Jó 14

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.
1 “O ser humano, nascido de mulher, vive breve tempo, cheio de inquietação.
2 Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet.
2 Nasce como a flor e murcha; foge como a sombra e não permanece.
3 Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
3 Sobre ele abres os teus olhos? E me fazes entrar em juízo contigo?
4 Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet een.
4 Quem poderá tirar coisa pura daquilo que é impuro? Ninguém!
5 Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;
5 Visto que os dias do ser humano estão contados, o número dos seus meses está nas tuas mãos; traçaste limites além dos quais não passará.
6 Wend U van hem af, dat hij rust hebbe, totdat hij als een dagloner aan zijn dag een welgevallen hebbe.
6 Desvia dele o teu olhar, para que tenha repouso, até que, como o trabalhador, tenha prazer no seu dia.”
7 Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden.
7 “Porque há esperança para a árvore, pois, mesmo cortada, voltará a brotar, e não cessarão os seus rebentos.
8 Indien zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof versterft;
8 Se as suas raízes envelhecerem na terra, e o seu tronco morrer no chão,
9 Hij zal van den reuk der wateren weder uitspruiten, en zal een tak maken, gelijk een plant.
9 ao cheiro das águas brotará e dará ramos como a planta nova.
10 Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?
10 Mas, se alguém morre, fica prostrado; o ser humano expira e para onde vai?”
11 De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;
11 “Como as águas do lago evaporam, e o rio se esgota e seca,
12 Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.
12 assim o ser humano se deita e não se levanta; enquanto existirem os céus, não acordará, nem será despertado do seu sono.”
13 Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!
13 “Quem dera me escondesses na sepultura e me ocultasses até que a tua ira passasse! Quem dera me fixasses um prazo e depois te lembrasses de mim!
14 Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou.
14 Quando alguém morre, será que volta a viver? Todos os dias da minha luta esperaria, até que viesse a minha mudança.
15 Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.
15 Tu me chamarias, e eu te responderia; terias saudades da obra das tuas mãos;
16 Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.
16 e até contarias os meus passos e não levarias em conta os meus pecados.
17 Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld, en Gij pakt mijn ongerechtigheid opeen.
17 A minha transgressão estaria selada num saco, e terias encoberto as minhas iniquidades.”
18 En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;
18 “Mas como o monte que desmorona e se desfaz, e a rocha que se move do seu lugar,
19 De wateren vermalen de stenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; alzo verderft Gij de verwachting des mensen.
19 como as águas gastam as pedras, e as cheias levam o pó da terra, assim destróis a esperança humana.
20 Gij overweldigt hem in eeuwigheid, en hij gaat heen; veranderende zijn gelaat, zo zendt Gij hem weg.
20 Tu prevaleces para sempre contra o ser humano, e ele passa; mudas o semblante dele e o despedes.
21 Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.
21 Os seus filhos recebem honras, e ele não sabe; são humilhados, e ele não percebe.
22 Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.
22 Ele sente as dores apenas de seu próprio corpo, e a sua alma lamenta apenas por si mesma.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Jó 14, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.