Hebreus 1

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Nadat God oudtijds veelmaal en op velerlei manieren gesproken had tot de vaderen in de profeten, heeft Hij op het laatst dezer dagen tot ons gesproken in den Zoon,
1 Antigamente, Deus falou, muitas vezes e de muitas maneiras, aos pais, pelos profetas,
2 dien Hij heeft gesteld tot erfgenaam van alle dingen, door wien Hij ook de eeuwen gemaakt heeft;
2 mas, nestes últimos dias, nos falou pelo Filho, a quem constituiu herdeiro de todas as coisas e pelo qual também fez o universo.
3 die— de glans van Gods glorie zijnde en de uitdrukking van zijn wezen, en alle dingen dragende door het woord zijner kracht, nadat Hij de reiniging der zonden had aangebracht— gezeten is aan de rechterhand der Majesteit in het allerhoogste;
3 O Filho, que é o resplendor da glória de Deus e a expressão exata do seu Ser, sustentando todas as coisas pela sua palavra poderosa, depois de ter feito a purificação dos pecados, assentou-se à direita da Majestade, nas alturas,
4 zooveel voortreffelijker geworden zijnde dan de engelen, als Hij een uitnemender Naam boven hen heeft geërfd.
4 tendo-se tornado tão superior aos anjos quanto herdou mais excelente nome do que eles.
5 Want tot wien van de engelen heeft God ooit gezegd: gij zijt mijn Zoon; Ik heb u lieden gewonnen? — en wederom: Ik zal Hem zijn tot een Vader en Hij zal Mij zijn tot een Zoon?
5 Pois a qual dos anjos Deus em algum momento disse: “Você é meu Filho, hoje eu gerei você”? E, outra vez: “Eu lhe serei Pai, e ele me será Filho”?
6 En als Hij wederom den Eerstgeborene inbrengt tot de bewoonde aarde, zegt Hij: alle engelen Gods moeten voor Hem nederbuigen!
6 E, novamente, ao introduzir o Primogênito no mundo, diz: “E todos os anjos de Deus o adorem.”
7 En van de engelen zegt Hij wel: die zijn engelen maakt geesten en zijn dienaren tot vuurvlammen;
7 Ainda, quanto aos anjos, diz: “Aquele que a seus anjos faz ventos, e a seus ministros, labareda de fogo.”
8 maar tot den Zoon zegt Hij: uw troon, o God, is tot in alle eeuwigheid, en de staf der rechtvaardigheid is de staf van uw koninkrijk;
8 Mas, a respeito do Filho, diz: “O teu trono, ó Deus, é para todo o sempre; cetro de justiça é o cetro do teu reino.
9 Gij hebt rechtvaardigheid bemind en onrechtvaardigheid gehaat; daarom, o God, heeft uw God U gezalfd met olie der vreugde boven uw medegenooten.
9 Amaste a justiça e odiaste a iniquidade; por isso, Deus, o teu Deus, te ungiu com o óleo de alegria como a nenhum dos teus companheiros.”
10 En Gij o Heere! hebt in den beginne de aarde gegrondvest en de werken uwer handen zijn de hemelen;
10 Diz ainda: “No princípio, Senhor, lançaste os fundamentos da terra, e os céus são obra das tuas mãos.
11 die zullen voorbijgaan, maar Gij blijft bestaan; en allen zullen zij verslijten als een kleed, en als een mantel zult Gij ze oprollen en zij zullen veranderen;
11 Eles perecerão, mas tu permaneces; todos eles envelhecerão como veste;
12 maar Gij zijt dezelfde en uw jaren zullen niet ophouden!
12 como manto tu os enrolarás, e, como roupas, serão igualmente mudados. Tu, porém, és o mesmo, e os teus anos jamais terão fim.”
13 Tot wien van de engelen heeft God ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden maak tot uw voetbank?
13 Ora, a qual dos anjos Deus em algum momento disse: “Sente-se à minha direita, até que eu ponha os seus inimigos por estrado dos seus pés”?
14 Zijn zij niet allen dienstdoende geesten, uitgezonden ten dienste van degenen die de verlossing zullen beërven?
14 Não são todos eles espíritos ministradores, enviados para serviço a favor dos que hão de herdar a salvação?

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Hebreus 1, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.