de Talmom, os filhos de Acube, os filhos de Hatita, os filhos de Sobai, cento e trinta e oito.
46 De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
46 Os netineus: os filhos de Zia, os filhos de Hasufa, os filhos de Tabaote,
47 De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;
47 os filhos de Queros, os filhos de Sia, os filhos de Padom,
48 De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;
48 os filhos de Lebana, os filhos de Hagaba, os filhos de Salmai,
49 De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;
49 os filhos de Hanã, os filhos de Gidel, os filhos de Gaar,
50 De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;
50 os filhos de Reaías, os filhos de Rezim, os filhos de Necoda,
51 De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;
51 os filhos de Gazão, os filhos de Uzá, os filhos de Paseia,
52 De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;
52 os filhos de Besai, os filhos de Meunim, os filhos de Nefusesim,
53 De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
53 os filhos de Baquebuque, os filhos de Hacufa, os filhos de Harur,
54 De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;
54 os filhos de Bazlite, os filhos de Meida, os filhos de Harsa,
55 De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;
55 os filhos de Barcos, os filhos de Sísera, os filhos de Tama,
56 De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;
56 os filhos de Nesias, os filhos de Hatifa.
57 De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida;
57 Os filhos dos servos de Salomão: os filhos de Sotai, os filhos de Soferete, os filhos de Perida,
58 De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
58 os filhos de Jaala, os filhos de Darcom, os filhos de Gidel,
59 De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;
59 os filhos de Sefatias, os filhos de Hatil, os filhos de Poquerete-Hazebaim, os filhos de Amom.
60 Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
60 Todos os netineus e os filhos dos servos de Salomão, trezentos e noventa e dois.
61 Ook togen dezen op van Thel-melah, Thel-harsa, Cherub, Addon en Immer; maar zij konden hunner vaderen huis, en hun zaad niet tonen, of zij uit Israel waren;
61 Também estes subiram de Tel-Melá, Tel-Harsa, Querube, Adom e Imer, porém não puderam mostrar a casa de seus pais e a sua linhagem, se eram de Israel:
62 De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.
62 os filhos de Delaías, os filhos de Tobias, os filhos de Necoda, seiscentos e quarenta e dois.
63 En van de priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die een vrouw van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was.
63 E dos sacerdotes: os filhos de Habaías, os filhos de Coz, os filhos de Barzilai, que tomara uma mulher das filhas de Barzilai, o gileadita, e se chamou do nome delas.
64 Dezen zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd.
64 Estes buscaram o seu registro, querendo contar a sua geração, porém não se achou; pelo que, como imundos, foram excluídos do sacerdócio.
65 En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en thummim.
65 E o tirsata lhes disse que não comessem das coisas sagradas, até que se aprestasse um sacerdote com Urim e Tumim.
66 Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;
66 Toda essa congregação junta foi de quarenta e dois mil trezentos e sessenta,
67 Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.
67 afora os seus servos e as suas servas, que foram sete mil trezentos e trinta e sete; e tinham duzentos e quarenta e cinco cantores e cantoras.
68 Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;
68 Os seus cavalos, setecentos e trinta e seis; os seus mulos, duzentos e quarenta e cinco.
69 Kemelen, vierhonderd vijf en dertig; ezelen, zes duizend, zevenhonderd en twintig.
69 Camelos, quatrocentos e trinta e cinco; jumentos, seis mil setecentos e vinte.
70 Een deel nu van de hoofden der vaderen gaven tot het werk. Hattirsatha gaf tot den schat, aan goud, duizend drachmen, vijftig sprengbekkens, vijfhonderd en dertig priesterrokken.
70 E uma parte dos cabeças dos pais deram para a obra; o tirsata deu para o tesouro, em ouro, mil daricos, cinquenta bacias e quinhentas e trinta vestes sacerdotais.
71 En anderen van de hoofden der vaderen gaven tot den schat des werks, aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend en tweehonderd ponden.
71 E alguns mais dos cabeças dos pais deram para o tesouro da obra, em ouro, vinte mil daricos; e, em prata, dois mil e duzentos arráteis.
72 En wat de overigen des volks gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend mijnen, en zeven en zestig priesterrokken.
72 E o que deu o resto do povo foi, em ouro, vinte mil daricos; e, em prata, dois mil arráteis; e sessenta e sete vestes sacerdotais.
73 En de priesters, en de Levieten, en de poortiers, en de zangers, en sommigen van het volk, en de Nethinim, en gans Israel, woonden in hun steden.
73 E habitaram os sacerdotes, e os levitas, e os porteiros, e os cantores, e alguns do povo, e os netineus, e todo o Israel nas suas cidades.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Neemias 7, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.