Mateus 27

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 Toen het ochtend werd, smeedden alle hoofdpriesters en volksoudsten tezamen een plan om Jezus om te brengen.
1 E, chegando a manhã, todos os príncipes dos sacerdotes e os anciãos do povo formavam juntamente conselho contra Jesus, para o matarem.
2 Ze leidden Hem gebonden weg en leverden Hem over aan Pilatus, de gouverneur.
2 E, manietando-o, o levaram e o entregaram ao governador Pôncio Pilatos.
3 Toen Judas, Jezus' verrader, zag dat Hij was veroordeeld, kreeg hij wroeging en bracht hij de dertig zilverstukken naar de hoofdpriesters en oudsten terug.
3 Então, Judas, o que o traíra, vendo que fora condenado, trouxe, arrependido, as trinta moedas de prata aos príncipes dos sacerdotes e aos anciãos,
4 Hij zei: “Ik heb gezondigd door een onschuldige te verraden.” Maar zij zeiden: “Wat gaat ons dat aan? Zie zelf maar.”
4 dizendo: Pequei, traindo sangue inocente. Eles, porém, disseram: Que nos importa? Isso é contigo.
5 Judas gooide de zilverstukken de tempel in, vertrok en hing zich op.
5 E ele, atirando para o templo as moedas de prata, retirou-se e foi-se enforcar.
6 Toen de hoofdpriesters de zilverstukken opraapten, zeiden ze: “Dit mogen we niet bij de tempelschatten bewaren, want het is bloedgeld.”
6 E os príncipes dos sacerdotes, tomando as moedas de prata, disseram: Não é lícito metê-las no cofre das ofertas, porque são preço de sangue.
7 Daarom kwamen ze tot het gezamenlijke besluit, met de zilverstukken de akker van de pottenbakker te kopen en als begraafplaats voor vreemdelingen te gebruiken.
7 E, tendo deliberado em conselho, compraram com elas o campo de um oleiro, para sepultura dos estrangeiros.
8 Daarom wordt die akker tot op vandaag de Bloedakker genoemd.
8 Por isso, foi chamado aquele campo, até ao dia de hoje, Campo de Sangue.
9 Zo ging in vervulling wat de profeet Jeremia had voorspeld: “Ze namen de dertig zilverstukken, de prijs die door de Israëlieten was bepaald,
9 Então, se realizou o que vaticinara o profeta Jeremias: Tomaram as trinta moedas de prata, preço do que foi avaliado, que certos filhos de Israel avaliaram.
10 en ze betaalden dat voor de akker van de pottenbakker, zoals de Heer mij had opgedragen.”
10 E deram-nas pelo campo do oleiro, segundo o que o Senhor determinou.
11 Inmiddels stond Jezus voor de gouverneur. De gouverneur vroeg Hem: “Bent U de koning van de Joden?” Jezus antwoordde: “U zegt het zelf.”
11 E foi Jesus apresentado ao governador, e o governador o interrogou, dizendo: És tu o Rei dos judeus? E disse-lhe Jesus: Tu
12 De hoofdpriesters en oudsten brachten hun beschuldigingen tegen Hem in, maar Jezus reageerde niet.
12 E, sendo acusado pelos príncipes dos sacerdotes e pelos anciãos, nada respondeu.
13 Toen vroeg Pilatus Hem: “Hoort U niet hoeveel verklaringen tegen U worden afgelegd?”
13 Disse-lhe, então, Pilatos: Não ouves quanto testificam contra ti?
14 Jezus ging echter op geen enkele beschuldiging in, wat de gouverneur sterk verwonderde.
14 E nem uma palavra lhe respondeu, de sorte que o governador estava muito maravilhado.
15 Nu was het de gewoonte van de gouverneur om tijdens het feest een gevangene vrij te laten die door de menigte werd gekozen.
15 Ora, por ocasião da festa, costumava o governador soltar um preso, escolhendo o povo aquele que quisesse.
16 Er was dit keer een beruchte gevangene die Jezus Barabbas heette.
16 E tinham, então, um preso bem-conhecido, chamado Barrabás.
17 Daarom vroeg Pilatus aan de mensen die waren samengestroomd: “Wie willen jullie dat ik vrijlaat, Jezus Barabbas of Jezus die de Messias wordt genoemd?”
17 Portanto, estando eles reunidos, disse-lhes Pilatos: Qual quereis que vos solte? Barrabás ou Jesus, chamado Cristo?
18 Hij wist namelijk dat ze Hem hadden uitgeleverd uit afgunst.
18 Porque sabia que por inveja o haviam entregado.
19 Terwijl hij nog op de rechterstoel zat, liet zijn vrouw hem berichten: “Zorg dat je die rechtvaardige man niets aandoet, want ik ben erg ontdaan door een droom die ik vannacht over Hem heb gehad.”
19 E, estando ele assentado no tribunal, sua mulher mandou-lhe dizer: Não entres na questão desse justo, porque num sonho muito sofri por causa dele.
20 Maar de hoofdpriesters en de oudsten overreedden de mensenmassa om Barabbas op te eisen en Jezus te laten ombrengen.
20 Mas os príncipes dos sacerdotes e os anciãos persuadiram à multidão que pedisse Barrabás e matasse Jesus.
21 De gouverneur vroeg nogmaals: “Wie van de twee willen jullie dat ik vrijlaat?” Ze antwoordden: “Barabbas!”
21 E, respondendo o governador, disse-lhes: Qual desses dois quereis vós que eu solte? E eles disseram: Barrabás.
22 Pilatus vroeg hen: “Wat willen jullie dat ik doe met Jezus die de Messias wordt genoemd?” Iedereen riep: “Hij moet gekruisigd worden!”
22 Disse-lhes Pilatos: Que farei, então, de Jesus, chamado Cristo? Disseram-lhe todos: Seja crucificado!
23 Pilatus vroeg: “Wat heeft Hij dan misdaan?” Nu riep men nog luider: “Hij moet gekruisigd worden!”
23 O governador, porém, disse: Mas que mal fez ele? E eles mais clamavam, dizendo: Seja crucificado!
24 Pilatus zag dat hij niets bereikte maar dat er een rel ontstond. Hij liet water halen, waste in het bijzijn van de menigte zijn handen, en zei: “Ik ben niet verantwoordelijk voor de dood van deze man. Zie zelf maar.”
24 Então, Pilatos, vendo que nada aproveitava, antes o tumulto crescia, tomando água, lavou as mãos diante da multidão, dizendo: Estou inocente do sangue deste justo; considerai isso.
25 Het hele volk antwoordde: “Wij en onze kinderen nemen de verantwoordelijkheid voor zijn dood op ons!”
25 E, respondendo todo o povo, disse: O seu sangue caia sobre nós e sobre nossos filhos.
26 Toen liet Pilatus Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en vervolgens wegleiden om te worden gekruisigd.
26 Então, soltou-lhes Barrabás e, tendo mandado açoitar a Jesus, entregou-o para ser crucificado.
27 De soldaten van de gouverneur leidden Jezus het hoofdkwartier binnen en de gehele legerafdeling kwam om Hem heen staan.
27 E logo os soldados do governador, conduzindo Jesus à audiência, reuniram junto dele toda a coorte.
28 Ze trokken Hem de kleren uit en deden Hem een felrode mantel om.
28 E, despindo-o, o cobriram com uma capa escarlate.
29 Ze vlochten een kroon van doorntakken die ze op zijn hoofd zetten, staken een rieten stok in zijn rechterhand, knielden voor Hem en dreven de spot met Hem door te roepen: “Gegroet, koning van de Joden!”
29 E, tecendo uma coroa de espinhos, puseram-lha na cabeça e, em sua mão direita, uma cana; e, ajoelhando diante dele, o escarneciam, dizendo: Salve, Rei dos judeus!
30 Ze spuwden naar Hem, namen Hem de rietstok af en sloegen ermee op zijn hoofd.
30 E, cuspindo nele, tiraram-lhe a cana e batiam-lhe com ela na cabeça.
31 Nadat ze zo de spot met Hem hadden gedreven, trokken ze Hem de mantel uit en deden Hem zijn eigen kleren weer aan. Vervolgens leidden ze Hem weg om Hem te kruisigen.
31 E, depois de o haverem escarnecido, tiraram-lhe a capa, vestiram-lhe as suas vestes e o levaram para ser crucificado.
32 Toen ze de stad uitgingen, troffen ze een man uit Cyrene aan, die Simon heette. Hem dwongen ze Jezus' kruis te dragen.
32 E, quando saíam, encontraram um homem cireneu, chamado Simão, a quem constrangeram a levar a sua cruz.
33 Toen ze bij de plaats kwamen die Golgota heet, wat “Schedelplaats” betekent,
33 E, chegando ao lugar chamado Gólgota, que significa Lugar da Caveira,
34 gaven ze Hem met gal gemengde wijn te drinken. Maar na ervan geproefd te hebben, wilde Hij het niet opdrinken.
34 deram-lhe a beber vinho misturado com fel; mas ele, provando-o, não quis beber.
35 Nadat ze Hem daar hadden gekruisigd en zijn kleren door middel van verloting hadden verdeeld,
35 E, havendo- o crucificado, repartiram as suas vestes, lançando sortes, para que se cumprisse o que foi dito pelo profeta: Repartiram entre si as minhas vestes, e sobre a minha túnica lançaram sortes.
36 gingen ze zitten om Hem te bewaken.
36 E, assentados, o guardavam ali.
37 Boven zijn hoofd plaatsten ze een bordje met de aanklacht tegen Hem: “Dit is Jezus, de koning van de Joden.”
37 E, por cima da sua cabeça, puseram escrita a sua acusação: Este é Jesus , O Rei dos Judeus .
38 Samen met Hem werden ook twee misdadigers gekruisigd, één rechts en één links van Hem.
38 E foram crucificados com ele dois salteadores, um, à direita, e outro, à esquerda.
39 De voorbijgangers beledigden Hem door hoofdschuddend
39 E os que passavam blasfemavam dele, meneando a cabeça
40 te roepen: “Jij die de tempel verwoest en binnen drie dagen herbouwt! Red Jezelf als Jij de Zoon van God bent; kom van het kruis af!”
40 e dizendo: Tu, que destróis o templo e, em três dias, o reedificas, salva-te a ti mesmo; se és o Filho de Deus, desce da cruz.
41 Precies zo bespotten ook de hoofdpriesters Hem, samen met de Schriftgeleerden en de oudsten. Ze riepen:
41 E da mesma maneira também os príncipes dos sacerdotes, com os escribas, e anciãos, e fariseus, escarnecendo, diziam:
42 “Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet. Als Hij de koning van Israël is, laat Hij dan nu van het kruis afkomen; dan zullen we in Hem geloven.
42 Salvou os outros e a si mesmo não pode salvar-se. Se é o Rei de Israel, desça, agora, da cruz, e creremos nele;
43 Hij vertrouwt op God, laat Die Hem redden als Hij daartoe bereid is. Hij heeft immers gezegd: ‘Ik ben de Zoon van God.’”
43 confiou em Deus; livre-o agora, se o ama; porque disse: Sou Filho de Deus.
44 Ook de misdadigers die samen met Jezus waren gekruisigd, bespotten Hem op die manier.
44 E o mesmo lhe lançaram também em rosto os salteadores que com ele estavam crucificados.
45 Vanaf twaalf uur 's middags werd het donker in het hele land, tot drie uur.
45 E, desde a hora sexta, houve trevas sobre toda a terra, até à hora nona.
46 Rond drie uur 's middags riep Jezus luid: “Eli, Eli, lama sabachtani?” Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom heeft U Mij verlaten?
46 E, perto da hora nona, exclamou Jesus em alta voz, dizendo: Eli, Eli, lemá sabactâni, isto é, Deus meu, Deus meu, por que me desamparaste?
47 Sommige mensen die daar stonden, hoorden het en zeiden: “Die Man roept Elia.”
47 E alguns dos que ali estavam, ouvindo isso, diziam: Este chama por Elias.
48 Meteen haalde een van hen haastig een spons, vulde die met zure wijn, stak hem op een stok en gaf Jezus zo te drinken.
48 E logo um deles, correndo, tomou uma esponja, e embebeu-a em vinagre, e, pondo- a numa cana, dava-lhe de beber.
49 Maar de anderen zeiden: “Wacht, laten we kijken of Elia Hem komt redden.”
49 Os outros, porém, diziam: Deixa, vejamos se Elias vem livrá-lo.
50 Nadat Jezus nogmaals luid had geroepen, stierf Hij.
50 E Jesus, clamando outra vez com grande voz, entregou o espírito.
51 Op dat moment scheurde het tempelgordijn van boven naar beneden in tweeën. De aarde beefde, de rotsen spleten,
51 E eis que o véu do templo se rasgou em dois, de alto a baixo; e tremeu a terra, e fenderam-se as pedras.
52 en de graven gingen open. Veel lichamen van overleden mensen die bij God hoorden, kwamen tot leven.
52 E abriram-se os sepulcros, e muitos corpos de santos que dormiam foram ressuscitados;
53 Ze kwamen uit hun graven, en nadat Jezus was verrezen, gingen ze de heilige stad in, waar ze door veel mensen zijn gezien.
53 E, saindo dos sepulcros, depois da ressurreição dele, entraram na Cidade Santa e apareceram a muitos.
54 Tijdens de aardbeving waren de centurio en zijn mannen Jezus aan het bewaken. Toen ze zagen wat er gebeurde, werden ze verschrikkelijk bang. Ze zeiden: “Deze man was werkelijk de Zoon van God!”
54 E o centurião e os que com ele guardavam a Jesus, vendo o terremoto e as coisas que haviam sucedido, tiveram grande temor e disseram: Verdadeiramente, este era o Filho de Deus.
55 Er waren veel vrouwen die vanop een afstand toekeken. Zij waren Jezus gevolgd vanuit Galilea en hadden Hem gediend.
55 E estavam ali, olhando de longe, muitas mulheres que tinham seguido Jesus desde a Galileia, para o servir,
56 Onder hen bevonden zich Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.
56 entre as quais estavam Maria Madalena, e Maria, mãe de Tiago e de José, e a mãe dos filhos de Zebedeu.
57 Het werd avond. Een rijk man uit Arimatea die Jozef heette en een volgeling van Jezus was geworden,
57 E, vinda já a tarde, chegou um homem rico de Arimateia, por nome José, que também era discípulo de Jesus.
58 ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Pilatus gaf opdracht het hem te geven.
58 Este foi ter com Pilatos e pediu-lhe o corpo de Jesus. Então, Pilatos mandou que o corpo lhe fosse dado.
59 Jozef nam het lichaam, wikkelde het in schoon linnen
59 E José, tomando o corpo, envolveu-o num fino e limpo lençol,
60 en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had laten uithouwen. Hij rolde een grote steen voor de ingang van het graf en vertrok.
60 e o pôs no seu sepulcro novo, que havia aberto em rocha, e, rolando uma grande pedra para a porta do sepulcro, foi-se.
61 Maria van Magdala en de andere Maria waren daar; ze zaten tegenover het graf.
61 E estavam ali Maria Madalena e a outra Maria, assentadas defronte do sepulcro.
62 De volgende dag, dus de dag na Voorbereidingsdag, gingen de hoofdpriesters en de farizeeën gezamenlijk naar Pilatus.
62 E, no dia seguinte, que é o dia depois da Preparação, reuniram-se os príncipes dos sacerdotes e os fariseus em casa de Pilatos,
63 Ze zeiden: “Meneer de gouverneur, wij herinneren ons dat die bedrieger, toen Hij nog leefde, heeft gezegd: ‘Na drie dagen zal Ik verrijzen.’
63 dizendo: Senhor, lembramo-nos de que aquele enganador, vivendo ainda, disse: Depois de três dias, ressuscitarei.
64 Wilt u daarom het bevel geven om het graf te bewaken tot de derde dag? Anders kunnen zijn leerlingen erheen gaan, het lichaam stelen en tegen het volk zeggen: ‘Hij is uit de dood verrezen.’ En dan is het laatste bedrog erger dan het eerste.”
64 Manda, pois, que o sepulcro seja guardado com segurança até ao terceiro dia; não se dê o caso que os seus discípulos vão de noite, e o furtem, e digam ao povo: Ressuscitou dos mortos; e assim o último erro será pior do que o primeiro.
65 Pilatus zei tegen hen: “Ik geef jullie een wacht soldaten; ga het graf bewaken naar best vermogen.”
65 E disse-lhes Pilatos: Tendes a guarda; ide, guardai- o como entenderdes.
66 Ze gingen met de wacht soldaten naar het graf om dat te bewaken, en ze verzegelden de steen.
66 E, indo eles, seguraram o sepulcro com a guarda, selando a pedra.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 27, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.