Mateus 16

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 De farizeeën en de sadduceeën kwamen bij Jezus en stelden Hem op de proef met de vraag om een teken uit de hemel aan hen te tonen.
1 Aproximando-se os fariseus e os saduceus, tentando-o, pediram-lhe que lhes mostrasse um sinal vindo do céu.
2 Hij antwoordde echter: “Soms zeggen jullie tijdens de avond: het wordt mooi weer, want de lucht is rood.
2 Ele, porém, lhes respondeu: Chegada a tarde, dizeis: Haverá bom tempo, porque o céu está avermelhado;
3 Of in de ochtend: vandaag krijgen we storm, want de lucht is rood en dreigend. Jullie weten wat het betekent als de lucht er op een bepaalde manier uitziet, maar jullie begrijpen niet waarop de huidige gebeurtenissen wijzen.
3 e, pela manhã: Hoje, haverá tempestade, porque o céu está de um vermelho sombrio. Sabeis, na verdade, discernir o aspecto do céu e não podeis discernir os sinais dos tempos?
4 Jullie soort slechte en overspelige mensen eist een teken, maar er zal hun geen teken worden gegeven, behalve het teken van Jona.” Hij draaide zich om en vertrok.
4 Uma geração má e adúltera pede um sinal; e nenhum sinal lhe será dado, senão o de Jonas. E, deixando-os, retirou-se.
5 De leerlingen van Jezus staken het meer over, maar ze vergaten brood mee te nemen.
5 Ora, tendo os discípulos passado para o outro lado, esqueceram-se de levar pão.
6 Hij zei tegen hen: “Pas op en wees op je hoede voor de desem van de farizeeën en de sadduceeën.”
6 E Jesus lhes disse: Vede e acautelai-vos do fermento dos fariseus e dos saduceus.
7 Ze bespraken onder elkaar of Hij dat had gezegd omdat ze geen brood hadden meegenomen.
7 Eles, porém, discorriam entre si, dizendo: É porque não trouxemos pão.
8 Jezus merkte het en zei: “Kleingelovigen, waarom zijn jullie met elkaar aan het bespreken dat jullie geen brood hebben?
8 Percebendo-o Jesus, disse: Por que discorreis entre vós, homens de pequena fé, sobre o não terdes pão?
9 Begrijpen jullie het nog niet? Weten jullie niet meer van de vijf broden voor de vijfduizend en hoeveel manden vol jullie verzamelden?
9 Não compreendeis ainda, nem vos lembrais dos cinco pães para cinco mil homens e de quantos cestos tomastes?
10 Of van de zeven broden voor de vierduizend en hoeveel korven vol jullie toen verzamelden?
10 Nem dos sete pães para os quatro mil e de quantos cestos tomastes?
11 Hoe bestaat het dat jullie niet beseffen dat Ik het niet over brood had? Pas op voor de desem van de farizeeën en de sadduceeën.”
11 Como não compreendeis que não vos falei a respeito de pães? E sim: acautelai-vos do fermento dos fariseus e dos saduceus.
12 Toen begrepen ze dat ze niet op hun hoede moesten zijn voor de desem in het brood, maar voor het onderwijs van de farizeeën en de sadduceeën.
12 Então, entenderam que não lhes dissera que se acautelassem do fermento de pães, mas da doutrina dos fariseus e dos saduceus.
13 Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg Hij zijn leerlingen: “Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?”
13 Indo Jesus para os lados de Cesareia de Filipe, perguntou a seus discípulos: Quem diz o povo ser o Filho do Homem?
14 Ze zeiden: “Sommigen zeggen: Johannes de Doper, anderen: Elia, nog anderen: Jeremia of een van de profeten.”
14 E eles responderam: Uns dizem: João Batista; outros: Elias; e outros: Jeremias ou algum dos profetas.
15 Jezus vroeg: “En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?”
15 Mas vós, continuou ele, quem dizeis que eu sou?
16 Simon Petrus antwoordde: “U bent de Messias, de Zoon van de levende God.”
16 Respondendo Simão Pedro, disse: Tu és o Cristo, o Filho do Deus vivo.
17 Toen zei Jezus tegen hem: “Simon Bar-Jona, jij bent gezegend, want dit is jou niet onthuld door mensen van vlees en bloed, maar door mijn Vader in de hemel.
17 Então, Jesus lhe afirmou: Bem-aventurado és, Simão Barjonas, porque não foi carne e sangue que to revelaram, mas meu Pai, que está nos céus.
18 Ik zeg je: jij bent Petrus, de rots. Op deze rots zal Ik mijn kerk bouwen en zelfs de dood zal haar niet kunnen overwinnen.
18 Também eu te digo que tu és Pedro, e sobre esta pedra edificarei a minha igreja, e as portas do inferno não prevalecerão contra ela.
19 Ik zal jou de sleutels van Gods rijk geven, en wat jij op aarde bindend verklaart, zal in de hemel bindend zijn en wat jij op aarde ontbonden verklaart zal in de hemel ontbonden zijn.”
19 Dar-te-ei as chaves do reino dos céus; o que ligares na terra terá sido ligado nos céus; e o que desligares na terra terá sido desligado nos céus.
20 Toen droeg Hij zijn leerlingen op aan niemand te vertellen dat Hij de Messias was.
20 Então, advertiu os discípulos de que a ninguém dissessem ser ele o Cristo.
21 Vanaf toen begon Jezus aan zijn leerlingen uit te leggen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan, dat de oudsten, hoofdpriesters en Schriftgeleerden Hem veel leed zouden aandoen, dat Hij zou worden gedood en dat Hij op de derde dag weer tot leven zou worden gewekt.
21 Desde esse tempo, começou Jesus Cristo a mostrar a seus discípulos que lhe era necessário seguir para Jerusalém e sofrer muitas coisas dos anciãos, dos principais sacerdotes e dos escribas, ser morto e ressuscitado no terceiro dia.
22 Petrus nam Hem apart en begon Hem te berispen door te zeggen: “Dat nooit, Heer! Dat mag U in geen geval overkomen!”
22 E Pedro, chamando-o à parte, começou a reprová-lo, dizendo: Tem compaixão de ti, Senhor; isso de modo algum te acontecerá.
23 Maar Jezus draaide zich om en zei tegen Petrus: “Ga weg, uit mijn ogen, jij satan! Je vormt een hinderpaal voor Me, omdat het jou niet om Gods belangen gaat, maar om die van de mensen.”
23 Mas Jesus, voltando-se, disse a Pedro: Arreda, Satanás! Tu és para mim pedra de tropeço, porque não cogitas das coisas de Deus, e sim das dos homens.
24 Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: “Als iemand met Mij wil meekomen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.
24 Então, disse Jesus a seus discípulos: Se alguém quer vir após mim, a si mesmo se negue, tome a sua cruz e siga-me.
25 Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven loslaat voor Mij, zal het vinden.
25 Porquanto, quem quiser salvar a sua vida perdê-la-á; e quem perder a vida por minha causa achá-la-á.
26 Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint maar zijn leven verliest? Wat zou een mens geven in ruil voor zijn leven?
26 Pois que aproveitará o homem se ganhar o mundo inteiro e perder a sua alma? Ou que dará o homem em troca da sua alma?
27 De Mensenzoon zal komen, gehuld in de hemelse pracht van zijn Vader en vergezeld door zijn engelen. Dan zal Hij iedereen geven wat hij verdiend heeft met zijn daden.
27 Porque o Filho do Homem há de vir na glória de seu Pai, com os seus anjos, e, então, retribuirá a cada um conforme as suas obras.
28 Ik verzeker jullie: sommigen die hier staan, zullen niet sterven voordat zij de Mensenzoon in zijn koninklijke glorie hebben zien komen.”
28 Em verdade vos digo que alguns há, dos que aqui se encontram, que de maneira nenhuma passarão pela morte até que vejam vir o Filho do Homem no seu reino.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 16, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.