Jó 32

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was.
1 Cessaram aqueles três homens de responder a Jó no tocante ao se ter ele por justo aos seus próprios olhos.
2 Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.
2 Então, se acendeu a ira de Eliú, filho de Baraquel, o buzita, da família de Rão; acendeu-se a sua ira contra Jó, porque este pretendia ser mais justo do que Deus.
3 Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.
3 Também a sua ira se acendeu contra os três amigos, porque, mesmo não achando eles o que responder, condenavam a Jó.
4 Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.
4 Eliú, porém, esperara para falar a Jó, pois eram de mais idade do que ele.
5 Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn.
5 Vendo Eliú que já não havia resposta na boca daqueles três homens, a sua ira se acendeu.
6 Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheel, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen.
6 Disse Eliú, filho de Baraquel, o buzita: Eu sou de menos idade, e vós sois idosos; arreceei-me e temi de vos declarar a minha opinião.
7 Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.
7 Dizia eu: Falem os dias, e a multidão dos anos ensine a sabedoria.
8 Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.
8 Na verdade, há um espírito no homem, e o sopro do Todo-Poderoso o faz sábio.
9 De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
9 Os de mais idade não é que são os sábios, nem os velhos, os que entendem o que é reto.
10 Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
10 Pelo que digo: dai-me ouvidos, e também eu declararei a minha opinião.
11 Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.
11 Eis que aguardei as vossas palavras e dei ouvidos às vossas considerações, enquanto, quem sabe, buscáveis o que dizer.
12 Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;
12 Atentando, pois, para vós outros, eis que nenhum de vós houve que refutasse a Jó, nem que respondesse às suas razões.
13 Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
13 Não vos desculpeis, pois, dizendo: Achamos sabedoria nele; Deus pode vencê-lo, e não o homem.
14 Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
14 Ora, ele não me dirigiu palavra alguma, nem eu lhe retorquirei com as vossas palavras.
15 Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.
15 Jó, os três estão pasmados, já não respondem, faltam-lhes as palavras.
16 Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.
16 Acaso, devo esperar, pois não falam, estão parados e nada mais respondem?
17 Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
17 Também eu concorrerei com a minha resposta; declararei a minha opinião.
18 Want ik ben der woorden vol; de geest mijns buiks benauwt mij.
18 Porque tenho muito que falar, e o meu espírito me constrange.
19 Ziet, mijn buik is als de wijn, die niet geopend is; gelijk nieuwe lederen zakken zou hij bersten.
19 Eis que dentro de mim sou como o vinho, sem respiradouro, como odres novos, prestes a arrebentar-se.
20 Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
20 Permiti, pois, que eu fale para desafogar-me; abrirei os lábios e responderei.
21 Och, dat ik niemands aangezicht aanneme, en tot den mens geen bijnamen gebruike!
21 Não farei acepção de pessoas, nem usarei de lisonjas com o homem.
22 Want ik weet geen bijnamen te gebruiken; in kort zou mijn Maker mij wegnemen.
22 Porque não sei lisonjear; em caso contrário, em breve me levaria o meu Criador.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 32, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.