Mateus 12

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 In die periode wandelde Jezus op een sabbat tussen de graanvelden door. Zijn leerlingen kregen honger en begonnen aren te plukken en op te eten.
1 Poucos dias depois, num sábado, Jesus estava atravessando uma plantação de trigo. Os seus discípulos estavam com fome e por isso começaram a colher espigas e a comer os grãos de trigo.
2 Toen de farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen Jezus: “Uw leerlingen doen iets dat op de sabbat niet is toegestaan.”
2 Quando alguns fariseus viram aquilo, disseram a Jesus: — Veja! Os seus discípulos estão fazendo uma coisa que a nossa
3 Maar Hij antwoordde: “Hebben jullie niet gelezen wat David deed toen hij en zijn mannen honger hadden?
3 Então Jesus respondeu:
4 Hij ging het huis van God binnen en hij en zijn mannen aten van de gewijde broden, hoewel hun dat niet was toegestaan; enkel de priesters mochten dat.
4 Davi entrou na casa de Deus, e ele e os seus companheiros comeram os pães oferecidos a Deus, embora isso fosse contra a Lei. Pois somente os sacerdotes tinham o direito de comer esses pães.
5 En hebben jullie niet in de Wet gelezen dat de priesters die op de sabbat in de tempel zijn, de sabbat ontwijden maar toch onschuldig zijn?
5 Ou vocês não leram na Lei de Moisés que, nos sábados, os sacerdotes quebram a Lei, no Templo, e não são culpados?
6 Maar Ik zeg jullie dat hier iets belangrijkers is dan de tempel.
6 Eu afirmo a vocês que o que está aqui é mais importante do que o Templo.
7 En als jullie hadden geweten wat ‘Ik verlang mededogen, geen offers’ betekent, dan hadden jullie de onschuldigen niet veroordeeld.
7 Se vocês soubessem o que as
8 Want de Mensenzoon is baas over de sabbat.”
8 Pois o
9 Toen vertrok Hij daarvandaan en ging Hij hun synagoge binnen.
9 Jesus saiu dali e foi para uma sinagoga .
10 Daar was iemand met een verlamde hand. Om Jezus te kunnen beschuldigen, vroegen ze Hem: “Is het toegestaan om op de sabbat te genezen?”
10 Estava ali um homem que tinha uma das mãos aleijada. Então algumas pessoas que queriam acusar Jesus de desobedecer à Lei lhe perguntaram: — É contra a nossa Lei curar no sábado?
11 Jezus antwoordde: “Wie van jullie die een schaap heeft zou dat, als het op de sabbat in een kuil zou vallen, niet vastgrijpen en eruit halen?
11 Jesus respondeu:
12 En een mens is toch veel meer waard dan een schaap? Daarom is het toegestaan om goed te doen op de sabbat.”
12 Pois uma pessoa vale muito mais do que uma ovelha. Portanto, a nossa Lei permite ajudar os outros no sábado.
13 Vervolgens zei Hij tegen de man: “Steek je hand uit.” De man stak zijn hand uit en die genas; hij was nu even gezond als de andere.
13 E disse para o homem: Ele estendeu, e ela sarou e ficou igual à outra.
14 De farizeeën gingen naar buiten en beraamden een plan om Hem om te brengen.
14 Então os fariseus que estavam ali saíram e começaram a fazer planos para matar Jesus.
15 Maar Jezus wist ervan en vertrok daarvandaan. Grote aantallen mensen volgden Hem en Hij genas hen allen.
15 Quando Jesus soube disso, foi embora dali, e muita gente o seguiu. Ele curou todos os que estavam doentes
16 Hij verbood hun echter bekend te maken wie Hij was.
16 e mandou que não contassem nada a ninguém a respeito dele.
17 Zo gingen de volgende woorden van de profeet Jesaja in vervulling:
17 Isso aconteceu para se cumprir o que o profeta Isaías tinha dito:
18 — ausente —
18 “Disse Deus: Aqui está o meu servo que escolhi, aquele que amo e que dá muita alegria ao meu coração. Eu porei nele o meu Espírito, e ele anunciará o meu julgamento a todos os povos.
19 — ausente —
19 Não discutirá, nem gritará, nem fará discursos nas ruas.
20 — ausente —
20 Não esmagará o galho que está quebrado, nem apagará a luz que já está fraca. Ele agirá assim até que a causa da justiça seja vitoriosa.
21 — ausente —
21 E todos os povos vão pôr nele a sua esperança.”
22 Er werd iemand bij Jezus gebracht die bezeten was en niet kon zien of spreken. Jezus genas hem, zodat de man kon spreken en zien.
22 Então levaram a Jesus um homem que era cego e mudo porque estava dominado por um demônio. Jesus o curou, e ele começou a ver e a falar.
23 Alle mensen waren verbaasd; ze zeiden: “Zou Hij de Zoon van David zijn?”
23 A multidão ficou admirada e perguntava: — Será que este homem é o
24 De farizeeën hoorden dat en zeiden: “Hij kan de demonen alleen maar uitdrijven omdat Beëlzebul, de heerser over de demonen, Hem daartoe in staat stelt.”
24 Alguns fariseus ouviram isso e responderam: — É
25 Jezus wist echter wat ze dachten en zei: “Ieder koninkrijk dat innerlijk verdeeld is, gaat te gronde, en geen enkele stad of familie die innerlijk verdeeld is, zal standhouden.
25 Mas Jesus conhecia os pensamentos deles e disse:
26 En als Satan Satan uitdrijft, is hij innerlijk verdeeld. Dus hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden?
26 Assim, se no reino de Satanás um grupo está combatendo contra outro, isso quer dizer que esse reino já está dividido e logo vai desaparecer.
27 En als Ik de demonen uitdrijf doordat Beëlzebul Mij daartoe in staat stelt, wie stelt jullie aanhangers dan in staat om ze uit te drijven? Zij tonen aan dat jullie ongelijk hebben.
27 Vocês dizem que eu expulso demônios porque Belzebu me dá poder para fazer isso. Mas, se é assim, quem dá aos seguidores de vocês o poder para expulsar demônios? Assim, os seus próprios seguidores provam que vocês estão completamente enganados.
28 Maar als het Gods Geest is die Mij in staat stelt om demonen uit te drijven, dan blijkt daaruit dat Gods koninkrijk bij jullie is gekomen.
28 Na verdade é pelo poder de Deus que eu expulso demônios, e isso prova que o
29 Of hoe zou iemand het huis van een sterk persoon kunnen binnendringen en diens bezittingen kunnen roven? Hij zal toch eerst de sterke persoon vastbinden en pas daarna het huis leegroven?
29 — Ninguém pode entrar na casa de um homem forte e roubar os seus bens, sem primeiro amarrá-lo. Somente assim essa pessoa poderá levar as coisas que ele tem em casa.
30 Wie niet voor Mij is, is tegen Mij en wie niet met Mij bijeenbrengt, drijft uiteen.
30 — Quem não é a meu favor é contra mim; e quem não me ajuda a ajuntar está espalhando.
31 Daarom zeg Ik jullie: elke zonde en elke godslastering kan de mensen worden vergeven, maar lastering tegen de Geest zal niet worden vergeven
31 Por isso eu afirmo a vocês que as pessoas serão perdoadas por qualquer pecado ou
32 en wie kwaadspreekt over de Mensenzoon, kan worden vergeven, maar wie kwaadspreekt over de Heilige Geest, zal niet worden vergeven, noch in dit tijdperk, noch in het toekomstige.
32 Se alguém disser alguma coisa contra o
33 Van een boom moet je ofwel zeggen dat hij goed is, en dan zijn de vruchten ervan ook goed, ofwel moet je zeggen dat hij slecht is, en dan zijn ook de vruchten ervan slecht, want de boom is te herkennen aan zijn vruchten.
33 — Vocês só poderão ter frutas boas se tiverem uma árvore boa. Mas, se tiverem uma árvore que não presta, vocês terão frutas que não prestam. Porque é pela qualidade das frutas que sabemos se uma árvore é boa ou não presta.
34 Addergebroed, jullie kunnen toch geen goede woorden spreken terwijl jullie slecht zijn? Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond.
34 Ninhada de cobras venenosas! Como é que vocês podem dizer coisas boas se são maus? Pois a boca fala do que o coração está cheio.
35 Een goed mens haalt uit zijn voorraad goedheid goede dingen tevoorschijn, en een slecht mens haalt uit zijn voorraad slechtheid slechte dingen tevoorschijn.
35 A pessoa boa tira o bem do seu depósito de coisas boas, e a pessoa má tira o mal do seu depósito de coisas más.
36 Maar Ik zeg jullie: op de Oordeelsdag zullen de mensen verantwoording moeten afleggen voor iedere lichtzinnige opmerking die ze hebben gemaakt.
36 — Eu afirmo a vocês que, no Dia do Juízo, cada pessoa vai prestar contas de toda palavra inútil que falou.
37 Want op basis van je woorden zal je worden vrijgesproken en op basis van je woorden zal je worden veroordeeld.”
37 Porque as suas palavras vão servir para julgar se você é inocente ou culpado.
38 Toen vroegen enkele Schriftgeleerden en farizeeën Hem: “Leraar, wij willen U graag een teken zien doen.”
38 Então alguns mestres da Lei e alguns fariseus disseram a Jesus: — Mestre, queremos ver o senhor fazer um milagre.
39 Jezus antwoordde: “Slechte en overspelige mensen eisen een teken, maar er zal hun geen teken worden gegeven, behalve het teken van de profeet Jona.
39 Jesus respondeu:
40 Want zoals Jona zich drie dagen en drie nachten in de buik van het grote zeedier bevond, zal de Mensenzoon zich drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde bevinden.
40 Porque assim como Jonas ficou três dias e três noites dentro de um grande peixe, assim também o
41 Bij het Oordeel zullen tegelijk met jullie soort de inwoners van Nineve verrijzen en zij zullen jullie veroordelen, want zij kwamen tot inkeer door Jona's verkondiging, en hier is Iemand die groter is dan Jona.
41 No Dia do Juízo o povo de Nínive vai se levantar e acusar vocês, pois eles se arrependeram dos seus pecados quando ouviram a pregação de Jonas. E eu afirmo que o que está aqui é mais importante do que Jonas.
42 Bij het Oordeel zal tegelijk met jullie soort de koningin van het Zuiden verrijzen en zij zal jullie veroordelen, want zij kwam van de uithoeken van de aarde naar Salomo's wijsheid luisteren en hier is Iemand die groter is dan Salomo.
42 No Dia do Juízo a Rainha de Sabá vai se levantar e acusar vocês, pois ela veio de muito longe para ouvir os sábios ensinamentos de Salomão. E eu afirmo que o que está aqui é mais importante do que Salomão.
43 Wanneer een onreine geest uit een mens is gekomen, trekt hij door dorre plaatsen op zoek naar een rustplaats, zonder die te vinden.
43 Jesus continuou:
44 Dan zegt hij: ‘Ik ga terug naar het huis waar ik vandaan kom.’ En wanneer hij aankomt, treft hij het huis onbewoond, geveegd en opgeruimd aan.
44 Então diz: “Vou voltar para a minha casa, de onde saí.” Aí volta e encontra a casa vazia, limpa e arrumada.
45 Dan gaat hij weg om zeven andere geesten op te halen die nog slechter zijn dan hijzelf, en ze nemen er hun intrek. Dan is die persoon er slechter aan toe dan eerst. Zo zal het ook zijn met jullie soort slechte mensen.”
45 Depois sai, vai buscar outros sete espíritos piores ainda, e todos ficam morando ali. Assim a situação daquela pessoa fica pior do que antes. E isso também acontecerá com esta gente má de hoje.
46 Terwijl Hij de mensenmassa nog toesprak, stonden onverwachts zijn moeder en broers buiten. Ze wilden Hem spreken.
46 Quando Jesus ainda estava falando ao povo, a mãe e os irmãos dele chegaram. Ficaram do lado de fora e pediram para falar com ele.
47 Iemand zei tegen Jezus: “Uw moeder en broers staan buiten en ze willen met U spreken.”
47 Então alguém disse a Jesus: — Escute! A sua mãe e os seus irmãos estão lá fora e querem falar com o senhor.
48 Jezus antwoordde de persoon die het Hem had verteld: “Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?”
48 Jesus perguntou:
49 Hij wees naar zijn leerlingen en zei: “Dit zijn mijn moeder en mijn broers.
49 Então apontou para os seus discípulos e disse:
50 Want wie doet wat mijn Vader in de hemel wil, die is mijn broer, zus of moeder.”
50 Pois quem faz a vontade do meu Pai, que está no céu, é meu irmão, minha irmã e minha mãe.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 12, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.