Mateus 10

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Jezus riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun het gezag om onreine geesten uit te drijven en elke ziekte en aandoening te genezen.
1 Tendo chamado os seus doze discípulos, deu-lhes Jesus autoridade sobre espíritos imundos para os expelir e para curar toda sorte de doenças e enfermidades.
2 De namen van de twaalf apostelen zijn: vooreerst Simon die Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andreas, verder Jakobus, de zoon van Zebedeüs, zijn broer Johannes,
2 Ora, os nomes dos doze apóstolos são estes: primeiro, Simão, por sobrenome Pedro, e André, seu irmão; Tiago, filho de Zebedeu, e João, seu irmão;
3 Filippus, Bartolomeüs, Tomas, Matteüs de belastinginner, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs,
3 Filipe e Bartolomeu; Tomé e Mateus, o publicano; Tiago, filho de Alfeu, e Tadeu;
4 Simon de Zeloot en Judas Iskariot, die Jezus heeft verraden.
4 Simão, o Zelote, e Judas Iscariotes, que foi quem o traiu.
5 Deze twaalf stuurde Jezus op pad met de volgende instructies: “Begeef je niet onder de niet-Joden en ga geen Samaritaanse stad binnen.
5 A estes doze enviou Jesus, dando-lhes as seguintes instruções: Não tomeis rumo aos gentios, nem entreis em cidade de samaritanos;
6 Ga daarentegen naar het volk Israël, de verloren schapen,
6 mas, de preferência, procurai as ovelhas perdidas da casa de Israel;
7 en verkondig onderweg dat Gods rijk in aantocht is.
7 e, à medida que seguirdes, pregai que está próximo o reino dos céus.
8 Genees zieken, wek doden tot leven, maak mensen met huidziekten rein, en drijf demonen uit. Jullie hebben gratis gekregen en moeten zelf ook gratis geven.
8 Curai enfermos, ressuscitai mortos, purificai leprosos, expeli demônios; de graça recebestes, de graça dai.
9 Ga zonder gouden, zilveren of koperen munten in je geldriem
9 Não vos provereis de ouro, nem de prata, nem de cobre nos vossos cintos;
10 en zonder reistas, zonder extra kledij of schoenen en zonder wandelstok, want de arbeider is zijn levensonderhoud waard.
10 nem de alforje para o caminho, nem de duas túnicas, nem de sandálias, nem de bordão; porque digno é o trabalhador do seu alimento.
11 Wanneer jullie een stad of dorp bezoeken, ontdek dan wie het waard is jullie te ontvangen en blijf bij die persoon logeren totdat je vertrekt.
11 E, em qualquer cidade ou povoado em que entrardes, indagai quem neles é digno; e aí ficai até vos retirardes.
12 Wens bij het binnengaan van het huis de mensen daar vrede toe.
12 Ao entrardes na casa, saudai-a;
13 Als ze het waard zijn, zal je vredeswens op hen rusten. Maar als ze het niet waard zijn, zal je vredeswens geen effect op hen hebben.
13 se, com efeito, a casa for digna, venha sobre ela a vossa paz; se, porém, não o for, torne para vós outros a vossa paz.
14 Als iemand je niet verwelkomt of niet naar je woorden luistert, vertrek dan uit dat huis of die stad en schud het stof van je voeten.
14 Se alguém não vos receber, nem ouvir as vossas palavras, ao sairdes daquela casa ou daquela cidade, sacudi o pó dos vossos pés.
15 Ik verzeker jullie: op de Oordeelsdag zal het draaglijker zijn voor de mensen van Sodom en Gomorra dan voor de mensen van die stad.
15 Em verdade vos digo que menos rigor haverá para Sodoma e Gomorra, no Dia do Juízo, do que para aquela cidade.
16 Ik stuur jullie eropuit als schapen tussen de wolven. Wees dus zo behoedzaam als slangen en zo onschuldig als duiven.
16 Eis que eu vos envio como ovelhas para o meio de lobos; sede, portanto, prudentes como as serpentes e símplices como as pombas.
17 En pas op voor de mensen, want ze zullen jullie aan stadsraden uitleveren en jullie geselen in hun synagogen.
17 E acautelai-vos dos homens; porque vos entregarão aos tribunais e vos açoitarão nas suas sinagogas;
18 Omwille van Mij zullen jullie voor heersers en koningen worden geleid, om te getuigen tegenover hen en de volken.
18 por minha causa sereis levados à presença de governadores e de reis, para lhes servir de testemunho, a eles e aos gentios.
19 Wanneer je wordt overgeleverd, wees dan niet ongerust over wat je precies zal zeggen, want de woorden zullen je op dat moment worden ingegeven.
19 E, quando vos entregarem, não cuideis em como ou o que haveis de falar, porque, naquela hora, vos será concedido o que haveis de dizer,
20 Dan ben je het namelijk niet zelf die spreekt, maar dan spreekt in jullie de Geest van jullie Vader.
20 visto que não sois vós os que falais, mas o Espírito de vosso Pai é quem fala em vós.
21 De ene broer zal de andere uitleveren om te worden omgebracht, en een vader zijn kind; kinderen zullen tegen hun ouders in opstand komen en hen laten ombrengen.
21 Um irmão entregará à morte outro irmão, e o pai, ao filho; filhos haverá que se levantarão contra os progenitores e os matarão.
22 Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam, maar wie standhoudt tot het einde, zal worden gered.
22 Sereis odiados de todos por causa do meu nome; aquele, porém, que perseverar até ao fim, esse será salvo.
23 Wanneer men jullie in de ene stad vervolgt, vlucht dan naar de andere. Want Ik verzeker jullie: jullie zullen niet in alle steden van Israël zijn geweest voordat de Mensenzoon komt.
23 Quando, porém, vos perseguirem numa cidade, fugi para outra; porque em verdade vos digo que não acabareis de percorrer as cidades de Israel, até que venha o Filho do Homem.
24 Een leerling staat niet boven zijn leraar en een slaaf niet boven zijn meester.
24 O discípulo não está acima do seu mestre, nem o servo, acima do seu senhor.
25 Het is voor de leerling voldoende om te zijn als zijn leraar en voor de slaaf om te zijn als zijn meester. Als de mensen de huiseigenaar Beëlzebul hebben genoemd, waarvoor zullen ze dan zijn huisgenoten uitmaken?
25 Basta ao discípulo ser como o seu mestre, e ao servo, como o seu senhor. Se chamaram Belzebu ao dono da casa, quanto mais aos seus domésticos?
26 Wees dus niet bang voor de mensen, want er is niets verborgen dat niet zal worden onthuld en er is niets geheim dat niet zal worden bekendgemaakt.
26 Portanto, não os temais; pois nada há encoberto, que não venha a ser revelado; nem oculto, que não venha a ser conhecido.
27 Wat Ik in het geheim tegen jullie zeg, moeten jullie in het openbaar doorvertellen en wat Ik jullie in het oor fluister, moeten jullie van de daken verkondigen.
27 O que vos digo às escuras, dizei-o a plena luz; e o que se vos diz ao ouvido, proclamai-o dos eirados.
28 Wees niet bang voor wie wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden; je zou beter bang zijn voor Hem die zowel de ziel als het lichaam kan vernietigen in de hel.
28 Não temais os que matam o corpo e não podem matar a alma; temei, antes, aquele que pode fazer perecer no inferno tanto a alma como o corpo.
29 Worden mussen niet per twee verkocht voor een kopermuntje? Toch valt niet één mus op de grond buiten jullie Vader om.
29 Não se vendem dois pardais por um asse? E nenhum deles cairá em terra sem o consentimento de vosso Pai.
30 En alle haren op je hoofd zijn geteld.
30 E, quanto a vós outros, até os cabelos todos da cabeça estão contados.
31 Jullie zijn veel meer waard dan mussen; wees dus niet bang.
31 Não temais, pois! Bem mais valeis vós do que muitos pardais.
32 Ieder die Mij erkent bij de mensen, zal Ik erkennen bij mijn Vader in de hemel.
32 Portanto, todo aquele que me confessar diante dos homens, também eu o confessarei diante de meu Pai, que está nos céus;
33 En wie Mij verloochent bij de mensen, zal Ik verloochenen bij mijn Vader in de hemel.
33 mas aquele que me negar diante dos homens, também eu o negarei diante de meu Pai, que está nos céus.
34 Denk niet dat Ik ben gekomen om vrede op aarde te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.
34 Não penseis que vim trazer paz à terra; não vim trazer paz, mas espada.
35 Ik ben gekomen om vijandschap te brengen tussen mannen en hun vaders, tussen dochters en hun moeders, en tussen schoondochters en hun schoonmoeders.
35 Pois vim causar divisão entre o homem e seu pai; entre a filha e sua mãe e entre a nora e sua sogra.
36 En huisgenoten zullen elkaars vijanden worden.
36 Assim, os inimigos do homem serão os da sua própria casa.
37 Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van Mij, is Mij niet waard, en wie meer van zijn zoon of dochter houdt dan van Mij, is Mij niet waard.
37 Quem ama seu pai ou sua mãe mais do que a mim não é digno de mim; quem ama seu filho ou sua filha mais do que a mim não é digno de mim;
38 En wie niet zijn kruis op zich neemt en Mij volgt, is Mij niet waard.
38 e quem não toma a sua cruz e vem após mim não é digno de mim.
39 Wie het ware leven denkt te hebben gevonden, zal het verliezen, maar wie zijn leven loslaat voor Mij, zal het ware leven vinden.
39 Quem acha a sua vida perdê-la-á; quem, todavia, perde a vida por minha causa achá-la-á.
40 Wie jullie verwelkomt, verwelkomt Mij en wie Mij verwelkomt, verwelkomt Degene die Mij heeft gezonden.
40 Quem vos recebe a mim me recebe; e quem me recebe recebe aquele que me enviou.
41 Wie een profeet verwelkomt als een profeet, zal als een profeet worden beloond en wie een rechtvaardig mens verwelkomt als een rechtvaardig mens, zal als een rechtvaardig mens worden beloond.
41 Quem recebe um profeta, no caráter de profeta, receberá o galardão de profeta; quem recebe um justo, no caráter de justo, receberá o galardão de justo.
42 En wie een van deze eenvoudige mensen een beker koud water geeft, enkel en alleen omdat hij mijn volgeling is, Ik verzeker jullie dat hij zijn beloning zeker niet zal mislopen.”
42 E quem der a beber, ainda que seja um copo de água fria, a um destes pequeninos, por ser este meu discípulo, em verdade vos digo que de modo algum perderá o seu galardão.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Mateus 10, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.