1 Crônicas 2

Dutch (DUTCH) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
1 São estes os filhos de Israel: Rúben, Simeão, Levi, Judá, Issacar, Zebulom,
2 Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
2 Dã, José, Benjamim, Naftali, Gade e Aser.
3 De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaanietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen des HEEREN; daarom doodde Hij hem.
3 Os filhos de Judá: Er, Onã e Selá; estes três lhe nasceram de Bate-Sua, a cananeia. Er, o primogênito de Judá, foi mau aos olhos do Senhor , pelo que o matou.
4 Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.
4 Porém Tamar, nora de Judá, lhe deu à luz a Perez e a Zera. Todos os filhos de Judá foram cinco.
5 De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.
5 Os filhos de Perez: Hezrom e Hamul.
6 En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.
6 Os filhos de Zera: Zinri, Etã, Hemã, Calcol e Dara, cinco ao todo.
7 En de kinderen van Charmi waren Achan, de beroerder van Israel, die zich aan het verbannene vergreep.
7 Os filhos de Carmi: Acar, o perturbador de Israel, que pecou na coisa condenada.
8 De kinderen van Ethan nu waren Azaria.
8 O filho de Etã: Azarias.
9 En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.
9 Os filhos de Hezrom, que lhe nasceram: Jerameel, Rão e Quelubai.
10 Ram nu gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahesson, den vorst der kinderen van Juda;
10 Rão gerou a Aminadabe; Aminadabe gerou a Naassom, príncipe dos filhos de Judá;
11 En Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz.
11 Naassom gerou a Salma, e Salma gerou a Boaz;
12 En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isai,
12 Boaz gerou a Obede, e Obede gerou a Jessé;
13 En Isai gewon Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, den tweede, en Simea, den derde,
13 Jessé gerou a Eliabe, seu primogênito, a Abinadabe, o segundo, a Simeia, o terceiro,
14 Nethaneel, den vierde, Raddai, den vijfde,
14 a Natanael, o quarto, a Radai, o quinto,
15 Ozem, den zesde, David, den zevende.
15 a Ozém, o sexto, e a Davi, o sétimo.
16 En hun zusters waren Zeruja en Abigail. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El drie.
16 As irmãs destes foram Zeruia e Abigail. Os filhos de Zeruia foram três: Abisai, Joabe e Asael.
17 En Abigail baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaeliet.
17 Abigail deu à luz a Amasa; e o pai de Amasa foi Jéter, o ismaelita.
18 Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.
18 Calebe, filho de Hezrom, gerou filhos de Azuba, sua mulher, e de Jeriote; foram estes os filhos desta: Jeser, Sobabe e Ardom.
19 Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.
19 Morreu Azuba; e Calebe tomou para si a Efrata, da qual lhe nasceu Hur.
20 En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezaleel.
20 Hur gerou a Uri, e Uri gerou a Bezalel.
21 Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.
21 Então, Hezrom coabitou com a filha de Maquir, pai de Gileade; tinha ele sessenta anos quando a tomou, e ela deu à luz a Segube.
22 Segub nu gewon Jair; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead.
22 Segube gerou a Jair, que teve vinte e três cidades na terra de Gileade.
23 En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken van Jair, van dezelve, met Kenath, en haar onderhorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, den vader van Gilead.
23 Gesur e Arã tomaram as aldeias de Jair, juntamente com Quenate e suas aldeias, a saber, sessenta lugares; todos estes foram filhos de Maquir, pai de Gileade.
24 En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekoa.
24 Depois da morte de Hezrom, em Calebe-Efrata, Abia, mulher de Hezrom, lhe deu a Azur, pai de Tecoa.
25 De kinderen van Jerahmeel nu, den eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia.
25 Os filhos de Jerameel, primogênito de Hezrom, foram: Rão, o primogênito, Buna, Orém, Ozém e Aías.
26 Jerahmeel had nog een andere vrouw, welker naam was Atara; zij was de moeder van Onam.
26 Teve Jerameel outra mulher, cujo nome era Atara; esta foi a mãe de Onã.
27 En de kinderen van Ram, den eerstgeborene van Jerahmeel waren Maaz, en Jamin, en Eker.
27 Os filhos de Rão, primogênito de Jerameel, foram: Maaz, Jamim e Equer.
28 En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.
28 Foram os filhos de Onã: Samai e Jada; e os filhos de Samai: Nadabe e Abisur.
29 De naam nu der huisvrouw van Abisur was Abihail: die baarde hem Achban en Molid.
29 A mulher de Abisur chamava-se Abiail e lhe deu a Abã e a Molide.
30 En de kinderen van Nadab waren Seled en Appaim; en Seled stierf zonder kinderen.
30 Os filhos de Nadabe: Selede e Apaim; e Selede morreu sem filhos.
31 En de kinderen van Appaim waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.
31 O filho de Apaim: Isi; o filho de Isi: Sesã. E o filho de Sesã: Alai.
32 En de kinderen van Jada, den broeder van Sammai, waren Jether en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.
32 Os filhos de Jada, irmão de Samai, foram: Jéter e Jônatas; e Jéter morreu sem filhos.
33 De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.
33 Os filhos de Jônatas: Pelete e Zaza; estes foram os filhos de Jerameel.
34 En Sesan had geen zonen, maar dochteren. En Sesan had een Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha.
34 Sesã não teve filhos, mas filhas; e tinha Sesã um servo egípcio, cujo nome era Jara.
35 Sesan nu gaf zijn dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai.
35 Deu, pois, Sesã sua filha por mulher a Jara, a quem ela deu à luz Atai.
36 Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad,
36 Atai gerou a Natã, e Natã gerou a Zabade.
37 En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,
37 Zabade gerou a Eflal, e Eflal, a Obede.
38 En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria,
38 Obede gerou a Jeú, e Jeú, a Azarias.
39 En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,
39 Azarias gerou a Heles, e Heles, a Eleasa.
40 En Elasa gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum,
40 Eleasa gerou a Sismai, e Sismai, a Salum.
41 En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama.
41 Salum gerou a Jecamias, e Jecamias, a Elisama.
42 De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.
42 O primogênito de Calebe, irmão de Jerameel, foi Maressa, que foi o pai de Zife; o filho de Maressa foi Abi-Hebrom.
43 De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.
43 Os filhos de Hebrom: Coré, Tapua, Requém e Sema.
44 Sema nu gewon Raham, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.
44 Sema gerou a Raão, pai de Jorqueão; e Requém gerou a Samai.
45 De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.
45 O filho de Samai foi Maom; e Maom foi o pai de Bete-Zur.
46 En Efa, het bijwijf van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.
46 Efá, a concubina de Calebe, deu à luz a Harã, a Mosa e a Gazez; e Harã gerou a Gazez.
47 De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saaf.
47 Os filhos de Jadai: Regém, Jotão, Gesã, Pelete, Efá e Saafe.
48 Uit het bijwijf Maacha gewon Kaleb: Seber en Tirhana.
48 De Maaca, concubina, gerou Calebe a Seber e a Tiraná;
49 En de huisvrouw van Saaf, den vader van Madmanna, baarde Seva, den vader van Machbena, en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.
49 Maaca deu à luz também a Saafe, pai de Madmana, e a Seva, pai de Macbena e de Gibeá; e Acsa foi filha de Calebe.
50 Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jearim;
50 Estes foram os filhos de Calebe. Os filhos de Hur, primogênito de Efrata, foram: Sobal, pai de Quiriate-Jearim,
51 Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.
51 Salma, pai dos belemitas, e Harefe, pai de Bete-Gader.
52 De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth.
52 Os filhos de Sobal, pai de Quiriate-Jearim, foram: Haroé e Hazi-Hamenuote.
53 En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.
53 As famílias de Quiriate-Jearim foram: os itritas, os puteus, os sumateus e os misraeus; destes procederam os zoratitas e os estaoleus.
54 De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft der Manathieten, en de Zorieten.
54 Os filhos de Salma: Belém e os netofatitas, Atrote-Bete-Joabe e Hazi-Hamanaate, zoreu.
55 En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.
55 As famílias dos escribas que habitavam em Jabez foram os tiratitas, os simeatitas e os sucatitas; são estes os queneus, que vieram de Hamate, pai da casa de Recabe.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar 1 Crônicas 2, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.