Gálatas 4

vlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge (SM_VLSJONT) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Doch ik zeg: zoolang de erfgenaam een kind is verschilt hij niets van een dienstknecht, ofschoon hij heer is van alles;
1 Digo, pois, que, durante o tempo em que o herdeiro é menor, em nada difere de escravo, posto que é ele senhor de tudo.
2 maar hij is onder voogden en verzorgers tot op den tijd die van den vader is gesteld.
2 Mas está sob tutores e curadores até ao tempo predeterminado pelo pai.
3 Alzoo ook wij, toen wij kinderen waren, zijn wij dienstbaar geweest onder de eerste regelen der wereld.
3 Assim, também nós, quando éramos menores, estávamos servilmente sujeitos aos rudimentos do mundo;
4 Maar toen de volheid des tijds gekomen is heeft God zijn Zoon uitgezonden, die geworden is uit een vrouw, geworden is onder de wet,
4 vindo, porém, a plenitude do tempo, Deus enviou seu Filho, nascido de mulher, nascido sob a lei,
5 opdat Hij degenen die onder de wet waren vrijkoopen zou, opdat wij de aanneming tot zonen verkrijgen zouden.
5 para resgatar os que estavam sob a lei, a fim de que recebêssemos a adoção de filhos.
6 En omdat gij zonen zijt heeft God den Geest zijns Zoons uitgezonden in uw harten, die roept: Abba, dat is Vader;
6 E, porque vós sois filhos, enviou Deus ao nosso coração o Espírito de seu Filho, que clama: Aba, Pai!
7 zoodat gij niet meer een dienstknecht zijt, maar een zoon; en indien een zoon, dan ook een erfgenaam van God.
7 De sorte que já não és escravo, porém filho; e, sendo filho, também herdeiro por Deus.
8 Maar eertijds, toen gij God niet kendet, diendet gij degenen die van nature geen goden zijn.
8 Outrora, porém, não conhecendo a Deus, servíeis a deuses que, por natureza, não o são;
9 Doch nu gij God kent, ja meer nog van God gekend zijt, hoe keert gij wederom tot de zwakken en arme eerste regelen, waaraan gij wederom u wilt dienstbaar maken?
9 mas agora que conheceis a Deus ou, antes, sendo conhecidos por Deus, como estais voltando, outra vez, aos rudimentos fracos e pobres, aos quais, de novo, quereis ainda escravizar-vos?
10 Gij viert dagen, en maanden, en tijden, en jaren!
10 Guardais dias, e meses, e tempos, e anos.
11 Ik vrees dat ik tevergeefs voor u gearbeid heb.
11 Receio de vós tenha eu trabalhado em vão para convosco.
12 Wordt als ik, want ook ik ben geworden als gij, broeders! Ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk aangedaan.
12 Sede qual eu sou; pois também eu sou como vós. Irmãos, assim vos suplico. Em nada me ofendestes.
13 Doch gij weet dat ik aan u het eerst het Evangelie gepredikt heb wegens een zwakheid van het vleesch,
13 E vós sabeis que vos preguei o evangelho a primeira vez por causa de uma enfermidade física.
14 en hetgeen voor u was een beproeving in mijn vleesch, dat hebt gij niet veracht nog verfoeid, maar als een engel Gods hebt gij mij aangenomen, als Christus Jezus.
14 E, posto que a minha enfermidade na carne vos foi uma tentação, contudo, não me revelastes desprezo nem desgosto; antes, me recebestes como anjo de Deus, como o próprio Cristo Jesus.
15 Waar is dan nu uw gelukachting? Want ik geef u dit getuigenis dat gij, als het mogelijk geweest was, uw oogen zoudt hebben uitgetrokken en aan mij gegeven.
15 Que é feito, pois, da vossa exultação? Pois vos dou testemunho de que, se possível fora, teríeis arrancado os próprios olhos para mos dar.
16 Ben ik dan uw vijand geworden door u de waarheid te zeggen?
16 Tornei-me, porventura, vosso inimigo, por vos dizer a verdade?
17 De ijver dien zij voor u hebben is niet goed. Maar zij willen u aftrekken van mij, opdat gij hen aanhangen zoudt.
17 Os que vos obsequiam não o fazem sinceramente, mas querem afastar-vos de mim, para que o vosso zelo seja em favor deles.
18 Goed is het om altijd in het goede ijverig te zijn, en niet alleen als ik bij u tegenwoordig ben.
18 É bom ser sempre zeloso pelo bem e não apenas quando estou presente convosco,
19 Mijn kinderkens, om wie ik wederom in barensnood ben, totdat Christus in ulieden volwassen zal zijn!
19 meus filhos, por quem, de novo, sofro as dores de parto, até ser Cristo formado em vós;
20 Ik wilde nu wel bij u tegenwoordig zijn en veranderen van stem, want ik ben verlegen om uwentwil.
20 pudera eu estar presente, agora, convosco e falar-vos em outro tom de voz; porque me vejo perplexo a vosso respeito.
21 Zegt mij, gij die onder de wet wilt zijn, verstaat gij de wet wel?
21 Dizei-me vós, os que quereis estar sob a lei: acaso, não ouvis a lei?
22 Want er is geschreven dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd en één uit de vrije.
22 Pois está escrito que Abraão teve dois filhos, um da mulher escrava e outro da livre.
23 Maar de eerste, die uit de dienstmaagd was, is geboren naar het vleesch, maar die uit de vrije is, door de belofte.
23 Mas o da escrava nasceu segundo a carne; o da livre, mediante a promessa.
24 Deze dingen zijn zinnebeeldig. Want deze vrouwen zijn twee verbonden: de eene van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende; dat is Hagar.
24 Estas coisas são alegóricas; porque estas mulheres são duas alianças; uma, na verdade, se refere ao monte Sinai, que gera para escravidão; esta é Agar.
25 Want de Sinaï is een berg in Arabië, en beteekent het Jerusalem dat nu bestaat, want het is dienstbaar met zijn kinderen.
25 Ora, Agar é o monte Sinai, na Arábia, e corresponde à Jerusalém atual, que está em escravidão com seus filhos.
26 Maar het Jerusalem van hierboven is vrij, en dat is onze moeder.
26 Mas a Jerusalém lá de cima é livre, a qual é nossa mãe;
27 Want er is geschreven: Verheug u, gij onvruchtbare die niet baart; breek uit en roep, gij die geen barensweeën hebt, want de kinderen van de verlatene zijn meer dan van haar die een man heeft.
27 porque está escrito: Alegra-te, ó estéril, que não dás à luz, exulta e clama, tu que não estás de parto; porque são mais numerosos os filhos da abandonada que os da que tem marido.
28 Doch wij, broeders, wij zijn kinderen der belofte, zooals Isaäk.
28 Vós, porém, irmãos, sois filhos da promessa, como Isaque.
29 Maar zooals toen degene die naar het vleesch geboren was, vervolgde dengene die naar den geest geboren was, alzoo ook nu.
29 Como, porém, outrora, o que nascera segundo a carne perseguia ao que nasceu segundo o Espírito, assim também agora.
30 Maar wat zegt de Schriftuur? Werp de dienstmaagd buiten en haar zoon! want de zoon der dienstmaagd zal niet erven met den zoon der vrije.
30 Contudo, que diz a Escritura? Lança fora a escrava e seu filho, porque de modo algum o filho da escrava será herdeiro com o filho da livre.
31 Daarom, broeders, wij zijn niet kinderen van de dienstmaagd maar van de vrije,
31 E, assim, irmãos, somos filhos não da escrava, e sim da livre.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Gálatas 4, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.