Mateus 27

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Toen het ochtend werd, smeedden alle hoofdpriesters en volksoudsten tezamen een plan om Jezus om te brengen.
1 Ao romper o dia, todos os principais sacerdotes e os anciãos do povo entraram em conselho contra Jesus, para o matarem;
2 Ze leidden Hem gebonden weg en leverden Hem over aan Pilatus, de gouverneur.
2 e, amarrando-o, levaram-no e o entregaram ao governador Pilatos.
3 Toen Judas, Jezus' verrader, zag dat Hij was veroordeeld, kreeg hij wroeging en bracht hij de dertig zilverstukken naar de hoofdpriesters en oudsten terug.
3 Então, Judas, o que o traiu, vendo que Jesus fora condenado, tocado de remorso, devolveu as trinta moedas de prata aos principais sacerdotes e aos anciãos, dizendo:
4 Hij zei: “Ik heb gezondigd door een onschuldige te verraden.” Maar zij zeiden: “Wat gaat ons dat aan? Zie zelf maar.”
4 Pequei, traindo sangue inocente. Eles, porém, responderam: Que nos importa? Isso é contigo.
5 Judas gooide de zilverstukken de tempel in, vertrok en hing zich op.
5 Então, Judas, atirando para o santuário as moedas de prata, retirou-se e foi enforcar-se.
6 Toen de hoofdpriesters de zilverstukken opraapten, zeiden ze: “Dit mogen we niet bij de tempelschatten bewaren, want het is bloedgeld.”
6 E os principais sacerdotes, tomando as moedas, disseram: Não é lícito deitá-las no cofre das ofertas, porque é preço de sangue.
7 Daarom kwamen ze tot het gezamenlijke besluit, met de zilverstukken de akker van de pottenbakker te kopen en als begraafplaats voor vreemdelingen te gebruiken.
7 E, tendo deliberado, compraram com elas o campo do oleiro, para cemitério de forasteiros.
8 Daarom wordt die akker tot op vandaag de Bloedakker genoemd.
8 Por isso, aquele campo tem sido chamado, até ao dia de hoje, Campo de Sangue.
9 Zo ging in vervulling wat de profeet Jeremia had voorspeld: “Ze namen de dertig zilverstukken, de prijs die door de Israëlieten was bepaald,
9 Então, se cumpriu o que foi dito por intermédio do profeta Jeremias: Tomaram as trinta moedas de prata, preço em que foi estimado aquele a quem alguns dos filhos de Israel avaliaram;
10 en ze betaalden dat voor de akker van de pottenbakker, zoals de Heer mij had opgedragen.”
10 e as deram pelo campo do oleiro, assim como me ordenou o Senhor.
11 Inmiddels stond Jezus voor de gouverneur. De gouverneur vroeg Hem: “Bent U de koning van de Joden?” Jezus antwoordde: “U zegt het zelf.”
11 Jesus estava em pé ante o governador; e este o interrogou, dizendo: És tu o rei dos judeus? Respondeu-lhe Jesus: Tu o dizes.
12 De hoofdpriesters en oudsten brachten hun beschuldigingen tegen Hem in, maar Jezus reageerde niet.
12 E, sendo acusado pelos principais sacerdotes e pelos anciãos, nada respondeu.
13 Toen vroeg Pilatus Hem: “Hoort U niet hoeveel verklaringen tegen U worden afgelegd?”
13 Então, lhe perguntou Pilatos: Não ouves quantas acusações te fazem?
14 Jezus ging echter op geen enkele beschuldiging in, wat de gouverneur sterk verwonderde.
14 Jesus não respondeu nem uma palavra, vindo com isto a admirar-se grandemente o governador.
15 Nu was het de gewoonte van de gouverneur om tijdens het feest een gevangene vrij te laten die door de menigte werd gekozen.
15 Ora, por ocasião da festa, costumava o governador soltar ao povo um dos presos, conforme eles quisessem.
16 Er was dit keer een beruchte gevangene die Jezus Barabbas heette.
16 Naquela ocasião, tinham eles um preso muito conhecido, chamado Barrabás.
17 Daarom vroeg Pilatus aan de mensen die waren samengestroomd: “Wie willen jullie dat ik vrijlaat, Jezus Barabbas of Jezus die de Messias wordt genoemd?”
17 Estando, pois, o povo reunido, perguntou-lhes Pilatos: A quem quereis que eu vos solte, a Barrabás ou a Jesus, chamado Cristo?
18 Hij wist namelijk dat ze Hem hadden uitgeleverd uit afgunst.
18 Porque sabia que, por inveja, o tinham entregado.
19 Terwijl hij nog op de rechterstoel zat, liet zijn vrouw hem berichten: “Zorg dat je die rechtvaardige man niets aandoet, want ik ben erg ontdaan door een droom die ik vannacht over Hem heb gehad.”
19 E, estando ele no tribunal, sua mulher mandou dizer-lhe: Não te envolvas com esse justo; porque hoje, em sonho, muito sofri por seu respeito.
20 Maar de hoofdpriesters en de oudsten overreedden de mensenmassa om Barabbas op te eisen en Jezus te laten ombrengen.
20 Mas os principais sacerdotes e os anciãos persuadiram o povo a que pedisse Barrabás e fizesse morrer Jesus.
21 De gouverneur vroeg nogmaals: “Wie van de twee willen jullie dat ik vrijlaat?” Ze antwoordden: “Barabbas!”
21 De novo, perguntou-lhes o governador: Qual dos dois quereis que eu vos solte? Responderam eles: Barrabás!
22 Pilatus vroeg hen: “Wat willen jullie dat ik doe met Jezus die de Messias wordt genoemd?” Iedereen riep: “Hij moet gekruisigd worden!”
22 Replicou-lhes Pilatos: Que farei, então, de Jesus, chamado Cristo? Seja crucificado! Responderam todos.
23 Pilatus vroeg: “Wat heeft Hij dan misdaan?” Nu riep men nog luider: “Hij moet gekruisigd worden!”
23 Que mal fez ele? Perguntou Pilatos. Porém cada vez clamavam mais: Seja crucificado!
24 Pilatus zag dat hij niets bereikte maar dat er een rel ontstond. Hij liet water halen, waste in het bijzijn van de menigte zijn handen, en zei: “Ik ben niet verantwoordelijk voor de dood van deze man. Zie zelf maar.”
24 Vendo Pilatos que nada conseguia, antes, pelo contrário, aumentava o tumulto, mandando vir água, lavou as mãos perante o povo, dizendo: Estou inocente do sangue deste [justo]; fique o caso convosco!
25 Het hele volk antwoordde: “Wij en onze kinderen nemen de verantwoordelijkheid voor zijn dood op ons!”
25 E o povo todo respondeu: Caia sobre nós o seu sangue e sobre nossos filhos!
26 Toen liet Pilatus Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en vervolgens wegleiden om te worden gekruisigd.
26 Então, Pilatos lhes soltou Barrabás; e, após haver açoitado a Jesus, entregou-o para ser crucificado.
27 De soldaten van de gouverneur leidden Jezus het hoofdkwartier binnen en de gehele legerafdeling kwam om Hem heen staan.
27 Logo a seguir, os soldados do governador, levando Jesus para o pretório, reuniram em torno dele toda a coorte.
28 Ze trokken Hem de kleren uit en deden Hem een felrode mantel om.
28 Despojando-o das vestes, cobriram-no com um manto escarlate;
29 Ze vlochten een kroon van doorntakken die ze op zijn hoofd zetten, staken een rieten stok in zijn rechterhand, knielden voor Hem en dreven de spot met Hem door te roepen: “Gegroet, koning van de Joden!”
29 tecendo uma coroa de espinhos, puseram-lha na cabeça e, na mão direita, um caniço; e, ajoelhando-se diante dele, o escarneciam, dizendo: Salve, rei dos judeus!
30 Ze spuwden naar Hem, namen Hem de rietstok af en sloegen ermee op zijn hoofd.
30 E, cuspindo nele, tomaram o caniço e davam-lhe com ele na cabeça.
31 Nadat ze zo de spot met Hem hadden gedreven, trokken ze Hem de mantel uit en deden Hem zijn eigen kleren weer aan. Vervolgens leidden ze Hem weg om Hem te kruisigen.
31 Depois de o terem escarnecido, despiram-lhe o manto e o vestiram com as suas próprias vestes. Em seguida, o levaram para ser crucificado.
32 Toen ze de stad uitgingen, troffen ze een man uit Cyrene aan, die Simon heette. Hem dwongen ze Jezus' kruis te dragen.
32 Ao saírem, encontraram um cireneu, chamado Simão, a quem obrigaram a carregar-lhe a cruz.
33 Toen ze bij de plaats kwamen die Golgota heet, wat “Schedelplaats” betekent,
33 E, chegando a um lugar chamado Gólgota, que significa Lugar da Caveira,
34 gaven ze Hem met gal gemengde wijn te drinken. Maar na ervan geproefd te hebben, wilde Hij het niet opdrinken.
34 deram-lhe a beber vinho com fel; mas ele, provando-o, não o quis beber.
35 Nadat ze Hem daar hadden gekruisigd en zijn kleren door middel van verloting hadden verdeeld,
35 Depois de o crucificarem, repartiram entre si as suas vestes, tirando a sorte.
36 gingen ze zitten om Hem te bewaken.
36 E, assentados ali, o guardavam.
37 Boven zijn hoofd plaatsten ze een bordje met de aanklacht tegen Hem: “Dit is Jezus, de koning van de Joden.”
37 Por cima da sua cabeça puseram escrita a sua acusação: Este é Jesus, o Rei dos Judeus .
38 Samen met Hem werden ook twee misdadigers gekruisigd, één rechts en één links van Hem.
38 E foram crucificados com ele dois ladrões, um à sua direita, e outro à sua esquerda.
39 De voorbijgangers beledigden Hem door hoofdschuddend
39 Os que iam passando blasfemavam dele, meneando a cabeça e dizendo:
40 te roepen: “Jij die de tempel verwoest en binnen drie dagen herbouwt! Red Jezelf als Jij de Zoon van God bent; kom van het kruis af!”
40 Ó tu que destróis o santuário e em três dias o reedificas! Salva-te a ti mesmo, se és Filho de Deus, e desce da cruz!
41 Precies zo bespotten ook de hoofdpriesters Hem, samen met de Schriftgeleerden en de oudsten. Ze riepen:
41 De igual modo, os principais sacerdotes, com os escribas e anciãos, escarnecendo, diziam:
42 “Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet. Als Hij de koning van Israël is, laat Hij dan nu van het kruis afkomen; dan zullen we in Hem geloven.
42 Salvou os outros, a si mesmo não pode salvar-se. É rei de Israel! Desça da cruz, e creremos nele.
43 Hij vertrouwt op God, laat Die Hem redden als Hij daartoe bereid is. Hij heeft immers gezegd: ‘Ik ben de Zoon van God.’”
43 Confiou em Deus; pois venha livrá-lo agora, se, de fato, lhe quer bem; porque disse: Sou Filho de Deus.
44 Ook de misdadigers die samen met Jezus waren gekruisigd, bespotten Hem op die manier.
44 E os mesmos impropérios lhe diziam também os ladrões que haviam sido crucificados com ele.
45 Vanaf twaalf uur 's middags werd het donker in het hele land, tot drie uur.
45 Desde a hora sexta até à hora nona, houve trevas sobre toda a terra.
46 Rond drie uur 's middags riep Jezus luid: “Eli, Eli, lama sabachtani?” Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom heeft U Mij verlaten?
46 Por volta da hora nona, clamou Jesus em alta voz, dizendo: Eli, Eli, lamá sabactâni? O que quer dizer: Deus meu, Deus meu, por que me desamparaste?
47 Sommige mensen die daar stonden, hoorden het en zeiden: “Die Man roept Elia.”
47 E alguns dos que ali estavam, ouvindo isto, diziam: Ele chama por Elias.
48 Meteen haalde een van hen haastig een spons, vulde die met zure wijn, stak hem op een stok en gaf Jezus zo te drinken.
48 E, logo, um deles correu a buscar uma esponja e, tendo-a embebido de vinagre e colocado na ponta de um caniço, deu-lhe a beber.
49 Maar de anderen zeiden: “Wacht, laten we kijken of Elia Hem komt redden.”
49 Os outros, porém, diziam: Deixa, vejamos se Elias vem salvá-lo.
50 Nadat Jezus nogmaals luid had geroepen, stierf Hij.
50 E Jesus, clamando outra vez com grande voz, entregou o espírito.
51 Op dat moment scheurde het tempelgordijn van boven naar beneden in tweeën. De aarde beefde, de rotsen spleten,
51 Eis que o véu do santuário se rasgou em duas partes de alto a baixo; tremeu a terra, fenderam-se as rochas;
52 en de graven gingen open. Veel lichamen van overleden mensen die bij God hoorden, kwamen tot leven.
52 abriram-se os sepulcros, e muitos corpos de santos, que dormiam, ressuscitaram;
53 Ze kwamen uit hun graven, en nadat Jezus was verrezen, gingen ze de heilige stad in, waar ze door veel mensen zijn gezien.
53 e, saindo dos sepulcros depois da ressurreição de Jesus, entraram na cidade santa e apareceram a muitos.
54 Tijdens de aardbeving waren de centurio en zijn mannen Jezus aan het bewaken. Toen ze zagen wat er gebeurde, werden ze verschrikkelijk bang. Ze zeiden: “Deze man was werkelijk de Zoon van God!”
54 O centurião e os que com ele guardavam a Jesus, vendo o terremoto e tudo o que se passava, ficaram possuídos de grande temor e disseram: Verdadeiramente este era Filho de Deus.
55 Er waren veel vrouwen die vanop een afstand toekeken. Zij waren Jezus gevolgd vanuit Galilea en hadden Hem gediend.
55 Estavam ali muitas mulheres, observando de longe; eram as que vinham seguindo a Jesus desde a Galileia, para o servirem;
56 Onder hen bevonden zich Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.
56 entre elas estavam Maria Madalena, Maria, mãe de Tiago e de José, e a mulher de Zebedeu.
57 Het werd avond. Een rijk man uit Arimatea die Jozef heette en een volgeling van Jezus was geworden,
57 Caindo a tarde, veio um homem rico de Arimateia, chamado José, que era também discípulo de Jesus.
58 ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Pilatus gaf opdracht het hem te geven.
58 Este foi ter com Pilatos e lhe pediu o corpo de Jesus. Então, Pilatos mandou que lho fosse entregue.
59 Jozef nam het lichaam, wikkelde het in schoon linnen
59 E José, tomando o corpo, envolveu-o num pano limpo de linho
60 en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had laten uithouwen. Hij rolde een grote steen voor de ingang van het graf en vertrok.
60 e o depositou no seu túmulo novo, que fizera abrir na rocha; e, rolando uma grande pedra para a entrada do sepulcro, se retirou.
61 Maria van Magdala en de andere Maria waren daar; ze zaten tegenover het graf.
61 Achavam-se ali, sentadas em frente da sepultura, Maria Madalena e a outra Maria.
62 De volgende dag, dus de dag na Voorbereidingsdag, gingen de hoofdpriesters en de farizeeën gezamenlijk naar Pilatus.
62 No dia seguinte, que é o dia depois da preparação, reuniram-se os principais sacerdotes e os fariseus e, dirigindo-se a Pilatos,
63 Ze zeiden: “Meneer de gouverneur, wij herinneren ons dat die bedrieger, toen Hij nog leefde, heeft gezegd: ‘Na drie dagen zal Ik verrijzen.’
63 disseram-lhe: Senhor, lembramo-nos de que aquele embusteiro, enquanto vivia, disse: Depois de três dias ressuscitarei.
64 Wilt u daarom het bevel geven om het graf te bewaken tot de derde dag? Anders kunnen zijn leerlingen erheen gaan, het lichaam stelen en tegen het volk zeggen: ‘Hij is uit de dood verrezen.’ En dan is het laatste bedrog erger dan het eerste.”
64 Ordena, pois, que o sepulcro seja guardado com segurança até ao terceiro dia, para não suceder que, vindo os discípulos, o roubem e depois digam ao povo: Ressuscitou dos mortos; e será o último embuste pior que o primeiro.
65 Pilatus zei tegen hen: “Ik geef jullie een wacht soldaten; ga het graf bewaken naar best vermogen.”
65 Disse-lhes Pilatos: Aí tendes uma escolta; ide e guardai o sepulcro como bem vos parecer.
66 Ze gingen met de wacht soldaten naar het graf om dat te bewaken, en ze verzegelden de steen.
66 Indo eles, montaram guarda ao sepulcro, selando a pedra e deixando ali a escolta.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 27, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.