Mateus 24

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 En Jezus ging uit den tempel en vertrok. En zijn discipelen kwamen om Hem de gebouwen des tempels te toonen.
1 Jesus saiu do templo e, enquanto caminhava, os seus discípulos se aproximaram para lhe mostrar as construções do templo.
2 Doch Hij antwoordde en zeide tot hen: Ziet gij niet dit alles? Voorwaar Ik zeg u, hier zullen geen twee steenen op malkander gelaten worden, die niet zullen afgebroken worden.
2 Ele, porém, lhes disse:
3 En toen Hij op den Berg der Olijven zat, kwamen de discipelen tot Hem afzonderlijk, zeggende: Zeg ons, wanneer zal dit zijn? en wat is het teeken van uw toekomst en van de voleinding der eeuw?
3 Jesus estava sentado no monte das Oliveiras quando os discípulos se aproximaram dele e, em particular, lhe pediram: — Diga-nos quando essas coisas vão acontecer e que sinal haverá da sua vinda e do fim dos tempos.
4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ziet toe, dat niemand u verleide!
4 E Jesus respondeu:
5 Want velen zullen komen onder mijn Naam, zeggende: Ik hen de Christus; en velen zullen zij verleiden.
5 Porque muitos virão em meu nome, dizendo: “Eu sou o Cristo”; e enganarão a muitos.
6 En gij zult hooren van oorlogen en oorlogsgeruchten! Ziet toe en verschrikt niet! want dit moet geschieden, maar nog is het einde er niet.
6 E vocês ouvirão falar de guerras e rumores de guerras. Fiquem atentos e não se assustem, porque é necessário que isso aconteça, mas ainda não é o fim.
7 Want het eene volk zal opstaan tegen het andere, en het eene koninkrijk tegen het andere, en er zullen allerwege hongersnooden, en pest, en aardbevingen zijn.
7 Porque nação se levantará contra nação, e reino, contra reino. Haverá fomes e terremotos em vários lugares.
8 En dit alles is maar een begin van de smarten.
8 Porém todas essas coisas são o princípio das dores.
9 Dan zal men u overleveren tot verdrukking, en men zal u dooden, en gij zult gehaat zijn door al de volken, om mijns Naams wil.
9 — Vocês serão entregues para serem maltratados e eles os matarão. Vocês serão odiados por todas as nações por causa do meu nome.
10 En dan zullen velen geërgerd worden, malkander overleveren en malkander haten.
10 Nesse tempo, muitos hão de se escandalizar, trair e odiar uns aos outros.
11 En vele valsche profeten zullen verwekt worden en die zullen velen verleiden.
11 Muitos falsos profetas se levantarão e enganarão a muitos.
12 En door het toenemen der goddeloosheid zal de liefde van velen verminderen.
12 E, por se multiplicar a maldade, o amor se esfriará de quase todos.
13 Maar wie zal volharden tot het einde, die zal behouden worden.
13 Aquele, porém, que ficar firme até o fim, esse será salvo.
14 En dit Evangelie des koninkrijks zal gepredikt worden over de geheele aarde, tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.
14 E será pregado este evangelho do Reino por todo o mundo, para testemunho a todas as nações. Então virá o fim.
15 Wanneer gij dan den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël den profeet, zult zien staan in de heilige plaats (die het leest lette er op!):
15 — Quando, pois, vocês virem, situado no lugar santo, o abominável da desolação de que falou o profeta Daniel (quem lê entenda),
16 dat alsdan degenen die in Judea zijn, vluchten op de bergen.
16 então os que estiverem na Judeia fujam para os montes.
17 Die op het dak is, kome dan niet af om weg te nemen wat in zijn huis is,
17 Quem estiver no terraço não desça para tirar de casa alguma coisa.
18 en die op den akker is, keere niet terug om zijn kleed weg te nemen.
18 E quem estiver no campo não volte atrás para buscar a sua capa.
19 Maar wee den zwangeren en den zogenden in die dagen!
19 Ai das que estiverem grávidas e das que amamentarem naqueles dias!
20 En bidt dat uw vlucht niet geschiede des winters of op een sabbat.
20 Orem para que a fuga de vocês não aconteça no inverno, nem no sábado.
21 Want alsdan zal de verdrukking groot zijn, zooals er geen is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en er ook geen zijn zal.
21 Porque nesse tempo haverá grande tribulação, como nunca houve desde o princípio do mundo até agora e nunca jamais haverá.
22 En wanneer die dagen niet verkort waren, zou er niet één mensch behouden worden; maar om de uitverkorenen zullen die dagen verkort worden.
22 Não tivessem aqueles dias sido abreviados, ninguém seria salvo; mas, por causa dos escolhidos, tais dias serão abreviados.
23 Zoo iemand dan tot u zegt: Ziet, hier de Christus! of daar! — gelooft het niet.
23 — Então, se alguém disser a vocês: “Olhem! Aqui está o Cristo!” ou: “Ali está ele!”, não acreditem.
24 Want er zullen schijnchristussen en schijnprofeten opstaan, en die zullen groote teekenen en mirakelen doen, zoodat zij zelfs, als het mogelijk was, de uitverkorenen zouden in doling brengen.
24 Porque surgirão falsos cristos e falsos profetas, operando grandes sinais e prodígios, para enganar, se possível, os próprios eleitos.
25 Ziet, Ik heb het u voorzegd!
25 Eis que tenho predito isso a vocês.
26 Zoo zij dan tot u zeggen: Ziet, in de woestijn is Hij! gaat dan niet uit. Ziet, in de binnenkameren! gelooft het niet.
26 Portanto, se disserem a vocês: “Eis que ele está no deserto!”, não vão lá. Ou, se disserem: “Eis que ele está no interior da casa!”, não acreditem.
27 Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten en schijnt tot het westen, alzoo zal de toekomst zijn van den Zoon des menschen.
27 Porque, assim como o relâmpago sai do Oriente e brilha até o Ocidente, assim será a vinda do Filho do Homem.
28 Want waar het lijk is, daar zullen de arenden vergaderd worden.
28 Onde estiver o cadáver, aí se ajuntarão os abutres.
29 En terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar licht niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen beroerd worden.
29 — Logo em seguida à tribulação daqueles dias, o sol escurecerá, a lua não dará a sua claridade, as estrelas cairão do firmamento e os poderes dos céus serão abalados.
30 En dan zal het teeken van den Zoon des menschen verschijnen aan den hemel, en al de geslachten der aarde zullen weenen en den Zoon des menschen zien komen op de wolken des hemels met kracht en veel glorie.
30 Então aparecerá no céu o sinal do Filho do Homem. Todos os povos da terra se lamentarão e verão o Filho do Homem vindo sobre as nuvens do céu, com poder e grande glória.
31 En Hij zal zijn engelen uitzenden met sterk bazuingeluid, en die zullen zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier windstreken, van het ééne einde der hemelen tot het andere.
31 E ele enviará os seus anjos, com grande som de trombeta, os quais reunirão os seus escolhidos dos quatro ventos, de uma a outra extremidade dos céus.
32 Leert dan van den vijgeboom deze gelijkenis: Zoodra zijn tak zacht wordt en de bladeren uitbotten, weet gij dat de zomer nabij is.
32 — Aprendam a parábola da figueira: quando já os seus ramos se renovam e as folhas brotam, vocês sabem que o verão está próximo.
33 Alzoo ook gij, als gij dit alles ziet, dan weet gij dat Hij nabij is, vóór de deur.
33 Assim, também vocês, quando virem todas estas coisas, saibam que está próximo, às portas.
34 Voorwaar Ik zeg u, dat deze natie niet zal voorbijgaan totdat dit alles zal geschied zijn.
34 Em verdade lhes digo que não passará esta geração sem que tudo isto aconteça.
35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.
35 Passará o céu e a terra, porém as minhas palavras não passarão.
36 Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, maar wel mijn Vader alleen.
36 — Mas a respeito daquele dia e hora ninguém sabe, nem os anjos dos céus, nem o Filho, senão o Pai.
37 En gelijk de dagen van Noach, alzoo zal de toekomst van den Zoon des menschen zijn.
37 Pois assim como foi nos dias de Noé, assim será também a vinda do Filho do Homem.
38 Want gelijk zij waren in de dagen vóór den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk gevende, tot op den dag zelven dat Noach naar de ark ging,
38 Pois assim como nos dias anteriores ao dilúvio comiam e bebiam, casavam e davam-se em casamento, até o dia em que Noé entrou na arca,
39 en het niet begrepen, totdat de zondvloed kwam en allen wegnam, — alzoo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen.
39 e não o perceberam, até que veio o dilúvio e os levou a todos, assim será também a vinda do Filho do Homem.
40 Dan zullen er twee zijn op den akker; de een wordt medegenomen en de ander achtergelaten.
40 Então dois estarão no campo: um será levado, e o outro será deixado;
41 Twee zullen er malen in den molen; de eene wordt medegenomen en de andere achtergelaten.
41 duas mulheres estarão trabalhando num moinho: uma será levada, e a outra será deixada.
42 Waakt dus, want gij weet niet op welken dag uw Heer komt.
42 — Portanto, vigiem, porque vocês não sabem em que dia virá o Senhor de vocês.
43 Maar dit verstaat gij, dat, als de heer des huizes geweten had in welke nachtwake de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben en niet toegelaten dat zijn huis doorgraven werd.
43 Porém, considerem isto: se o pai de família soubesse a que hora viria o ladrão, vigiaria e não deixaria que a sua casa fosse arrombada.
44 Daarom, zijt ook gij bereid, want in een ure waarin gij het niet meent, komt de Zoon des menschen.
44 Por isso, estejam também vocês preparados, porque o Filho do Homem virá à hora em que vocês menos esperam.
45 Wie is toch de getrouwe en verstandige dienst knecht, dien de heer heeft gesteld over zijn huisgezin, om hun voedsel te geven op zijn tijd?
45 — Quem é, pois, o servo fiel e prudente, a quem o senhor deixou encarregado dos demais servos, para lhes dar o sustento a seu tempo?
46 Zalig die dienstknecht, wien zijn heer, als hij komt, zal vinden alzoo doende!
46 Bem-aventurado aquele servo a quem seu senhor, quando vier, achar fazendo assim.
47 Voorwaar Ik zeg u, dat hij hem zal stellen over al zijn goederen.
47 Em verdade lhes digo que lhe confiará todos os seus bens.
48 Maar wanneer die booze dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft!
48 Mas o que acontecerá se aquele servo, sendo mau, disser consigo mesmo: “Meu senhor demora para vir”,
49 en hij begint zijn mededienstknechten te slaan, en hij eet en drinkt met de dronkaards;
49 e começar a espancar os seus companheiros e a comer e beber com os bêbados?
50 dan zal de heer van dien dienstknecht komen op een dag waarop hij het niet verwacht, en in een ure waarin hij het niet meent,
50 Virá o senhor daquele servo, em dia em que não o espera e em hora que não sabe,
51 en hij zal hem in stukken houwen, en zijn deel stellen met de geveinsden. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
51 e irá aplicar-lhe um castigo severo, condenando-o com os hipócritas. Ali haverá choro e ranger de dentes.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 24, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.