Mateus 12

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 In die periode wandelde Jezus op een sabbat tussen de graanvelden door. Zijn leerlingen kregen honger en begonnen aren te plukken en op te eten.
1 Por aquele tempo, em dia de sábado, passou Jesus pelas searas. Ora, estando os seus discípulos com fome, entraram a colher espigas e a comer.
2 Toen de farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen Jezus: “Uw leerlingen doen iets dat op de sabbat niet is toegestaan.”
2 Os fariseus, porém, vendo isso, disseram-lhe: Eis que os teus discípulos fazem o que não é lícito fazer em dia de sábado.
3 Maar Hij antwoordde: “Hebben jullie niet gelezen wat David deed toen hij en zijn mannen honger hadden?
3 Mas Jesus lhes disse: Não lestes o que fez Davi quando ele e seus companheiros tiveram fome?
4 Hij ging het huis van God binnen en hij en zijn mannen aten van de gewijde broden, hoewel hun dat niet was toegestaan; enkel de priesters mochten dat.
4 Como entrou na Casa de Deus, e comeram os pães da proposição, os quais não lhes era lícito comer, nem a ele nem aos que com ele estavam, mas exclusivamente aos sacerdotes?
5 En hebben jullie niet in de Wet gelezen dat de priesters die op de sabbat in de tempel zijn, de sabbat ontwijden maar toch onschuldig zijn?
5 Ou não lestes na Lei que, aos sábados, os sacerdotes no templo violam o sábado e ficam sem culpa? Pois eu vos digo:
6 Maar Ik zeg jullie dat hier iets belangrijkers is dan de tempel.
6 aqui está quem é maior que o templo.
7 En als jullie hadden geweten wat ‘Ik verlang mededogen, geen offers’ betekent, dan hadden jullie de onschuldigen niet veroordeeld.
7 Mas, se vós soubésseis o que significa:
8 Want de Mensenzoon is baas over de sabbat.”
8 Porque o Filho do Homem é senhor do sábado.
9 Toen vertrok Hij daarvandaan en ging Hij hun synagoge binnen.
9 Tendo Jesus partido dali, entrou na sinagoga deles.
10 Daar was iemand met een verlamde hand. Om Jezus te kunnen beschuldigen, vroegen ze Hem: “Is het toegestaan om op de sabbat te genezen?”
10 Achava-se ali um homem que tinha uma das mãos ressequida; e eles, então, com o intuito de acusá-lo, perguntaram a Jesus: É lícito curar no sábado?
11 Jezus antwoordde: “Wie van jullie die een schaap heeft zou dat, als het op de sabbat in een kuil zou vallen, niet vastgrijpen en eruit halen?
11 Ao que lhes respondeu: Qual dentre vós será o homem que, tendo uma ovelha, e, num sábado, esta cair numa cova, não fará todo o esforço, tirando-a dali?
12 En een mens is toch veel meer waard dan een schaap? Daarom is het toegestaan om goed te doen op de sabbat.”
12 Ora, quanto mais vale um homem que uma ovelha? Logo, é lícito, nos sábados, fazer o bem.
13 Vervolgens zei Hij tegen de man: “Steek je hand uit.” De man stak zijn hand uit en die genas; hij was nu even gezond als de andere.
13 Então, disse ao homem: Estende a mão. Estendeu-a, e ela ficou sã como a outra.
14 De farizeeën gingen naar buiten en beraamden een plan om Hem om te brengen.
14 Retirando-se, porém, os fariseus, conspiravam contra ele, sobre como lhe tirariam a vida.
15 Maar Jezus wist ervan en vertrok daarvandaan. Grote aantallen mensen volgden Hem en Hij genas hen allen.
15 Mas Jesus, sabendo disto, afastou-se dali. Muitos o seguiram, e a todos ele curou,
16 Hij verbood hun echter bekend te maken wie Hij was.
16 advertindo-lhes, porém, que o não expusessem à publicidade,
17 Zo gingen de volgende woorden van de profeet Jesaja in vervulling:
17 para se cumprir o que foi dito por intermédio do profeta Isaías:
18 — ausente —
18 Eis aqui o meu servo, que escolhi, o meu amado, em quem a minha alma se compraz. Farei repousar sobre ele o meu Espírito, e ele anunciará juízo aos gentios.
19 — ausente —
19 Não contenderá, nem gritará, nem alguém ouvirá nas praças a sua voz.
20 — ausente —
20 Não esmagará a cana quebrada, nem apagará a torcida que fumega, até que faça vencedor o juízo.
21 — ausente —
21 E, no seu nome, esperarão os gentios.
22 Er werd iemand bij Jezus gebracht die bezeten was en niet kon zien of spreken. Jezus genas hem, zodat de man kon spreken en zien.
22 Então, lhe trouxeram um endemoninhado, cego e mudo; e ele o curou, passando o mudo a falar e a ver.
23 Alle mensen waren verbaasd; ze zeiden: “Zou Hij de Zoon van David zijn?”
23 E toda a multidão se admirava e dizia: É este, porventura, o Filho de Davi?
24 De farizeeën hoorden dat en zeiden: “Hij kan de demonen alleen maar uitdrijven omdat Beëlzebul, de heerser over de demonen, Hem daartoe in staat stelt.”
24 Mas os fariseus, ouvindo isto, murmuravam: Este não expele demônios senão pelo poder de Belzebu, maioral dos demônios.
25 Jezus wist echter wat ze dachten en zei: “Ieder koninkrijk dat innerlijk verdeeld is, gaat te gronde, en geen enkele stad of familie die innerlijk verdeeld is, zal standhouden.
25 Jesus, porém, conhecendo-lhes os pensamentos, disse: Todo reino dividido contra si mesmo ficará deserto, e toda cidade ou casa dividida contra si mesma não subsistirá.
26 En als Satan Satan uitdrijft, is hij innerlijk verdeeld. Dus hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden?
26 Se Satanás expele a Satanás, dividido está contra si mesmo; como, pois, subsistirá o seu reino?
27 En als Ik de demonen uitdrijf doordat Beëlzebul Mij daartoe in staat stelt, wie stelt jullie aanhangers dan in staat om ze uit te drijven? Zij tonen aan dat jullie ongelijk hebben.
27 E, se eu expulso demônios por Belzebu, por quem os expulsam vossos filhos? Por isso, eles mesmos serão os vossos juízes.
28 Maar als het Gods Geest is die Mij in staat stelt om demonen uit te drijven, dan blijkt daaruit dat Gods koninkrijk bij jullie is gekomen.
28 Se, porém, eu expulso demônios pelo Espírito de Deus, certamente é chegado o reino de Deus sobre vós.
29 Of hoe zou iemand het huis van een sterk persoon kunnen binnendringen en diens bezittingen kunnen roven? Hij zal toch eerst de sterke persoon vastbinden en pas daarna het huis leegroven?
29 Ou como pode alguém entrar na casa do valente e roubar-lhe os bens sem primeiro amarrá-lo? E, então, lhe saqueará a casa.
30 Wie niet voor Mij is, is tegen Mij en wie niet met Mij bijeenbrengt, drijft uiteen.
30 Quem não é por mim é contra mim; e quem comigo não ajunta espalha.
31 Daarom zeg Ik jullie: elke zonde en elke godslastering kan de mensen worden vergeven, maar lastering tegen de Geest zal niet worden vergeven
31 Por isso, vos declaro: todo pecado e blasfêmia serão perdoados aos homens; mas a blasfêmia contra o Espírito não será perdoada.
32 en wie kwaadspreekt over de Mensenzoon, kan worden vergeven, maar wie kwaadspreekt over de Heilige Geest, zal niet worden vergeven, noch in dit tijdperk, noch in het toekomstige.
32 Se alguém proferir alguma palavra contra o Filho do Homem, ser-lhe-á isso perdoado; mas, se alguém falar contra o Espírito Santo, não lhe será isso perdoado, nem neste mundo nem no porvir.
33 Van een boom moet je ofwel zeggen dat hij goed is, en dan zijn de vruchten ervan ook goed, ofwel moet je zeggen dat hij slecht is, en dan zijn ook de vruchten ervan slecht, want de boom is te herkennen aan zijn vruchten.
33 Ou fazei a árvore boa e o seu fruto bom ou a árvore má e o seu fruto mau; porque pelo fruto se conhece a árvore.
34 Addergebroed, jullie kunnen toch geen goede woorden spreken terwijl jullie slecht zijn? Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond.
34 Raça de víboras, como podeis falar coisas boas, sendo maus? Porque a boca fala do que está cheio o coração.
35 Een goed mens haalt uit zijn voorraad goedheid goede dingen tevoorschijn, en een slecht mens haalt uit zijn voorraad slechtheid slechte dingen tevoorschijn.
35 O homem bom tira do tesouro bom coisas boas; mas o homem mau do mau tesouro tira coisas más.
36 Maar Ik zeg jullie: op de Oordeelsdag zullen de mensen verantwoording moeten afleggen voor iedere lichtzinnige opmerking die ze hebben gemaakt.
36 Digo-vos que de toda palavra frívola que proferirem os homens, dela darão conta no Dia do Juízo;
37 Want op basis van je woorden zal je worden vrijgesproken en op basis van je woorden zal je worden veroordeeld.”
37 porque, pelas tuas palavras, serás justificado e, pelas tuas palavras, serás condenado.
38 Toen vroegen enkele Schriftgeleerden en farizeeën Hem: “Leraar, wij willen U graag een teken zien doen.”
38 Então, alguns escribas e fariseus replicaram: Mestre, queremos ver de tua parte algum sinal.
39 Jezus antwoordde: “Slechte en overspelige mensen eisen een teken, maar er zal hun geen teken worden gegeven, behalve het teken van de profeet Jona.
39 Ele, porém, respondeu: Uma geração má e adúltera pede um sinal; mas nenhum sinal lhe será dado, senão o do profeta Jonas.
40 Want zoals Jona zich drie dagen en drie nachten in de buik van het grote zeedier bevond, zal de Mensenzoon zich drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde bevinden.
40 Porque assim como esteve Jonas três dias e três noites no ventre do grande peixe, assim o Filho do Homem estará três dias e três noites no coração da terra.
41 Bij het Oordeel zullen tegelijk met jullie soort de inwoners van Nineve verrijzen en zij zullen jullie veroordelen, want zij kwamen tot inkeer door Jona's verkondiging, en hier is Iemand die groter is dan Jona.
41 Ninivitas se levantarão, no Juízo, com esta geração e a condenarão; porque se arrependeram com a pregação de Jonas. E eis aqui está quem é maior do que Jonas.
42 Bij het Oordeel zal tegelijk met jullie soort de koningin van het Zuiden verrijzen en zij zal jullie veroordelen, want zij kwam van de uithoeken van de aarde naar Salomo's wijsheid luisteren en hier is Iemand die groter is dan Salomo.
42 A rainha do Sul se levantará, no Juízo, com esta geração e a condenará; porque veio dos confins da terra para ouvir a sabedoria de Salomão. E eis aqui está quem é maior do que Salomão.
43 Wanneer een onreine geest uit een mens is gekomen, trekt hij door dorre plaatsen op zoek naar een rustplaats, zonder die te vinden.
43 Quando o espírito imundo sai do homem, anda por lugares áridos procurando repouso, porém não encontra.
44 Dan zegt hij: ‘Ik ga terug naar het huis waar ik vandaan kom.’ En wanneer hij aankomt, treft hij het huis onbewoond, geveegd en opgeruimd aan.
44 Por isso, diz: Voltarei para minha casa donde saí. E, tendo voltado, a encontra vazia, varrida e ornamentada.
45 Dan gaat hij weg om zeven andere geesten op te halen die nog slechter zijn dan hijzelf, en ze nemen er hun intrek. Dan is die persoon er slechter aan toe dan eerst. Zo zal het ook zijn met jullie soort slechte mensen.”
45 Então, vai e leva consigo outros sete espíritos, piores do que ele, e, entrando, habitam ali; e o último estado daquele homem torna-se pior do que o primeiro. Assim também acontecerá a esta geração perversa.
46 Terwijl Hij de mensenmassa nog toesprak, stonden onverwachts zijn moeder en broers buiten. Ze wilden Hem spreken.
46 Falava ainda Jesus ao povo, e eis que sua mãe e seus irmãos estavam do lado de fora, procurando falar-lhe.
47 Iemand zei tegen Jezus: “Uw moeder en broers staan buiten en ze willen met U spreken.”
47 E alguém lhe disse: Tua mãe e teus irmãos estão lá fora e querem falar-te.
48 Jezus antwoordde de persoon die het Hem had verteld: “Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?”
48 Porém ele respondeu ao que lhe trouxera o aviso: Quem é minha mãe e quem são meus irmãos?
49 Hij wees naar zijn leerlingen en zei: “Dit zijn mijn moeder en mijn broers.
49 E, estendendo a mão para os discípulos, disse: Eis minha mãe e meus irmãos.
50 Want wie doet wat mijn Vader in de hemel wil, die is mijn broer, zus of moeder.”
50 Porque qualquer que fizer a vontade de meu Pai celeste, esse é meu irmão, irmã e mãe.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 12, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.