Jó 31

Dutch (DUTCH) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
1 Fiz concerto com os meus olhos; como, pois, os fixaria numa virgem?
2 Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
2 Porque qual seria a parte de Deus vinda de cima, ou a herança do Todo-Poderoso desde as alturas?
3 Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?
3 Porventura, não é a perdição para o perverso, e o desastre, para os que praticam iniquidade?
4 Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
4 Ou não vê ele os meus caminhos e não conta todos os meus passos?
5 Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;
5 Se andei com vaidade, e se o meu pé se apressou para o engano
6 Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.
6 (pese-me em balanças fiéis, e saberá Deus a minha sinceridade);
7 Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
7 se os meus passos se desviaram do caminho, e se o meu coração segue os meus olhos, e se às minhas mãos se apegou alguma coisa,
8 Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!
8 então, semeie eu, e outro coma, e seja a minha descendência arrancada até à raiz.
9 Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;
9 Se o meu coração se deixou seduzir por uma mulher, ou se eu andei rondando à porta do meu próximo,
10 Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!
10 então, moa minha mulher para outro, e outros se encurvem sobre ela.
11 Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters.
11 Porque isso seria uma infâmia e delito, pertencente aos juízes.
12 Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.
12 Porque é fogo que consome até à perdição e desarraigaria toda a minha renda.
13 Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij;
13 Se desprezei o direito do meu servo ou da minha serva, quando eles contendiam comigo,
14 (Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?
14 então, que faria eu quando Deus se levantasse? E, inquirindo a causa, que lhe responderia?
15 Heeft Hij niet, Die mij in den buik maakte, hem ook gemaakt en Een ons in de baarmoeder bereid?)
15 Aquele que me formou no ventre não o fez também a ele? Ou não nos formou do mesmo modo na madre?
16 Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;
16 Se retive o que os pobres desejavam ou fiz desfalecer os olhos da viúva;
17 En mijn bete alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft;
17 ou sozinho comi o meu bocado, e o órfão não comeu dele
18 (Want van mijn jonkheid af is hij bij mij opgetogen, als bij een vader, en van mijner moeders buik af heb ik haar geleid;)
18 (porque desde a minha mocidade cresceu comigo como com seu pai, e o guiei desde o ventre da minha mãe);
19 Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;
19 se a alguém vi perecer por falta de veste e, ao necessitado, por não ter coberta;
20 Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd;
20 se os seus lombos me não abençoaram, se ele não se aquentava com as peles dos meus cordeiros;
21 Zo ik mijn hand tegen den wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag;
21 se eu levantei a mão contra o órfão, porque na porta via a minha ajuda,
22 Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!
22 então, caia do ombro a minha espádua, e quebre-se o meu braço desde o osso.
23 Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid.
23 Porque o castigo de Deus era para mim um assombro, e eu não podia suportar a sua grandeza.
24 Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen;
24 Se no ouro pus a minha esperança ou disse ao ouro fino: Tu és a minha confiança;
25 Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;
25 se me alegrei de que era muita a minha fazenda e de que a minha mão tinha alcançado muito;
26 Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;
26 se olhei para o sol, quando resplandecia, ou para a lua, caminhando gloriosa;
27 En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
27 e o meu coração se deixou enganar em oculto, e a minha boca beijou a minha mão,
28 Dat ware ook een misdaad bij den rechter; want ik zou den God van boven verzaakt hebben.
28 também isto seria delito pertencente ao juiz; pois assim negaria a Deus, que está em cima.
29 Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;
29 Se me alegrei da desgraça do que me tem ódio, e se eu exultei quando o mal o achou
30 (Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).
30 (também não deixei pecar o meu paladar, desejando a sua morte com maldição);
31 Zo de lieden mijner tent niet hebben gezegd: Och, of wij van zijn vlees hadden, wij zouden niet verzadigd worden;
31 se a gente da minha tenda não disse: Ah! Quem se não terá saciado com a sua carne!
32 De vreemdeling overnachtte niet op de straat; mijn deuren opende ik naar den weg;
32 O estrangeiro não passava a noite na rua; as minhas portas abria ao viandante.
33 Zo ik, gelijk Adam, mijn overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijn misdaad verbergende!
33 Se, como Adão, encobri as minhas transgressões, ocultando o meu delito no meu seio,
34 Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldiglijk onderdrukt hebben; maar de verachtste der huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gewezen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn.
34 trema eu perante uma grande multidão, e o desprezo das famílias me apavore, e eu me cale, e não saia da porta.
35 Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
35 Ah! Quem me dera um que me ouvisse! Eis que o meu intento é que o Todo-Poderoso me responda e que o meu adversário escreva um livro.
36 Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon.
36 Por certo que o levaria sobre o meu ombro, sobre mim o ataria como coroa.
37 Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.
37 O número dos meus passos lhe mostraria; como príncipe me chegaria a ele.
38 Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;
38 Se a minha terra clamar contra mim, e se os seus regos juntamente chorarem;
39 Zo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel zijner akkerlieden heb doen hijgen;
39 se comi a sua novidade sem dinheiro e sufoquei a alma dos seus donos,
40 Dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid! De woorden van Job hebben een einde.
40 por trigo me produza cardos, e por cevada, joio. Acabaram-se as palavras de Jó.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 31, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.