Marcos 3

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Jezus ging opnieuw naar de synagoge en daar was iemand met een hand die hij niet kon bewegen.
1 De novo, Jesus entrou na sinagoga. E estava ali um homem que tinha uma das mãos ressequida.
2 De mensen keken goed of Jezus hem op de sabbat zou genezen, zodat ze Hem zouden kunnen beschuldigen.
2 E estavam observando Jesus para ver se curaria aquele homem no sábado, a fim de o acusarem.
3 Maar Hij zei tegen de man met de hand die hij niet kon bewegen: “Kom in het midden staan.”
3 Jesus disse ao homem da mão ressequida:
4 Toen vroeg Hij de mensen: “Wat is toegestaan op de sabbat: goed doen of kwaad doen, een leven redden of een leven wegnemen?” Maar ze zwegen.
4 Então lhes perguntou: Mas eles ficaram em silêncio.
5 Hij keek hen kwaad aan, ontzet over de starheid van hun hart. Vervolgens zei Hij tegen de man: “Steek de hand uit.” De man stak zijn hand uit en die genas.
5 Então Jesus, olhando em volta, indignado e entristecido com a dureza de coração daquelas pessoas, disse ao homem: O homem estendeu a mão, e ela lhe foi restaurada.
6 Toen gingen de farizeeën naar buiten om samen met de aanhangers van Herodes een plan te beramen om Jezus om te brengen.
6 Os fariseus saíram dali e, com os herodianos, logo começaram a conspirar contra Jesus, procurando ver como o matariam.
7 Jezus trok zich echter met zijn leerlingen terug bij het meer. Een groot aantal mensen uit Galilea volgde hen. Ook uit Judea,
7 Jesus se retirou com os seus discípulos para o mar. Uma grande multidão o seguia. Eram pessoas que tinham vindo da Galileia, da Judeia,
8 Jeruzalem, Idumea, het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen de mensen in drommen naar Hem toe, omdat ze hadden gehoord wat Hij allemaal deed.
8 de Jerusalém, da Idumeia, do outro lado do Jordão e dos arredores de Tiro e de Sidom, porque ouviam falar das coisas que Jesus fazia.
9 Hij vroeg zijn leerlingen om een bootje klaar te houden wegens de menigte, voor het geval het gedrang te sterk zou worden.
9 Então recomendou aos seus discípulos que sempre lhe tivessem pronto um barquinho, por causa da multidão, a fim de não o apertarem.
10 Hij had namelijk veel mensen genezen en daarom drongen veel mensen die iets mankeerden naar voren om Hem aan te raken.
10 Pois curava muitas pessoas, de modo que todos os que tinham alguma enfermidade se esforçavam para chegar perto, a fim de poderem tocar nele.
11 En wanneer de onreine geesten Hem zagen, vielen ze voor Hem neer terwijl ze schreeuwden: “U bent de Zoon van God.”
11 Também os espíritos imundos, quando o viam, prostravam-se diante dele e gritavam: — Você é o Filho de Deus!
12 Maar Hij verbood hun nadrukkelijk, bekend te maken wie Hij was.
12 Mas Jesus lhes advertia severamente que não o expusessem à publicidade.
13 Toen ging Jezus een berg op en riep Hij wie Hij bij zich wilde hebben. Die mensen kwamen naar Hem toe.
13 Depois, Jesus subiu ao monte e chamou os que ele quis, e vieram para junto dele.
14 Hij stelde twaalf personen aan – Hij noemde hen apostelen – om bij Hem te horen en door Hem te worden uitgezonden om te preken
14 Então designou doze, aos quais chamou de apóstolos, para estarem com ele e para os enviar a pregar
15 met het gezag om demonen uit te drijven.
15 e a exercer a autoridade de expulsar demônios.
16 Dit zijn de twaalf die hij aanstelde: Simon, aan wie Hij de naam Petrus gaf,
16 Eis os doze que designou: Simão, a quem acrescentou o nome de Pedro;
17 Jakobus, de zoon van Zebedeüs, zijn broer Johannes – aan hen gaf Hij de naam Boanerges, wat “zonen van de donder” betekent –
17 Tiago, filho de Zebedeu, e João, irmão de Tiago, aos quais deu o nome de Boanerges, que quer dizer “filhos do trovão”;
18 Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon de Zeloot,
18 André, Filipe, Bartolomeu, Mateus e Tomé; Tiago, filho de Alfeu; Tadeu; Simão, o Zelote;
19 en Judas Iskariot, die Hem uiteindelijk verraden heeft.
19 e Judas Iscariotes, que foi quem o traiu.
20 Jezus ging naar huis. Opnieuw stroomde daar veel volk samen, zodat ze zelfs niet konden eten.
20 Então Jesus foi para casa. E outra vez se ajuntou uma multidão, de tal modo que nem podiam comer.
21 Toen zijn familie ervan hoorde, gingen ze op pad om Hem op te halen, want ze zeiden: “Hij is niet goed bij zijn verstand.”
21 E, quando os parentes de Jesus ouviram isto, saíram para prendê-lo, porque diziam: — Está fora de si.
22 De Schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, zeiden: “Beëlzebul, de heerser over de demonen, zit in Hem en daarom kan Hij de demonen uitdrijven.”
22 Os escribas, que tinham vindo de Jerusalém, diziam: — Ele está possuído de Belzebu. Ele expulsa os demônios pelo poder do maioral dos demônios.
23 Jezus riep hen echter bij zich en zei tegen hen in de vorm van parabels: “Het kan toch niet dat Satan Satan uitdrijft?
23 Então, convocando-os, Jesus lhes disse, por meio de parábolas:
24 Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan het niet standhouden.
24 Se um reino estiver dividido contra si mesmo, tal reino não pode subsistir.
25 En als een familie innerlijk verdeeld is, kan ze niet standhouden.
25 Se uma casa estiver dividida contra si mesma, tal casa não poderá subsistir.
26 En als Satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld is, kan hij niet standhouden maar is het voor hem afgelopen.
26 Se Satanás se levantou contra si mesmo e está dividido, não pode subsistir; é o seu fim.
27 Ook kan niemand het huis van een sterk persoon binnendringen om zijn bezit te plunderen zonder eerst die sterke man vast te binden. Pas dan kan hij het huis leegplunderen.
27 Ninguém pode entrar na casa do valente para roubar-lhe os bens, sem primeiro amarrá-lo; e só então saqueará a casa dele.
28 Ik verzeker jullie, alle zonde en alle godslastering die mensen begaan, kan hun worden vergeven.
28 Em verdade lhes digo que tudo será perdoado aos filhos dos homens: os pecados e as blasfêmias que proferirem.
29 Maar voor wie lastert tegen de Heilige Geest, komt er nooit vergeving; hij is schuldig aan een eeuwige zonde.”
29 Mas aquele que blasfemar contra o Espírito Santo nunca terá perdão, visto que é réu de pecado eterno.
30 De mensen hadden namelijk gezegd dat Jezus een onreine geest in zich had.
30 Jesus disse isto porque diziam: “Está possuído de um espírito imundo.”
31 Toen arriveerden Jezus' moeder en broers. Ze bleven buiten en stuurden iemand naar binnen om Hem te roepen.
31 Nisto, chegaram a mãe e os irmãos de Jesus e, tendo ficado do lado de fora, mandaram chamá-lo.
32 Er zaten veel mensen om Hem heen en ze zeiden tegen Hem: “Uw moeder en broers en zussen staan buiten en zoeken U.”
32 Muita gente estava sentada ao redor de Jesus, e alguns lhe disseram: — Olhe, a sua mãe, os seus irmãos e as suas irmãs estão lá fora, procurando o senhor.
33 Maar Hij vroeg hun: “Wie zijn mijn moeder en mijn broers?”
33 Então Jesus perguntou:
34 Hij keek naar de mensen die in een kring om Hem heen zaten en zei: “Dit zijn mijn moeder en broers.
34 E, olhando em volta para os que estavam sentados ao seu redor, disse:
35 Want wie doet wat God wil, die is mijn broer, zus of moeder.”
35 Portanto, aquele que fizer a vontade de Deus, esse é meu irmão, minha irmã e minha mãe.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Marcos 3, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.