Mateus 26

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 Nadat Jezus al deze dingen had gezegd, zei Hij tegen zijn leerlingen:
1 E aconteceu que, quando Jesus concluiu todos esses discursos, disse aos seus discípulos:
2 “Zoals jullie weten, is het over twee dagen Pesach. Dan zal de Mensenzoon worden uitgeleverd om te worden gekruisigd.”
2 Bem sabeis que, daqui a dois dias, é a Páscoa, e o Filho do Homem será entregue para ser crucificado.
3 Toen kwamen de hoofdpriesters en de volksoudsten bijeen in de ambtswoning van hogepriester Kajafas.
3 Depois, os príncipes dos sacerdotes, e os escribas, e os anciãos do povo reuniram-se na sala do sumo sacerdote, o qual se chamava Caifás,
4 Ze spanden samen om Jezus met een list op te pakken en te doden.
4 e consultaram-se mutuamente para prenderem Jesus com dolo e o matarem.
5 “Maar niet tijdens het feest,” zeiden ze, “anders komt het volk in opstand.”
5 Mas diziam: Não durante a festa, para que não haja alvoroço entre o povo.
6 Toen Jezus in Betanië was, in het huis van Simon de Melaatse,
6 E, estando Jesus em Betânia, em casa de Simão, o leproso,
7 kwam er een vrouw naar Hem toe met een albasten flesje dure olie, die ze over zijn hoofd uitgoot terwijl Hij aan de maaltijd deelnam.
7 aproximou-se dele uma mulher com um vaso de alabastro, com unguento de grande valor, e derramou-lho sobre a cabeça, quando ele estava assentado à mesa.
8 Zijn leerlingen zagen het en zeiden verontwaardigd: “Waarom die verspilling?
8 E os seus discípulos, vendo isso, indignaram-se, dizendo: Por que este desperdício?
9 De olie had voor veel geld kunnen worden verkocht en de opbrengst had aan de armen kunnen worden gegeven.”
9 Pois este unguento podia vender-se por grande preço e dar-se o dinheiro aos pobres.
10 Jezus was zich ervan bewust en zei tegen hen: “Waarom vallen jullie die vrouw lastig? Ze heeft iets goeds voor Mij gedaan.
10 Jesus, porém, conhecendo isso, disse-lhes: Por que afligis esta mulher? Pois praticou
11 Er zullen altijd wel arme mensen bij jullie zijn, maar Ik zal niet altijd bij jullie zijn.
11 Porquanto sempre tendes convosco os pobres, mas a mim não me haveis de ter sempre.
12 Door deze olie over mijn lichaam uit te gieten, heeft zij Mij gezalfd ter voorbereiding op mijn begrafenis.
12 Ora, derramando ela este unguento sobre o meu corpo, fê-lo preparando-me para o meu sepultamento.
13 Ik verzeker jullie, overal in de wereld waar het evangelie zal worden verkondigd, zal ter herinnering aan haar worden verteld wat zij heeft gedaan.”
13 Em verdade vos digo que, onde quer que este evangelho for pregado, em todo o mundo, também será referido o que ela fez para memória sua.
14 Toen ging een van de Twaalf, namelijk Judas Iskariot, naar de hoofdpriesters
14 Então, um dos doze, chamado Judas Iscariotes, foi ter com os príncipes dos sacerdotes
15 en vroeg: “Wat zijn jullie bereid mij te geven als ik Jezus aan jullie uitlever?” Zij telden dertig zilverstukken voor hem uit.
15 e disse: Que me quereis dar, e eu vo-lo entregarei? E eles lhe pesaram trinta moedas de prata.
16 Vanaf toen zocht Judas naar een gelegenheid om Jezus uit te leveren.
16 E, desde então, buscava oportunidade para o entregar.
17 Op de eerste dag van het Feest van de Ongedesemde Broden kwamen Jezus' leerlingen Hem vragen: “Waar wilt U dat we de Pesachmaaltijd klaarmaken?”
17 E, no primeiro dia da Festa dos Pães Asmos, chegaram os discípulos junto de Jesus, dizendo: Onde queres que preparemos a comida da Páscoa?
18 Jezus zei: “Ga de stad in, naar die en die persoon, en zeg tegen hem: ‘De Leraar zegt: Mijn tijd is bijna gekomen. Bij jou thuis zal Ik met mijn leerlingen de Pesachmaaltijd eten.’”
18 E ele disse: Ide à cidade a
19 De leerlingen deden wat Hij hun had opgedragen: ze maakten de Pesachmaaltijd klaar.
19 E os discípulos fizeram como Jesus lhes ordenara e prepararam a Páscoa.
20 Die avond nam Jezus aan tafel plaats met de Twaalf.
20 E, chegada a tarde, assentou-se à mesa com os doze.
21 Tijdens het eten zei Jezus: “Ik verzeker jullie, een van jullie zal Mij verraden.”
21 E, enquanto eles comiam, disse: Em verdade vos digo que um de vós me há de trair.
22 Daar werden ze heel bedroefd van en ze vroegen Hem, de een na de ander: “Ik ben het toch niet, Heer?”
22 E eles, entristecendo-se muito, começaram um por um a dizer-lhe: Porventura, sou eu, Senhor?
23 Jezus antwoordde: “Hij die samen met Mij het stuk brood in zijn hand in de schaal met eten doopt, Hij is het die Mij zal verraden.
23 E ele, respondendo, disse: O que mete comigo a mão no prato, esse me há de trair.
24 De Mensenzoon zal heengaan, precies zoals over Hem in de Schriften staat, maar wee degene door wie de Mensenzoon wordt verraden. Voor die persoon zou het beter zijn geweest als hij niet was geboren.”
24 Em verdade o Filho do Homem vai, como acerca dele está escrito, mas ai daquele homem por quem o Filho do Homem é traído! Bom seria para esse homem se não houvera nascido.
25 Judas, zijn verrader, reageerde: “Ik ben het toch niet, Rabbi?” Jezus zei tegen hem: “Jij hebt het gezegd.”
25 E, respondendo Judas, o que o traía, disse: Porventura, sou eu, Rabi? Ele disse: Tu o disseste.
26 Tijdens de maaltijd nam Jezus een brood, sprak een zegengebed uit, brak het in stukken, verdeelde die onder zijn leerlingen en zei: “Neem dit aan en eet het, dit is mijn lichaam.”
26 Enquanto comiam, Jesus tomou o pão, e, abençoando- o, o partiu, e o deu aos discípulos, e disse: Tomai, comei, isto é o meu corpo.
27 Ook nam Hij een beker, sprak een dankgebed uit en reikte hen de beker aan, terwijl Hij zei: “Drink er allen uit.
27 E, tomando o cálice e dando graças, deu-lho, dizendo: Bebei dele todos.
28 Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor veel mensen wordt vergoten, voor de vergeving van hun zonden.
28 Porque isto é o meu sangue, o Novo Testamento, que é derramado por muitos, para remissão dos pecados.
29 Ik zeg jullie, vanaf nu zal Ik niet meer van deze vrucht van de druivelaar drinken tot de dag waarop Ik nieuwe wijn met jullie drink in het koninkrijk van mijn Vader.”
29 E digo-vos que, desde agora, não beberei deste fruto da vide até àquele Dia em que o beba de novo convosco no Reino de meu Pai.
30 Na het zingen van een danklied vertrokken ze naar de Olijfberg.
30 E, tendo cantado um hino, saíram para o monte das Oliveiras.
31 Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: “Omwille van wat er met Mij gaat gebeuren, zullen jullie allen Mij vannacht in de steek laten, want in de Schriften staat: ‘Ik zal de herder doodslaan, en de schapen van de kudde zullen worden uiteengedreven.’
31 Então, Jesus lhes disse: Todos vós esta noite vos escandalizareis em mim, porque está escrito: Ferirei o pastor, e as ovelhas do rebanho se dispersarão.
32 Maar nadat Ik ben verrezen, zal Ik voor jullie uit naar Galilea gaan.”
32 Mas, depois de eu ressuscitar, irei adiante de vós para a Galileia.
33 Petrus reageerde: “Al zou iedereen U in de steek laten, ik zal U nooit in de steek laten!”
33 Mas Pedro, respondendo, disse-lhe: Ainda que todos se escandalizem em ti, eu nunca me escandalizarei.
34 Jezus zei tegen hem: “Ik verzeker je, vannacht nog, voordat de haan kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen.”
34 Disse-lhe Jesus: Em verdade te digo que, nesta mesma noite, antes que o galo cante, três vezes me negarás.
35 Petrus antwoordde: “Al zou ik samen met U moeten sterven, ik zal U nooit verloochenen.” De andere leerlingen zeiden hetzelfde.
35 Disse-lhe Pedro: Ainda que me seja necessário morrer contigo, não te negarei. E todos os discípulos disseram o mesmo.
36 Toen kwam Jezus met hen bij een plaats die Getsemane wordt genoemd. Hij zei tegen zijn leerlingen: “Gaan jullie hier zitten terwijl Ik verderop ga bidden.”
36 Então, chegou Jesus com eles a um lugar chamado Getsêmani e disse a seus discípulos: Assentai-vos aqui, enquanto vou além orar.
37 Jezus nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee en begon bedroefd en onrustig te worden.
37 E, levando consigo Pedro e os dois filhos de Zebedeu, começou a entristecer-se e a angustiar-se muito.
38 Hij zei tegen hen: “Ik ben diep, zelfs dodelijk, bedroefd. Blijf hier samen met Mij waken.”
38 Então, lhes disse: A minha alma está cheia de tristeza até à morte; ficai aqui e vigiai comigo.
39 Hij stapte iets verder, liet zich voorover vallen en bad: “Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan; laat echter niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wil.”
39 E, indo um pouco adiante, prostrou-se sobre o seu rosto, orando e dizendo: Meu Pai, se é possível, passa de mim este cálice; todavia, não seja como eu quero, mas como tu
40 Toen Hij bij zijn leerlingen terugkwam, trof Hij hen slapend aan. Hij zei tegen Petrus: “Konden jullie niet eens een uur lang samen met Mij waken?
40 E, voltando para os seus discípulos, achou-os adormecidos; e disse a Pedro: Então, nem uma hora pudeste vigiar comigo?
41 Waak en bid, opdat jullie niet in verzoeking komen, want de geest is wel bereidwillig maar het lichaam is zwak.”
41 Vigiai e orai, para que não entreis em tentação; na verdade, o espírito
42 Hij ging nogmaals weg, voor de tweede keer, en bad: “Mijn Vader, als het niet mogelijk is dat dit voorbij gaat tenzij Ik drink, laat dan gebeuren wat U wil.”
42 E, indo segunda vez, orou, dizendo: Meu Pai, se este cálice não pode passar de mim sem eu o beber, faça-se a tua vontade.
43 Toen Hij weer bij zijn leerlingen terugkwam, trof Hij hen nogmaals slapend aan, want ze konden hun ogen niet openhouden.
43 E, voltando, achou-os outra vez adormecidos, porque os seus olhos estavam carregados.
44 Hij ging opnieuw weg en bad iets verderop dezelfde woorden, voor de derde keer.
44 E, deixando-os de novo, foi orar pela terceira vez, dizendo as mesmas palavras.
45 Daarna kwam Hij bij zijn leerlingen terug en zei Hij: “Zijn jullie nog altijd aan het slapen en rusten? Het tijdstip waarop de Mensenzoon aan de zondaars wordt uitgeleverd, is bijna aangebroken.
45 Então, chegou junto dos seus discípulos e disse-lhes: Dormi, agora, e repousai; eis que é chegada a hora, e o Filho do Homem será entregue nas mãos dos pecadores.
46 Sta op, laten we vertrekken; mijn verrader is bijna hier.”
46 Levantai-vos, partamos; eis que é chegado o que me trai.
47 Terwijl Hij nog sprak, kwam Judas, een van de Twaalf, vergezeld van een grote menigte met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hoofdpriesters en oudsten van het volk.
47 E, estando ele ainda a falar, eis que chegou Judas, um dos doze, e com ele, grande multidão com espadas e porretes, vinda da parte dos príncipes dos sacerdotes e dos anciãos do povo.
48 Jezus' verrader had een teken met hen afgesproken: “Het is degene die ik met een kus begroet; Hem moeten jullie arresteren.”
48 E o traidor tinha-lhes dado um sinal, dizendo: O que eu beijar é esse; prendei-o.
49 Hij stapte recht op Jezus af, zei “Gegroet, Rabbi!” en gaf Hem een kus.
49 E logo, aproximando-se de Jesus, disse: Eu te saúdo, Rabi. E beijou-o.
50 Jezus zei tegen hem: “Vriend, doe waarvoor je gekomen bent.” Toen kwamen ze naar Jezus toe, en ze grepen en arresteerden Hem.
50 Jesus, porém, lhe disse: Amigo, a que vieste? Então, aproximando-se eles, lançaram mão de Jesus e o prenderam.
51 Een van de mensen bij Jezus strekte ineens zijn hand uit, trok zijn zwaard, viel de dienaar van de hogepriester aan en hakte zijn oor af.
51 E eis que um dos que estavam com Jesus, estendendo a mão, puxou da espada e, ferindo o servo do sumo sacerdote, cortou-lhe uma orelha.
52 Maar Jezus zei tegen hem: “Steek je zwaard terug op zijn plaats, want ieder die naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.
52 Então, Jesus disse-lhe: Mete no seu lugar a tua espada, porque todos os que lançarem mão da espada à espada morrerão.
53 Denk je niet dat Ik mijn Vader te hulp zou kunnen roepen en dat Hij Mij dan meteen twaalf legioenen engelen zou sturen?
53 Ou pensas tu que eu não poderia, agora, orar a meu Pai e que ele não me daria mais de doze legiões de anjos?
54 Maar hoe zou dan in vervulling gaan wat in de Schriften staat, namelijk dat dit moet gebeuren?”
54 Como,
55 Op dat moment zei Jezus tegen de mensen: “Zijn jullie Mij hier als een misdadiger met zwaarden en knuppels komen arresteren? Ik zat toch elke dag bij jullie op het tempelterrein te onderwijzen? Toen hebben jullie Mij niet opgepakt.
55 Então, disse Jesus à multidão: Saístes, como para um salteador, com espadas e porretes, para me prender? Todos os dias me assentava junto de vós, ensinando no templo, e não me prendestes.
56 Maar dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat de profeten hebben geschreven.” Toen lieten al zijn leerlingen Hem in de steek; ze vluchtten weg.
56 Mas tudo isso aconteceu para que se cumpram as Escrituras dos profetas. Então, todos os discípulos, deixando-o, fugiram.
57 Zij die Jezus hadden gearresteerd, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester, waar de Schriftgeleerden en de oudsten waren bijeengekomen.
57 E os que prenderam Jesus o conduziram à casa do sumo sacerdote Caifás, onde os escribas e os anciãos estavam reunidos.
58 Petrus volgde Hem op een afstand, tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester. Eenmaal binnen ging hij bij de bewakers zitten om te kijken wat er zou gebeuren.
58 E Pedro o seguiu de longe até ao pátio do sumo sacerdote e, entrando, assentou-se entre os criados, para ver o fim.
59 De hoofdpriesters en de hele Joodse raad zochten naar een valse getuigenverklaring tegen Jezus, zodat ze Hem zouden kunnen ombrengen.
59 Ora, os príncipes dos sacerdotes, e os anciãos, e todo o conselho buscavam falso testemunho contra Jesus, para poderem dar-lhe a morte,
60 Dat lukte niet, hoewel er veel valse getuigen naar voren kwamen. Uiteindelijk kwamen twee mensen naar voren,
60 e não o achavam, apesar de se apresentarem muitas testemunhas falsas, mas, por fim, chegaram duas
61 die zeiden: “Deze man heeft gezegd: ‘Ik kan Gods tempel verwoesten en in drie dagen herbouwen.’”
61 e disseram: Este disse: Eu posso derribar o templo de Deus e reedificá-lo em três dias.
62 Toen stond de hogepriester op en vroeg aan Jezus: “Hebt U geen antwoord op de verklaring van deze getuigen tegen U?”
62 E, levantando-se o sumo sacerdote, disse-lhe: Não respondes coisa alguma ao que estes depõem contra ti?
63 Jezus zweeg. De hogepriester zei tegen Hem: “Ik bezweer U bij de levende God, zeg ons of U de Messias bent, de Zoon van God!”
63 E Jesus, porém, guardava silêncio. E, insistindo o sumo sacerdote, disse-lhe: Conjuro-te pelo Deus vivo que nos digas se tu és o Cristo, o Filho de Deus.
64 Jezus zei tegen hem: “U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u, vanaf nu zal u de Mensenzoon aan de rechterzijde van de Machtige zien zitten, en u zal Hem zien komen op de wolken.”
64 Disse-lhes Jesus: Tu em breve o Filho do Homem assentado à direita do Todo-Poderoso e vindo sobre as nuvens do céu.
65 Toen maakte de hogepriester een scheur in zijn mantel en zei hij: “Hij heeft God gelasterd. Waarom hebben we nog getuigen nodig? U heeft de godslastering nu toch gehoord?
65 Então, o sumo sacerdote rasgou as suas vestes, dizendo: Blasfemou; para que precisamos ainda de testemunhas? Eis que bem ouvistes, agora, a sua blasfêmia.
66 Wat is uw oordeel?” Ze antwoordden: “Hij verdient de dood!”
66 Que vos parece? E eles, respondendo, disseram: É réu de morte.
67 Toen spuwden ze Hem in het gezicht en gaven ze Hem vuistslagen. Sommigen sloegen Hem
67 Então, cuspiram-lhe no rosto e lhe davam murros, e outros o esbofeteavam,
68 en riepen dan: “Profeteer voor ons, Messias, wie is het die U heeft geslagen?”
68 dizendo: Profetiza-nos, Cristo, quem é o que te bateu?
69 Intussen zat Petrus buiten op de binnenplaats. Er kwam een dienstmeisje naar hem toe. Ze zei: “U was ook bij Jezus de Galileeër.”
69 Ora, Pedro estava assentado fora, no pátio; e, aproximando-se dele uma criada, disse: Tu também estavas com Jesus, o galileu.
70 Petrus ontkende het tegenover hen allen. “Ik weet niet waarover je het hebt”, zei hij.
70 Mas ele negou diante de todos, dizendo: Não sei o que dizes.
71 Terwijl hij naar de buitenpoort stapte, werd hij opgemerkt door een ander dienstmeisje. Zij zei tegen de mensen daar: “Die man was bij Jezus van Nazaret.”
71 E, saindo para o vestíbulo, outra criada o viu e disse aos que ali estavam: Este também estava com Jesus, o Nazareno.
72 Petrus ontkende het opnieuw door te zweren: “Ik ken die Man niet.”
72 E ele negou outra vez, com juramento: Não conheço tal homem.
73 Iets later kwamen de omstaanders naar Petrus toe en zeiden: “Jij bent toch echt een van hen, want je accent verraadt je.”
73 E, logo depois, aproximando-se os que ali estavam, disseram a Pedro: Verdadeiramente, também tu és deles, pois a tua fala te denuncia.
74 Toen begon Petrus vloeken over zichzelf af te roepen en te zweren: “Ik ken die Man niet.” Meteen kraaide er een haan.
74 Então, começou ele a praguejar e a jurar, dizendo: Não conheço esse homem. E imediatamente o galo cantou.
75 Toen herinnerde Petrus zich wat Jezus had gezegd: “Voordat de haan kraait, zal jij Mij driemaal verloochenen.” Hij ging naar buiten en weende bitter.
75 E lembrou-se Pedro das palavras de Jesus, que lhe dissera: Antes que o galo cante, três vezes me negarás. E, saindo dali, chorou amargamente.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 26, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.