Marcos 3

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Jezus ging opnieuw naar de synagoge en daar was iemand met een hand die hij niet kon bewegen.
1 De novo, entrou Jesus na sinagoga e estava ali um homem que tinha ressequida uma das mãos.
2 De mensen keken goed of Jezus hem op de sabbat zou genezen, zodat ze Hem zouden kunnen beschuldigen.
2 E estavam observando a Jesus para ver se o curaria em dia de sábado, a fim de o acusarem.
3 Maar Hij zei tegen de man met de hand die hij niet kon bewegen: “Kom in het midden staan.”
3 E disse Jesus ao homem da mão ressequida: Vem para o meio!
4 Toen vroeg Hij de mensen: “Wat is toegestaan op de sabbat: goed doen of kwaad doen, een leven redden of een leven wegnemen?” Maar ze zwegen.
4 Então, lhes perguntou: É lícito nos sábados fazer o bem ou fazer o mal? Salvar a vida ou tirá-la? Mas eles ficaram em silêncio.
5 Hij keek hen kwaad aan, ontzet over de starheid van hun hart. Vervolgens zei Hij tegen de man: “Steek de hand uit.” De man stak zijn hand uit en die genas.
5 Olhando-os ao redor, indignado e condoído com a dureza do seu coração, disse ao homem: Estende a mão. Estendeu-a, e a mão lhe foi restaurada.
6 Toen gingen de farizeeën naar buiten om samen met de aanhangers van Herodes een plan te beramen om Jezus om te brengen.
6 Retirando-se os fariseus, conspiravam logo com os herodianos, contra ele, em como lhe tirariam a vida.
7 Jezus trok zich echter met zijn leerlingen terug bij het meer. Een groot aantal mensen uit Galilea volgde hen. Ook uit Judea,
7 Retirou-se Jesus com os seus discípulos para os lados do mar. Seguia-o da Galileia uma grande multidão. Também da Judeia,
8 Jeruzalem, Idumea, het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen de mensen in drommen naar Hem toe, omdat ze hadden gehoord wat Hij allemaal deed.
8 de Jerusalém, da Idumeia, dalém do Jordão e dos arredores de Tiro e de Sidom uma grande multidão, sabendo quantas coisas Jesus fazia, veio ter com ele.
9 Hij vroeg zijn leerlingen om een bootje klaar te houden wegens de menigte, voor het geval het gedrang te sterk zou worden.
9 Então, recomendou a seus discípulos que sempre lhe tivessem pronto um barquinho, por causa da multidão, a fim de não o comprimirem.
10 Hij had namelijk veel mensen genezen en daarom drongen veel mensen die iets mankeerden naar voren om Hem aan te raken.
10 Pois curava a muitos, de modo que todos os que padeciam de qualquer enfermidade se arrojavam a ele para o tocar.
11 En wanneer de onreine geesten Hem zagen, vielen ze voor Hem neer terwijl ze schreeuwden: “U bent de Zoon van God.”
11 Também os espíritos imundos, quando o viam, prostravam-se diante dele e exclamavam: Tu és o Filho de Deus!
12 Maar Hij verbood hun nadrukkelijk, bekend te maken wie Hij was.
12 Mas Jesus lhes advertia severamente que o não expusessem à publicidade.
13 Toen ging Jezus een berg op en riep Hij wie Hij bij zich wilde hebben. Die mensen kwamen naar Hem toe.
13 Depois, subiu ao monte e chamou os que ele mesmo quis, e vieram para junto dele.
14 Hij stelde twaalf personen aan – Hij noemde hen apostelen – om bij Hem te horen en door Hem te worden uitgezonden om te preken
14 Então, designou doze para estarem com ele e para os enviar a pregar
15 met het gezag om demonen uit te drijven.
15 e a exercer a autoridade de expelir demônios.
16 Dit zijn de twaalf die hij aanstelde: Simon, aan wie Hij de naam Petrus gaf,
16 Eis os doze que designou: Simão, a quem acrescentou o nome de Pedro;
17 Jakobus, de zoon van Zebedeüs, zijn broer Johannes – aan hen gaf Hij de naam Boanerges, wat “zonen van de donder” betekent –
17 Tiago, filho de Zebedeu, e João, seu irmão, aos quais deu o nome de Boanerges, que quer dizer: filhos do trovão;
18 Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon de Zeloot,
18 André, Filipe, Bartolomeu, Mateus, Tomé, Tiago, filho de Alfeu, Tadeu, Simão, o Zelote,
19 en Judas Iskariot, die Hem uiteindelijk verraden heeft.
19 e Judas Iscariotes, que foi quem o traiu.
20 Jezus ging naar huis. Opnieuw stroomde daar veel volk samen, zodat ze zelfs niet konden eten.
20 Então, ele foi para casa. Não obstante, a multidão afluiu de novo, de tal modo que nem podiam comer.
21 Toen zijn familie ervan hoorde, gingen ze op pad om Hem op te halen, want ze zeiden: “Hij is niet goed bij zijn verstand.”
21 E, quando os parentes de Jesus ouviram isto, saíram para o prender; porque diziam: Está fora de si.
22 De Schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, zeiden: “Beëlzebul, de heerser over de demonen, zit in Hem en daarom kan Hij de demonen uitdrijven.”
22 Os escribas, que haviam descido de Jerusalém, diziam: Ele está possesso de Belzebu. E: É pelo maioral dos demônios que expele os demônios.
23 Jezus riep hen echter bij zich en zei tegen hen in de vorm van parabels: “Het kan toch niet dat Satan Satan uitdrijft?
23 Então, convocando-os Jesus, lhes disse, por meio de parábolas: Como pode Satanás expelir a Satanás?
24 Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan het niet standhouden.
24 Se um reino estiver dividido contra si mesmo, tal reino não pode subsistir;
25 En als een familie innerlijk verdeeld is, kan ze niet standhouden.
25 se uma casa estiver dividida contra si mesma, tal casa não poderá subsistir.
26 En als Satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld is, kan hij niet standhouden maar is het voor hem afgelopen.
26 Se, pois, Satanás se levantou contra si mesmo e está dividido, não pode subsistir, mas perece.
27 Ook kan niemand het huis van een sterk persoon binnendringen om zijn bezit te plunderen zonder eerst die sterke man vast te binden. Pas dan kan hij het huis leegplunderen.
27 Ninguém pode entrar na casa do valente para roubar-lhe os bens, sem primeiro amarrá-lo; e só então lhe saqueará a casa.
28 Ik verzeker jullie, alle zonde en alle godslastering die mensen begaan, kan hun worden vergeven.
28 Em verdade vos digo que tudo será perdoado aos filhos dos homens: os pecados e as blasfêmias que proferirem.
29 Maar voor wie lastert tegen de Heilige Geest, komt er nooit vergeving; hij is schuldig aan een eeuwige zonde.”
29 Mas aquele que blasfemar contra o Espírito Santo não tem perdão para sempre, visto que é réu de pecado eterno.
30 De mensen hadden namelijk gezegd dat Jezus een onreine geest in zich had.
30 Isto, porque diziam: Está possesso de um espírito imundo.
31 Toen arriveerden Jezus' moeder en broers. Ze bleven buiten en stuurden iemand naar binnen om Hem te roepen.
31 Nisto, chegaram sua mãe e seus irmãos e, tendo ficado do lado de fora, mandaram chamá-lo.
32 Er zaten veel mensen om Hem heen en ze zeiden tegen Hem: “Uw moeder en broers en zussen staan buiten en zoeken U.”
32 Muita gente estava assentada ao redor dele e lhe disseram: Olha, tua mãe, teus irmãos e irmãs estão lá fora à tua procura.
33 Maar Hij vroeg hun: “Wie zijn mijn moeder en mijn broers?”
33 Então, ele lhes respondeu, dizendo: Quem é minha mãe e meus irmãos?
34 Hij keek naar de mensen die in een kring om Hem heen zaten en zei: “Dit zijn mijn moeder en broers.
34 E, correndo o olhar pelos que estavam assentados ao redor, disse: Eis minha mãe e meus irmãos.
35 Want wie doet wat God wil, die is mijn broer, zus of moeder.”
35 Portanto, qualquer que fizer a vontade de Deus, esse é meu irmão, irmã e mãe.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Marcos 3, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.