Jó 31

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
1 “Eu jurei que os meus olhos nunca haveriam de cobiçar uma virgem.
2 Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
2 Se eu tivesse quebrado o juramento, que recompensa Deus me daria, e como é que lá dos céus o Todo-Poderoso me abençoaria?
3 Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?
3 Pois Deus manda a infelicidade e a desgraça para aqueles que só fazem o mal.
4 Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
4 Deus sabe tudo o que eu faço; ele vê cada passo que dou.
5 Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;
5 “Juro que não tenho sido falso e que nunca procurei enganar os outros.
6 Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.
6 Que Deus me pese numa balança justa e ele ficará convencido de que sou inocente!
7 Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
7 “Se por acaso me desviei do caminho certo, se o meu coração foi levado pela cobiça dos olhos, se pequei, ficando com qualquer coisa que pertence a outra pessoa,
8 Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!
8 então que outros comam o que eu semeei, ou que as minhas plantações sejam destruídas.
9 Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;
9 Se o meu coração alguma vez foi seduzido pela mulher do meu vizinho, e se fiquei escondido, espiando a porta da casa dela,
10 Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!
10 então que a minha mulher se torne escrava de outro, e que outros durmam com ela.
11 Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters.
11 Se eu tivesse cometido esse crime horrível, o tribunal deveria me condenar.
12 Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.
12 Esse pecado seria como um incêndio terrível, infernal, que destruiria tudo o que tenho.
13 Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij;
13 “Quando um empregado ou empregada reclamava contra mim, eu resolvia o assunto com justiça.
14 (Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?
14 Se eu não tivesse agido assim, que faria quando Deus me julgasse? Que responderia, quando ele pedisse conta dos meus atos?
15 Heeft Hij niet, Die mij in den buik maakte, hem ook gemaakt en Een ons in de baarmoeder bereid?)
15 Pois o mesmo Deus que me criou, criou também os meus empregados; ele deu a vida tanto a mim como a eles.
16 Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;
16 “Nunca deixei de ajudar os pobres, nem permiti que as viúvas chorassem de desespero.
17 En mijn bete alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft;
17 Nunca tomei sozinho as minhas refeições, mas sempre reparti a minha comida com os órfãos.
18 (Want van mijn jonkheid af is hij bij mij opgetogen, als bij een vader, en van mijner moeders buik af heb ik haar geleid;)
18 Eu os tratava como se fosse pai deles e sempre protegi as viúvas.
19 Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;
19 Quando via alguém morrendo de frio por falta de roupa ou notava algum pobre que não tinha com que se cobrir,
20 Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd;
20 eu lhe dava roupas quentes, feitas com a lã das minhas próprias ovelhas, e ele me agradecia do fundo do coração.
21 Zo ik mijn hand tegen den wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag;
21 Se alguma vez fui violento com um órfão, sabendo que eu tinha o apoio dos juízes,
22 Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!
22 então que os meus braços sejam quebrados, que sejam arrancados dos meus ombros.
23 Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid.
23 Eu nunca faria nenhuma dessas coisas, pois tenho pavor do castigo de Deus e não poderia enfrentar a sua presença
24 Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen;
24 “Jamais confiei no ouro; ele nunca foi a base da minha segurança.
25 Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;
25 Nunca me orgulhei de ter muitas riquezas, nem de ganhar muito dinheiro.
26 Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;
26 Tenho visto o sol brilhar e a lua caminhar em toda a sua beleza,
27 En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
27 porém nunca os adorei, nem em segredo, e não lhes atirei beijos com a mão.
28 Dat ware ook een misdaad bij den rechter; want ik zou den God van boven verzaakt hebben.
28 Se tivesse cometido esse terrível pecado, eu teria sido infiel a Deus, que está lá em cima, e o tribunal deveria me condenar.
29 Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;
29 “Jamais me alegrei com o sofrimento dos meus inimigos, nem fiquei contente se lhes acontecia alguma desgraça.
30 (Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).
30 E nunca fiz uma oração pedindo a Deus que matasse algum deles.
31 Zo de lieden mijner tent niet hebben gezegd: Och, of wij van zijn vlees hadden, wij zouden niet verzadigd worden;
31 “Os empregados que trabalham para mim sabem que os meus convidados comem à vontade, do bom e do melhor.
32 De vreemdeling overnachtte niet op de straat; mijn deuren opende ik naar den weg;
32 Nunca deixei um estrangeiro dormir na rua; os viajantes sempre se hospedaram na minha casa.
33 Zo ik, gelijk Adam, mijn overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijn misdaad verbergende!
33 Jamais procurei encobrir as minhas faltas, como fazem algumas pessoas, nem escondi no coração os meus pecados.
34 Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldiglijk onderdrukt hebben; maar de verachtste der huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gewezen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn.
34 Nunca tive medo daquilo que os outros poderiam dizer; não fiquei dentro de casa, calado, com receio de que zombassem de mim.
35 Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
35 “Como gostaria que alguém me ouvisse! Aqui eu termino e assino a minha defesa; que o Todo-Poderoso me responda! Que o meu Adversário escreva a acusação,
36 Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon.
36 e, com orgulho, eu a carregarei no ombro e a porei na cabeça como se fosse uma coroa!
37 Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.
37 Darei conta a Deus de todos os meus atos e na presença dele ficarei de cabeça erguida.
38 Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;
38 “As minhas terras nunca choraram, nem gritaram ao céu contra mim.
39 Zo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel zijner akkerlieden heb doen hijgen;
39 Pois, se comi os seus frutos, sempre paguei os trabalhadores como devia e jamais deixei que morressem de fome.
40 Dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid! De woorden van Job hebben een einde.
40 Se não estou dizendo a verdade, então que nas minhas terras cresçam espinhos em vez de trigo e mato em vez de Aqui terminam as palavras de Jó.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 31, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.