João 10

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs BKJ

Sair da comparação
1 Voorwaar, voorwaar Ik zeg ulieden: Die niet ingaat door de deur naar den schaapstal, maar inklimt van elders, die is een dief en moordenaar.
1 Na verdade, na verdade, eu vos digo: Aquele que não entra pela porta no aprisco das ovelhas, mas sobe por outros caminhos, esse é ladrão e salteador.
2 Maar die ingaat door de deur, is een herder der schapen.
2 Mas o que entra pela porta é o pastor das ovelhas.
3 Aan dezen doet de deurwachter open, en de schapen hooren zijn stem, en zijn eigen schapen roept hij bij name en leidt ze uit.
3 A este o porteiro abre, e as ovelhas ouvem a sua voz; e ele chama as suas próprias ovelhas pelo nome, e as conduz para fora.
4 En als hij zijn eigen schapen uitgedreven heeft, dan gaat hij vóór hen, en de schapen volgen hem, omdat ze zijn stem kennen.
4 E, quando ele coloca para fora as suas ovelhas, vai adiante delas, e as ovelhas o seguem, porque elas conhecem a sua voz.
5 Een vreemdeling nu zullen zij niet volgen, maar zij zullen van hem vluchten, omdat zij de stem der vreemdelingen niet kennen.
5 E não seguirão um estranho, mas fugirão dele; porque elas não conhecem a voz dos estranhos.
6 Deze gelijkenis sprak Jezus tot hen, maar zij verstonden niet wat het was, waarover Hij tot hen sprak.
6 Jesus falava-lhes esta parábola; mas eles não compreendiam as coisas que ele lhes falava.
7 Jezus dan zeide: Voorwaar, voorwaar Ik zeg ulieden: Ik ben de Deur der schapen!
7 Então disse-lhes Jesus novamente: Na verdade, na verdade, eu vos digo: Eu sou a porta das ovelhas.
8 Allen, zooveel als er vóór Mij gekomen zijn, die zijn dieven en moordenaars, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord.
8 Todos quantos vieram antes de mim são ladrões e salteadores; mas as ovelhas não os ouviram.
9 Ik ben de Deur; als iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden, en hij zal ingaan, en uitgaan, en weide vinden.
9 Eu sou a porta; se algum homem entrar por mim, ele será salvo, e entrará e sairá, e achará pastagens.
10 De dief komt niet dan om te stelen, en te slachten, en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed hebben.
10 O ladrão não vem senão para roubar, matar e destruir; eu vim para que tenham vida e a tenham em abundância.
11 Ik ben de Goede Herder; de goede herder legt zijn leven af voor de schapen.
11 Eu sou o bom pastor; o bom pastor dá a sua vida pelas ovelhas.
12 Maar de daglooner, en die geen herder is, aan wien de schapen niet toebehooren, ziet den wolf aankomen, en verlaat de schapen, en vlucht; en de wolf rooft en verjaagt de schapen.
12 Mas o que é mercenário, e não pastor, de quem não são as ovelhas, vê o lobo vindo, e deixa as ovelhas, e foge; e o lobo as apanha, e dispersa as ovelhas.
13 En de daglooner vlucht omdat hij daglooner is en zich de schapen niet aantrekt.
13 O mercenário foge, porque ele é mercenário, e não cuida das ovelhas.
14 Ik ben de Goede Herder, en Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij,
14 Eu sou o bom pastor, e conheço as minhas ovelhas, e das minhas sou conhecido.
15 zooals de Vader Mij kent en Ik den Vader ken; en mijn leven leg Ik af voor de schapen.
15 Assim como o Pai me conhece, também eu conheço o Pai; e eu dou a minha vida pelas ovelhas.
16 Nog andere schapen heb Ik, die niet zijn uit dezen stal; ook die moet ik toebrengen, en mijn stem zullen zij hooren, en het zal worden één kudde, één Herder.
16 E eu tenho outras ovelhas que não são deste aprisco; a essas também me importa conduzir, e elas ouvirão a minha voz; e haverá um rebanho, e um pastor.
17 Daarom bemint de Vader Mij, omdat Ik mijn leven afleg, opdat Ik het wederom neme.
17 Por isto o meu Pai me ama, porque dou a minha vida para que possa tomá-la novamente.
18 Niemand neemt het van Mij af, maar Ik leg het van Mij zelven af; Ik heb macht om het af te leggen, en Ik heb macht om het wederom te nemen; dit gebod heb Ik ontvangen van mijn Vader.
18 Nenhum homem a tira de mim, mas eu de mim mesmo a dou. Eu tenho poder para a dar, e eu tenho poder para tomá-la novamente. Esse mandamento eu recebi de meu Pai.
19 Wederom kwam er tweedracht onder de Joden om deze woorden.
19 Houve, pois, novamente uma divisão entre os judeus por causa dessas palavras.
20 Velen dan uit hen zeiden: Hij heeft een boozen geest en is zot: Wat luistert gij naar Hem?
20 E muitos deles diziam: Ele tem demônio e é louco, por que o escutais?
21 Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden van een bezetene! een booze geest kan toch niet der blinden oogen openen?
21 Outros diziam: Essas palavras não são de quem tem demônio. Pode um demônio abrir os olhos dos cegos?
22 En het was het feest der tempelwijding in Jerusalem; het was winter.
22 E celebrava-se em Jerusalém a festa da dedicação, e era inverno.
23 En Jezus wandelde in den tempel, in de gaanderij van Salomo.
23 E Jesus caminhava no templo, no pórtico de Salomão.
24 De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem: Tot wanneer houdt Gij onze ziel in twijfel? Als Gij de Christus zijt, zeg het ons dan vrij uit!
24 Então, vindo os judeus o rodearam, e disseram-lhe: Até quando tu irás deixar-nos em dúvida? Se tu és o Cristo, dize-nos claramente.
25 Jezus antwoordde: Ik heb tot u gesproken, en gij gelooft niet; de werken die Ik doe in den Naam mijns Vaders, die getuigen van Mij.
25 Respondeu-lhes Jesus: Já vos tenho dito, e não o credes; as obras que eu faço em nome de meu Pai, essas testemunham de mim.
26 Maar gij gelooft niet, omdat gij niet van mijn schapen zijt.
26 Mas vós não credes, porque não sois das minhas ovelhas, como eu já vos tenho dito.
27 Mijn schapen hooren naar mijn stem, en Ik ken ze, en zij volgen Mij,
27 As minhas ovelhas ouvem a minha voz, e eu as conheço, e elas me seguem;
28 en Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze rooven uit mijn hand.
28 e dou-lhes a vida eterna, e nunca hão de perecer, e nenhum homem as arrancará da minha mão.
29 Mijn Vader die ze Mij gegeven heeft, is meer dan allen, en niemand kan ze rooven uit de hand mijns Vaders.
29 Meu Pai, que as deu a mim, é maior do que todos; e nenhum homem pode arrancá-las da mão de meu Pai.
30 Ik en de Vader zijn één.
30 Eu e o meu Pai somos um.
31 De Joden namen wederom steenen op om Hem te steenigen.
31 Então, os judeus pegaram outra vez pedras para o apedrejarem.
32 Jezus antwoordde hun: Veel goede werken heb Ik ulieden getoond uit mijn Vader, om welk werk van die steenigt gij Mij?
32 Respondeu-lhes Jesus: Muitas obras boas da parte de meu Pai eu vos tenho mostrado; por qual dessas obras me apedrejais?
33 De Joden antwoordden Hem: Om een goed werk steenigen wij U niet, maar om lastering, en omdat Gij, die een mensch zijt, U zelven God maakt!;
33 Os judeus responderam, dizendo-lhe: Não te apedrejamos por alguma obra boa, mas pela blasfêmia, porque, sendo tu homem, te fazes Deus.
34 Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw, wet: Ik heb gezegd, gij zijt goden?
34 Respondeu-lhes Jesus: Não está escrito na vossa lei: Eu disse: Vós sois deuses?
35 Als de wet dan die goden noemde, tot wie Gods woord: geschiedde, en de Schrifture niet kan gebroken worden,
35 Se ele os chamou de deuses a quem veio a palavra de Deus, e a escritura não pode ser anulada,
36 zegt gij dan tot Hem, dien de Vader heeft geheiligd en tot de wereld gezonden: Gij lastert! omdat Ik gezegd heb: Gods Zoon ben Ik?
36 àquele a quem o Pai santificou, e enviou ao mundo, dizeis vós: Tu blasfemas, porque eu disse: Eu sou filho de Deus?
37 Als Ik de werken mijns Vaders niet doe, gelooft in Mij dan niet.
37 Se eu não faço as obras de meu Pai, não acrediteis em mim.
38 Maar als Ik ze doe en gij gelooft in Mij niet, gelooft dan in de werken, opdat gij moogt weten en gelooven dat de Vader in Mij is en Ik in den Vader.
38 Mas, se as faço, ainda que não creiais em mim, crede nas obras; para que saibais e creiais que o Pai está em mim, e eu, nele.
39 Zij zochten Hem dan te grijpen, en Hij ontkwam uit hun hand.
39 Por isso, eles procuravam novamente prendê-lo; mas ele escapou de suas mãos,
40 En Hij ging wederom over den Jordaan naar de plaats waar Johannes eerst, doopende was, en Hij bleef aldaar.
40 e retirou-se novamente para além do Jordão, para o lugar onde João batizava no princípio, e ali ele permaneceu.
41 En velen kwamen tot Hem en zeiden: Johannes deed wel geen mirakel, maar alles wat Johannes van dezen zeide, was waar.
41 E muitos recorriam a ele e diziam: João não fez milagre algum, mas todas as coisas que João falava sobre este homem eram verdadeiras.
42 En velen geloofden aldaar in Hem.
42 E muitos ali creram nele.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 10, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.