1 Crônicas 2

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
1 Estes foram filhos de Israel: Rúben, Simeão, Levi, Judá, Issacar, Zebulom,
2 Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
2 Dã, José, Benjamim, Naftali, Gade e Aser.
3 De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaanietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen des HEEREN; daarom doodde Hij hem.
3 Os filhos de Judá foram: Er, Onã e Selá; estes três lhe nasceram de Bate-Sua, a cananeia. Er, o primogênito de Judá, foi mau aos olhos do Senhor , e por isso o Senhor o matou.
4 Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.
4 Porém Tamar, nora de Judá, lhe deu à luz Perez e Zera. Todos os filhos de Judá foram cinco.
5 De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.
5 Os filhos de Perez foram: Hezrom e Hamul.
6 En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.
6 Os filhos de Zera foram: Zinri, Etã, Hemã, Calcol e Dara, cinco ao todo.
7 En de kinderen van Charmi waren Achan, de beroerder van Israel, die zich aan het verbannene vergreep.
7 Os filhos de Carmi foram: Acar, o perturbador de Israel, que pecou na coisa condenada.
8 De kinderen van Ethan nu waren Azaria.
8 O filho de Etã foi Azarias.
9 En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.
9 Os filhos de Hezrom, que lhe nasceram, foram: Jerameel, Rão e Quelubai.
10 Ram nu gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahesson, den vorst der kinderen van Juda;
10 Rão gerou Aminadabe; Aminadabe gerou Naassom, príncipe dos filhos de Judá;
11 En Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz.
11 Naassom gerou Salma, e Salma gerou Boaz;
12 En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isai,
12 Boaz gerou Obede, e Obede gerou Jessé;
13 En Isai gewon Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, den tweede, en Simea, den derde,
13 Jessé gerou Eliabe, seu primogênito, Abinadabe, o segundo, Simeia, o terceiro,
14 Nethaneel, den vierde, Raddai, den vijfde,
14 Natanael, o quarto, Radai, o quinto,
15 Ozem, den zesde, David, den zevende.
15 Ozém, o sexto, e Davi, o sétimo.
16 En hun zusters waren Zeruja en Abigail. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El drie.
16 As irmãs destes foram Zeruia e Abigail. Os filhos de Zeruia foram três: Abisai, Joabe e Asael.
17 En Abigail baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaeliet.
17 Abigail deu à luz Amasa; e o pai de Amasa foi Jéter, o ismaelita.
18 Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.
18 Calebe, filho de Hezrom, gerou filhos de Azuba, sua mulher, e de Jeriote; os filhos desta foram: Jeser, Sobabe e Ardom.
19 Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.
19 Azuba morreu, e Calebe tomou para si Efrata, da qual lhe nasceu Hur.
20 En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezaleel.
20 Hur gerou Uri, e Uri gerou Bezalel.
21 Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.
21 Então Hezrom teve relações com a filha de Maquir, pai de Gileade; ele tinha sessenta anos de idade quando a tomou, e ela deu à luz Segube.
22 Segub nu gewon Jair; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead.
22 Segube gerou Jair, que teve vinte e três cidades na terra de Gileade.
23 En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken van Jair, van dezelve, met Kenath, en haar onderhorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, den vader van Gilead.
23 Gesur e Arã tomaram as aldeias de Jair, juntamente com Quenate e as suas aldeias, a saber, sessenta lugares; todos estes foram filhos de Maquir, pai de Gileade.
24 En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekoa.
24 Depois da morte de Hezrom, em Calebe-Efrata, Abia, mulher de Hezrom, lhe deu à luz Azur, pai de Tecoa.
25 De kinderen van Jerahmeel nu, den eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia.
25 Os filhos de Jerameel, primogênito de Hezrom, foram: Rão, o primogênito, Buna, Orém, Ozém e Aías.
26 Jerahmeel had nog een andere vrouw, welker naam was Atara; zij was de moeder van Onam.
26 Jerameel teve outra mulher, cujo nome era Atara; esta foi a mãe de Onã.
27 En de kinderen van Ram, den eerstgeborene van Jerahmeel waren Maaz, en Jamin, en Eker.
27 Os filhos de Rão, primogênito de Jerameel, foram: Maaz, Jamim e Equer.
28 En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.
28 Os filhos de Onã foram: Samai e Jada; e os filhos de Samai foram: Nadabe e Abisur.
29 De naam nu der huisvrouw van Abisur was Abihail: die baarde hem Achban en Molid.
29 A mulher de Abisur chamava-se Abiail e lhe deu à luz Abã e Molide.
30 En de kinderen van Nadab waren Seled en Appaim; en Seled stierf zonder kinderen.
30 Os filhos de Nadabe foram: Selede e Apaim; e Selede morreu sem filhos.
31 En de kinderen van Appaim waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.
31 O filho de Apaim foi Isi; o filho de Isi foi Sesã. E o filho de Sesã foi Alai.
32 En de kinderen van Jada, den broeder van Sammai, waren Jether en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.
32 Os filhos de Jada, irmão de Samai, foram: Jéter e Jônatas; e Jéter morreu sem filhos.
33 De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.
33 Os filhos de Jônatas foram: Pelete e Zaza; estes foram os filhos de Jerameel.
34 En Sesan had geen zonen, maar dochteren. En Sesan had een Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha.
34 Sesã não teve filhos, mas filhas; e Sesã tinha um servo egípcio, cujo nome era Jara.
35 Sesan nu gaf zijn dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai.
35 Sesã deu sua filha por mulher a Jara, a quem ela deu à luz Atai.
36 Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad,
36 Atai gerou Natã, e Natã gerou Zabade.
37 En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,
37 Zabade gerou Eflal, e Eflal gerou Obede.
38 En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria,
38 Obede gerou Jeú, e Jeú gerou Azarias.
39 En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,
39 Azarias gerou Heles, e Heles gerou Eleasa.
40 En Elasa gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum,
40 Eleasa gerou Sismai, e Sismai gerou Salum.
41 En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama.
41 Salum gerou Jecamias, e Jecamias gerou Elisama.
42 De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.
42 O primogênito de Calebe, irmão de Jerameel, foi Maressa, que foi o pai de Zife; o filho de Maressa foi Abi-Hebrom.
43 De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.
43 Os filhos de Hebrom foram: Coré, Tapua, Requém e Sema.
44 Sema nu gewon Raham, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.
44 Sema gerou Raão, pai de Jorqueão; e Requém gerou Samai.
45 De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.
45 O filho de Samai foi Maom; e Maom foi o pai de Bete-Zur.
46 En Efa, het bijwijf van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.
46 Efá, a concubina de Calebe, deu à luz Harã, Mosa e Gazez; e Harã gerou Gazez.
47 De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saaf.
47 Os filhos de Jadai foram: Regém, Jotão, Gesã, Pelete, Efá e Saafe.
48 Uit het bijwijf Maacha gewon Kaleb: Seber en Tirhana.
48 De Maaca, sua concubina, Calebe gerou Seber e Tiraná.
49 En de huisvrouw van Saaf, den vader van Madmanna, baarde Seva, den vader van Machbena, en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.
49 Maaca deu à luz também Saafe, pai de Madmana, e Seva, pai de Macbena e de Gibeá; e Acsa foi filha de Calebe.
50 Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jearim;
50 Estes foram os filhos de Calebe. Os filhos de Hur, primogênito de Efrata, foram: Sobal, pai de Quiriate-Jearim,
51 Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.
51 Salma, pai dos belemitas, e Harefe, pai de Bete-Gader.
52 De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth.
52 Os filhos de Sobal, pai de Quiriate-Jearim, foram: Haroé e Hazi-Hamenuote.
53 En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.
53 As famílias de Quiriate-Jearim foram: os itritas, os puítas, os sumateus e os misraeus; destes procederam os zoratitas e os estaoleus.
54 De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft der Manathieten, en de Zorieten.
54 Os filhos de Salma foram: Belém e os netofatitas, Atrote-Bete-Joabe e Hazi-Hamanaate, zoreu.
55 En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.
55 As famílias dos escribas que habitavam em Jabez foram os tiratitas, os simeatitas e os sucatitas; estes são os queneus, que vieram de Hamate, pai da casa de Recabe.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Crônicas 2, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.