Gálatas 4

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs VC

Sair da comparação
VC Versão Católica
1 Doch ik zeg: zoolang de erfgenaam een kind is verschilt hij niets van een dienstknecht, ofschoon hij heer is van alles;
1 Explico-me: enquanto o herdeiro é menor, em nada difere do escravo, ainda que seja senhor de tudo,
2 maar hij is onder voogden en verzorgers tot op den tijd die van den vader is gesteld.
2 mas está sob tutores e administradores, até o tempo determinado por seu pai.
3 Alzoo ook wij, toen wij kinderen waren, zijn wij dienstbaar geweest onder de eerste regelen der wereld.
3 Assim também nós, quando menores, estávamos escravizados pelos rudimentos do mundo.
4 Maar toen de volheid des tijds gekomen is heeft God zijn Zoon uitgezonden, die geworden is uit een vrouw, geworden is onder de wet,
4 Mas quando veio a plenitude dos tempos, Deus enviou seu Filho, que nasceu de uma mulher e nasceu submetido a uma lei,
5 opdat Hij degenen die onder de wet waren vrijkoopen zou, opdat wij de aanneming tot zonen verkrijgen zouden.
5 a fim de remir os que estavam sob a lei, para que recebêssemos a sua adoção.
6 En omdat gij zonen zijt heeft God den Geest zijns Zoons uitgezonden in uw harten, die roept: Abba, dat is Vader;
6 A prova de que sois filhos é que Deus enviou aos vossos corações o Espírito de seu Filho, que clama: Aba, Pai!
7 zoodat gij niet meer een dienstknecht zijt, maar een zoon; en indien een zoon, dan ook een erfgenaam van God.
7 Portanto já não és escravo, mas filho. E, se és filho, então também herdeiro por Deus.
8 Maar eertijds, toen gij God niet kendet, diendet gij degenen die van nature geen goden zijn.
8 Outrora, é certo, desconhecendo a Deus, servíeis aos que na realidade não são deuses.
9 Doch nu gij God kent, ja meer nog van God gekend zijt, hoe keert gij wederom tot de zwakken en arme eerste regelen, waaraan gij wederom u wilt dienstbaar maken?
9 Agora, porém, conhecendo a Deus, ou melhor, sendo conhecidos por Deus, como é que tornais aos rudimentos fracos e miseráveis, querendo de novo escravizar-vos a eles?
10 Gij viert dagen, en maanden, en tijden, en jaren!
10 Observais dias, meses, estações e anos!
11 Ik vrees dat ik tevergeefs voor u gearbeid heb.
11 Temo que os meus esforços entre vós tenham sido em vão. Voltemos à nossa confiança cordial
12 Wordt als ik, want ook ik ben geworden als gij, broeders! Ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk aangedaan.
12 Irmãos, sede como eu, pois também eu me tornei como vós. Não tenho nenhum motivo de queixa contra vós.
13 Doch gij weet dat ik aan u het eerst het Evangelie gepredikt heb wegens een zwakheid van het vleesch,
13 Estais lembrados de como eu estava doente quando, pela primeira vez, vos preguei o Evangelho
14 en hetgeen voor u was een beproeving in mijn vleesch, dat hebt gij niet veracht nog verfoeid, maar als een engel Gods hebt gij mij aangenomen, als Christus Jezus.
14 e fui para vós uma provação por causa do meu corpo. Mas nem por isto me desprezastes nem rejeitastes, antes me acolhestes como um enviado de Deus, como Cristo Jesus.
15 Waar is dan nu uw gelukachting? Want ik geef u dit getuigenis dat gij, als het mogelijk geweest was, uw oogen zoudt hebben uitgetrokken en aan mij gegeven.
15 Onde está agora aquele vosso entusiasmo? Asseguro-vos que, se possível fora, teríeis arrancado os vossos olhos para mos dar!
16 Ben ik dan uw vijand geworden door u de waarheid te zeggen?
16 Tornei-me, acaso, vosso inimigo, porque vos disse a verdade?
17 De ijver dien zij voor u hebben is niet goed. Maar zij willen u aftrekken van mij, opdat gij hen aanhangen zoudt.
17 Eles vos testemunham amizade com má intenção, e querem separar-vos de mim, para captar a vossa amizade.
18 Goed is het om altijd in het goede ijverig te zijn, en niet alleen als ik bij u tegenwoordig ben.
18 É maravilhoso receber demonstrações de boa amizade, mas que seja em todas as circunstâncias, e não somente quando estou convosco.
19 Mijn kinderkens, om wie ik wederom in barensnood ben, totdat Christus in ulieden volwassen zal zijn!
19 Filhinhos meus, por quem de novo sinto dores de parto, até que Cristo seja formado em vós,
20 Ik wilde nu wel bij u tegenwoordig zijn en veranderen van stem, want ik ben verlegen om uwentwil.
20 quem me dera estar agora convosco, para descobrir o tom que convém à minha linguagem, visto que eu me encontro extremamente perplexo a vosso respeito.
21 Zegt mij, gij die onder de wet wilt zijn, verstaat gij de wet wel?
21 Dizei-me, vós que quereis estar sujeitos a uma lei: não ouvis a lei?
22 Want er is geschreven dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd en één uit de vrije.
22 A Escritura diz que Abraão teve dois filhos, um da escrava e outro da livre.
23 Maar de eerste, die uit de dienstmaagd was, is geboren naar het vleesch, maar die uit de vrije is, door de belofte.
23 O da escrava, filho da natureza; e o da livre, filho da promessa.
24 Deze dingen zijn zinnebeeldig. Want deze vrouwen zijn twee verbonden: de eene van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende; dat is Hagar.
24 Nestes fatos há uma alegoria, visto que aquelas mulheres representam as duas alianças: uma, a do monte Sinai, que gera para a escravidão, é Agar.
25 Want de Sinaï is een berg in Arabië, en beteekent het Jerusalem dat nu bestaat, want het is dienstbaar met zijn kinderen.
25 {O monte Sinai está na Arábia.} Corresponde à Jerusalém atual, que é escrava com seus filhos.
26 Maar het Jerusalem van hierboven is vrij, en dat is onze moeder.
26 Mas a Jerusalém lá do alto é livre e esta é a nossa mãe,
27 Want er is geschreven: Verheug u, gij onvruchtbare die niet baart; breek uit en roep, gij die geen barensweeën hebt, want de kinderen van de verlatene zijn meer dan van haar die een man heeft.
27 porque está escrito: Alegra-te, ó estéril, que não davas à luz; rejubila e canta, tu que não tinhas dores de parto, pois são mais numerosos os filhos da abandonada do que daquela que tem marido {Is 54,1}.
28 Doch wij, broeders, wij zijn kinderen der belofte, zooals Isaäk.
28 Como Isaac, irmãos, vós sois filhos da promessa.
29 Maar zooals toen degene die naar het vleesch geboren was, vervolgde dengene die naar den geest geboren was, alzoo ook nu.
29 Como naquele tempo o filho da natureza perseguia o filho da promessa, o mesmo se dá hoje.
30 Maar wat zegt de Schriftuur? Werp de dienstmaagd buiten en haar zoon! want de zoon der dienstmaagd zal niet erven met den zoon der vrije.
30 Que diz, porém, a Escritura? Lança fora a escrava e seu filho, porque o filho da escrava não será herdeiro com o filho da livre {Gn 21,10}.
31 Daarom, broeders, wij zijn niet kinderen van de dienstmaagd maar van de vrije,
31 Pelo que, irmãos, não somos filhos da escrava, mas sim da que é livre.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Gálatas 4, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.