Mateus 26

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Nadat Jezus al deze dingen had gezegd, zei Hij tegen zijn leerlingen:
1 Quando Jesus acabou de proferir estas palavras, disse aos seus discípulos:
2 “Zoals jullie weten, is het over twee dagen Pesach. Dan zal de Mensenzoon worden uitgeleverd om te worden gekruisigd.”
2 — Vocês sabem que, daqui a dois dias, será celebrada a Páscoa, e o Filho do Homem será entregue para ser crucificado.
3 Toen kwamen de hoofdpriesters en de volksoudsten bijeen in de ambtswoning van hogepriester Kajafas.
3 Então os principais sacerdotes e os anciãos do povo se reuniram no palácio do sumo sacerdote, chamado Caifás,
4 Ze spanden samen om Jezus met een list op te pakken en te doden.
4 e deliberaram prender Jesus, à traição, e matá-lo.
5 “Maar niet tijdens het feest,” zeiden ze, “anders komt het volk in opstand.”
5 Mas diziam: — Não durante a festa, para que não haja tumulto entre o povo.
6 Toen Jezus in Betanië was, in het huis van Simon de Melaatse,
6 Quando Jesus estava em Betânia, na casa de Simão, o leproso,
7 kwam er een vrouw naar Hem toe met een albasten flesje dure olie, die ze over zijn hoofd uitgoot terwijl Hij aan de maaltijd deelnam.
7 aproximou-se dele uma mulher, trazendo um frasco feito de alabastro com um perfume precioso, que ela derramou sobre a cabeça de Jesus, estando ele à mesa.
8 Zijn leerlingen zagen het en zeiden verontwaardigd: “Waarom die verspilling?
8 Vendo isto, os discípulos ficaram indignados e disseram: — Para que este desperdício?
9 De olie had voor veel geld kunnen worden verkocht en de opbrengst had aan de armen kunnen worden gegeven.”
9 Este perfume poderia ter sido vendido por muito dinheiro, para ser dado aos pobres.
10 Jezus was zich ervan bewust en zei tegen hen: “Waarom vallen jullie die vrouw lastig? Ze heeft iets goeds voor Mij gedaan.
10 Mas Jesus, sabendo disto, lhes disse:
11 Er zullen altijd wel arme mensen bij jullie zijn, maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn.
11 Porque os pobres estarão sempre com vocês, mas a mim vocês nem sempre terão.
12 Door deze olie over mijn lichaam uit te gieten, heeft zij Mij gezalfd ter voorbereiding op mijn begrafenis.
12 Porque, derramando este perfume sobre o meu corpo, ela o fez para o meu sepultamento.
13 Ik verzeker jullie, overal in de wereld waar het evangelie zal worden verkondigd, zal ter herinnering aan haar worden verteld wat zij heeft gedaan.”
13 Em verdade lhes digo que, onde for pregado em todo o mundo este evangelho, também será contado o que ela fez, para memória dela.
14 Toen ging een van de Twaalf, namelijk Judas Iskariot, naar de hoofdpriesters
14 Então um dos doze, chamado Judas Iscariotes, foi falar com os principais sacerdotes.
15 en vroeg: “Wat zijn jullie bereid mij te geven als ik Jezus aan jullie uitlever?” Zij telden dertig zilverstukken voor hem uit.
15 Ele disse: — Quanto me darão para que eu o entregue a vocês? E pagaram-lhe trinta moedas de prata.
16 Vanaf toen zocht Judas naar een gelegenheid om Jezus uit te leveren.
16 E, desse momento em diante, Judas buscava uma boa ocasião para entregar Jesus.
17 Op de eerste dag van het Feest van de Ongedesemde Broden kwamen Jezus' leerlingen Hem vragen: “Waar wilt U dat we de Pesachmaaltijd klaarmaken?”
17 No primeiro dia da Festa dos Pães sem Fermento, os discípulos vieram a Jesus e lhe perguntaram: — Onde quer que façamos os preparativos para que o senhor possa comer a Páscoa?
18 Jezus zei: “Ga de stad in, naar die en die persoon, en zeg tegen hem: ‘De Leraar zegt: Mijn tijd is bijna gekomen. Bij jou thuis zal Ik met mijn leerlingen de Pesachmaaltijd eten.’”
18 E ele lhes respondeu:
19 De leerlingen deden wat Hij hun had opgedragen: ze maakten de Pesachmaaltijd klaar.
19 E eles fizeram como Jesus lhes havia ordenado e prepararam a Páscoa.
20 Die avond nam Jezus aan tafel plaats met de Twaalf.
20 Ao cair da tarde, Jesus pôs-se à mesa com os doze discípulos.
21 Tijdens het eten zei Jezus: “Ik verzeker jullie, een van jullie zal Mij verraden.”
21 E, enquanto comiam, Jesus disse:
22 Daar werden ze heel bedroefd van en ze vroegen Hem, de een na de ander: “Ik ben het toch niet, Heer?”
22 E eles, muito entristecidos, começaram um por um a perguntar-lhe: — Por acaso seria eu, Senhor?
23 Jezus antwoordde: “Hij die samen met Mij het stuk brood in zijn hand in de schaal met eten doopt, Hij is het die Mij zal verraden.
23 Jesus respondeu:
24 De Mensenzoon zal heengaan, precies zoals over Hem in de Schriften staat, maar wee degene door wie de Mensenzoon wordt verraden. Voor die persoon zou het beter zijn geweest als hij niet was geboren.”
24 O Filho do Homem vai, como está escrito a seu respeito; mas ai daquele por quem o Filho do Homem está sendo traído! Melhor seria para ele se nunca tivesse nascido!
25 Judas, zijn verrader, reageerde: “Ik ben het toch niet, Rabbi?” Jezus zei tegen hem: “Jij hebt het gezegd.”
25 Então Judas, que o traía, perguntou: — Por acaso sou eu, Mestre? Jesus respondeu:
26 Tijdens de maaltijd nam Jezus een brood, sprak een zegengebed uit, brak het in stukken, verdeelde die onder zijn leerlingen en zei: “Neem dit aan en eet het, dit is mijn lichaam.”
26 Enquanto comiam, Jesus pegou um pão, e, abençoando-o, o partiu e deu aos discípulos, dizendo:
27 Ook nam Hij een beker, sprak een dankgebed uit en reikte hen de beker aan, terwijl Hij zei: “Drink er allen uit.
27 A seguir, Jesus pegou um cálice e, tendo dado graças, o deu aos seus discípulos, dizendo:
28 Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor veel mensen wordt vergoten, voor de vergeving van hun zonden.
28 porque isto é o meu sangue, o sangue da aliança, derramado em favor de muitos, para remissão de pecados.
29 Ik zeg jullie, vanaf nu zal Ik niet meer van deze vrucht van de druivelaar drinken tot de dag waarop Ik nieuwe wijn met jullie drink in het koninkrijk van mijn Vader.”
29 E digo a vocês que, desta hora em diante, nunca mais beberei deste fruto da videira, até aquele dia em que beberei com vocês o vinho novo, no Reino de meu Pai.
30 Na het zingen van een danklied vertrokken ze naar de Olijfberg.
30 E, tendo cantado um hino, saíram para o monte das Oliveiras.
31 Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: “Omwille van wat er met Mij gaat gebeuren, zullen jullie allen Mij vannacht in de steek laten, want in de Schriften staat: ‘Ik zal de herder doodslaan, en de schapen van de kudde zullen worden uiteengedreven.’
31 Então Jesus disse aos discípulos:
32 Maar nadat Ik ben verrezen, zal Ik voor jullie uit naar Galilea gaan.”
32 Mas, depois da minha ressurreição, irei adiante de vocês para a Galileia.
33 Petrus reageerde: “Al zou iedereen U in de steek laten, ik zal U nooit in de steek laten!”
33 Mas Pedro, tomando a palavra, disse a Jesus: — Ainda que o senhor venha a ser um tropeço para todos, nunca o será para mim.
34 Jezus zei tegen hem: “Ik verzeker je, vannacht nog, voordat de haan kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen.”
34 Mas Jesus lhe disse:
35 Petrus antwoordde: “Al zou ik samen met U moeten sterven, ik zal U nooit verloochenen.” De andere leerlingen zeiden hetzelfde.
35 Pedro insistiu: — Ainda que me seja necessário morrer com o senhor, de modo nenhum o negarei. E todos os discípulos disseram o mesmo.
36 Toen kwam Jezus met hen bij een plaats die Getsemane wordt genoemd. Hij zei tegen zijn leerlingen: “Gaan jullie hier zitten terwijl Ik verderop ga bidden.”
36 Em seguida, Jesus foi com eles a um lugar chamado Getsêmani. E disse aos discípulos:
37 Jezus nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee en begon bedroefd en onrustig te worden.
37 E, levando consigo Pedro e os dois filhos de Zebedeu, começou a sentir-se tomado de tristeza e de angústia.
38 Hij zei tegen hen: “Ik ben diep, zelfs dodelijk, bedroefd. Blijf hier samen met Mij waken.”
38 Então lhes disse:
39 Hij stapte iets verder, liet zich voorover vallen en bad: “Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan; laat echter niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wil.”
39 E, adiantando-se um pouco, prostrou-se sobre o seu rosto, orando e dizendo:
40 Toen Hij bij zijn leerlingen terugkwam, trof Hij hen slapend aan. Hij zei tegen Petrus: “Konden jullie niet eens een uur lang samen met Mij waken?
40 E, voltando para os discípulos, achou-os dormindo. E disse a Pedro:
41 Waak en bid, opdat jullie niet in verzoeking komen, want de geest is wel bereidwillig maar het lichaam is zwak.”
41 Vigiem e orem, para que não caiam em tentação; o espírito, na verdade, está pronto, mas a carne é fraca.
42 Hij ging nogmaals weg, voor de tweede keer, en bad: “Mijn Vader, als het niet mogelijk is dat dit voorbij gaat tenzij Ik drink, laat dan gebeuren wat U wil.”
42 Retirando-se pela segunda vez, orou de novo, dizendo:
43 Toen Hij weer bij zijn leerlingen terugkwam, trof Hij hen nogmaals slapend aan, want ze konden hun ogen niet openhouden.
43 E, voltando, achou-os outra vez dormindo; porque os olhos deles estavam pesados.
44 Hij ging opnieuw weg en bad iets verderop dezelfde woorden, voor de derde keer.
44 Deixando-os novamente, foi orar pela terceira vez, repetindo as mesmas palavras.
45 Daarna kwam Hij bij zijn leerlingen terug en zei Hij: “Zijn jullie nog altijd aan het slapen en rusten? Het tijdstip waarop de Mensenzoon aan de zondaars wordt uitgeleverd, is bijna aangebroken.
45 Então voltou para os discípulos e lhes disse:
46 Sta op, laten we vertrekken; mijn verrader is bijna hier.”
46 Levantem-se, vamos embora! Eis que o traidor se aproxima.
47 Terwijl Hij nog sprak, kwam Judas, een van de Twaalf, vergezeld van een grote menigte met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hoofdpriesters en oudsten van het volk.
47 E enquanto Jesus ainda falava, eis que chegou Judas, um dos doze, e, com ele, grande multidão com espadas e porretes, vinda da parte dos principais sacerdotes e dos anciãos do povo.
48 Jezus' verrader had een teken met hen afgesproken: “Het is degene die ik met een kus begroet; Hem moeten jullie arresteren.”
48 Ora, o traidor tinha dado a eles um sinal: “Aquele que eu beijar, é esse; prendam-no.”
49 Hij stapte recht op Jezus af, zei “Gegroet, Rabbi!” en gaf Hem een kus.
49 E logo, aproximando-se de Jesus, Judas disse: — Salve, Mestre! E o beijou.
50 Jezus zei tegen hem: “Vriend, doe waarvoor je gekomen bent.” Toen kwamen ze naar Jezus toe, en ze grepen en arresteerden Hem.
50 Jesus, porém, lhe disse: Nisto, aproximando-se eles, agarraram Jesus e o prenderam.
51 Een van de mensen bij Jezus strekte ineens zijn hand uit, trok zijn zwaard, viel de dienaar van de hogepriester aan en hakte zijn oor af.
51 E eis que um dos que estavam com Jesus, estendendo a mão, sacou da espada e, golpeando o servo do sumo sacerdote, cortou-lhe a orelha.
52 Maar Jezus zei tegen hem: “Steek je zwaard terug op zijn plaats, want ieder die naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.
52 Então Jesus lhe disse:
53 Denk je niet dat Ik mijn Vader te hulp zou kunnen roepen en dat Hij Mij dan meteen twaalf legioenen engelen zou sturen?
53 Ou você acha que não posso pedir a meu Pai, e ele me mandaria neste momento mais de doze legiões de anjos?
54 Maar hoe zou dan in vervulling gaan wat in de Schriften staat, namelijk dat dit moet gebeuren?”
54 Mas como, então, se cumpririam as Escrituras, que dizem que assim deve acontecer?
55 Op dat moment zei Jezus tegen de mensen: “Zijn jullie Mij hier als een misdadiger met zwaarden en knuppels komen arresteren? Ik zat toch elke dag bij jullie op het tempelterrein te onderwijzen? Toen hebben jullie Mij niet opgepakt.
55 Naquele momento, Jesus disse às multidões:
56 Maar dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat de profeten hebben geschreven.” Toen lieten al zijn leerlingen Hem in de steek; ze vluchtten weg.
56 Tudo isto, porém, aconteceu para que se cumprissem as Escrituras dos profetas. Então todos os discípulos o deixaram e fugiram.
57 Zij die Jezus hadden gearresteerd, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester, waar de Schriftgeleerden en de oudsten waren bijeengekomen.
57 E os que prenderam Jesus o levaram à casa de Caifás, o sumo sacerdote, onde se haviam reunido os escribas e os anciãos.
58 Petrus volgde Hem op een afstand, tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester. Eenmaal binnen ging hij bij de bewakers zitten om te kijken wat er zou gebeuren.
58 Pedro o seguia de longe até o pátio do sumo sacerdote. E, tendo entrado, assentou-se entre os servos, para ver como aquilo ia terminar.
59 De hoofdpriesters en de hele Joodse raad zochten naar een valse getuigenverklaring tegen Jezus, zodat ze Hem zouden kunnen ombrengen.
59 E os principais sacerdotes e todo o Sinédrio procuravam algum testemunho falso contra Jesus, a fim de o condenarem à morte.
60 Dat lukte niet, hoewel er veel valse getuigen naar voren kwamen. Uiteindelijk kwamen twee mensen naar voren,
60 E não acharam, apesar de terem sido apresentadas muitas testemunhas falsas. Mas, afinal, compareceram duas, afirmando:
61 die zeiden: “Deze man heeft gezegd: ‘Ik kan Gods tempel verwoesten en in drie dagen herbouwen.’”
61 — Este disse: “Posso destruir o santuário de Deus e reconstruí-lo em três dias.”
62 Toen stond de hogepriester op en vroeg aan Jezus: “Hebt U geen antwoord op de verklaring van deze getuigen tegen U?”
62 E, levantando-se o sumo sacerdote, perguntou a Jesus: — Você não diz nada em resposta ao que estes depõem contra você?
63 Jezus zweeg. De hogepriester zei tegen Hem: “Ik bezweer U bij de levende God, zeg ons of U de Messias bent, de Zoon van God!”
63 Jesus, porém, guardou silêncio. E o sumo sacerdote lhe disse: — Eu exijo que nos diga, tendo o Deus vivo por testemunha, se você é o Cristo, o Filho de Deus.
64 Jezus zei tegen hem: “U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u, vanaf nu zal u de Mensenzoon aan de rechterzijde van de Machtige zien zitten, en u zal Hem zien komen op de wolken.”
64 Jesus respondeu:
65 Toen maakte de hogepriester een scheur in zijn mantel en zei hij: “Hij heeft God gelasterd. Waarom hebben we nog getuigen nodig? U heeft de godslastering nu toch gehoord?
65 Então o sumo sacerdote rasgou as suas vestes e disse: — Blasfemou! Por que ainda precisamos de testemunhas? Eis que agora mesmo vocês ouviram a blasfêmia!
66 Wat is uw oordeel?” Ze antwoordden: “Hij verdient de dood!”
66 O que vocês acham? E eles responderam: — É réu de morte.
67 Toen spuwden ze Hem in het gezicht en gaven ze Hem vuistslagen. Sommigen sloegen Hem
67 Então alguns cuspiram no rosto de Jesus e bateram nele. E outros o esbofeteavam, dizendo:
68 en riepen dan: “Profeteer voor ons, Messias, wie is het die U heeft geslagen?”
68 — Profetize para nós, ó Cristo! Quem foi que bateu em você?
69 Intussen zat Petrus buiten op de binnenplaats. Er kwam een dienstmeisje naar hem toe. Ze zei: “U was ook bij Jezus de Galileeër.”
69 Pedro estava sentado fora no pátio. Uma empregada se aproximou e lhe disse: — Você também estava com Jesus, o galileu.
70 Petrus ontkende het tegenover hen allen. “Ik weet niet waarover je het hebt”, zei hij.
70 Mas ele negou diante de todos e disse: — Não sei o que você está dizendo.
71 Terwijl hij naar de buitenpoort stapte, werd hij opgemerkt door een ander dienstmeisje. Zij zei tegen de mensen daar: “Die man was bij Jezus van Nazaret.”
71 Quando se dirigia para a porta, Pedro foi visto por outra empregada, que disse aos que estavam ali: — Este também estava com Jesus, o Nazareno.
72 Petrus ontkende het opnieuw door te zweren: “Ik ken die Man niet.”
72 E ele negou outra vez, com juramento: — Não conheço esse homem.
73 Iets later kwamen de omstaanders naar Petrus toe en zeiden: “Jij bent toch echt een van hen, want je accent verraadt je.”
73 Pouco depois, aproximando-se os que estavam ali, disseram a Pedro: — Com certeza você também é um deles, porque o seu modo de falar o denuncia.
74 Toen begon Petrus vloeken over zichzelf af te roepen en te zweren: “Ik ken die Man niet.” Meteen kraaide er een haan.
74 Então ele começou a praguejar e a jurar: — Não conheço esse homem! E no mesmo instante o galo cantou.
75 Toen herinnerde Petrus zich wat Jezus had gezegd: “Voordat de haan kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen.” Hij ging naar buiten en weende bitter.
75 Então Pedro se lembrou da palavra que Jesus lhe tinha dito: “Antes que o galo cante, você me negará três vezes.” E Pedro, saindo dali, chorou amargamente.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 26, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.