Lucas 6

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Op een sabbat, toen Jezus tussen de graanvelden door wandelde, plukten zijn leerlingen enkele aren, wreven die fijn tussen hun handen, en aten ze op.
1 Num sábado, Jesus estava atravessando uma plantação de trigo. Os seus discípulos começaram a colher e a debulhar espigas, e a comer os grãos de trigo.
2 Sommige van de farizeeën zeiden: “Waarom doen jullie iets dat op de sabbat niet is toegestaan?”
2 Então alguns fariseus perguntaram: — Por que é que vocês estão fazendo uma coisa que a nossa
3 Jezus antwoordde: “Hebben jullie niet gelezen wat David deed toen hij en zijn mannen honger hadden?
3 Jesus respondeu:
4 Hij ging het huis van God binnen, nam de gewijde broden waarvan enkel de priesters mochten eten, at en gaf ervan aan zijn mannen.”
4 Ele entrou na casa de Deus, pegou os pães oferecidos a Deus, comeu e deu também aos seus companheiros. No entanto é contra a nossa Lei alguém comer desses pães; somente os sacerdotes têm o direito de fazer isso.
5 Hij zei tegen hen: “De Mensenzoon is baas over de sabbat.”
5 E Jesus terminou, dizendo:
6 Op een andere sabbat, toen Hij naar de synagoge ging om te onderwijzen, was daar iemand met een verlamde rechterhand.
6 Num outro sábado Jesus entrou na sinagoga e começou a ensinar. Estava ali um homem que tinha a mão direita aleijada.
7 De Schriftgeleerden en de farizeeën hielden Jezus in de gaten om te zien of Hij op de sabbat zou genezen. Ze zochten namelijk iets waarvan ze Hem konden beschuldigen.
7 Alguns mestres da Lei e alguns fariseus ficaram espiando Jesus com atenção para ver se ele ia curar alguém no sábado. Pois queriam arranjar algum motivo para o acusar de desobedecer à Lei .
8 Hij wist echter wat ze dachten en zei tegen de man met de verlamde hand: “Kom in het midden staan.” De man kwam daar staan.
8 Mas Jesus conhecia os pensamentos deles e por isso disse para o homem que tinha a mão aleijada: O homem se levantou e ficou em pé.
9 Jezus zei tegen hen: “Ik zal jullie eens iets vragen. Wat is toegestaan op de sabbat: goed doen of kwaad doen, een leven redden of het vernietigen?”
9 Então Jesus disse:
10 Hij keek om zich heen, naar hen allen, en zei tegen de man: “Steek je hand uit.” Dat deed de man en zijn hand genas.
10 Jesus olhou para todos os que estavam em volta dele e disse para o homem: O homem estendeu a mão, e ela sarou.
11 Zij werden echter woedend en bespraken onder elkaar wat ze met Jezus zouden doen.
11 Aí os mestres da Lei e os fariseus ficaram furiosos e começaram a conversar sobre o que poderiam fazer contra Jesus.
12 Het was in die periode dat Jezus de berg op ging om te bidden en de hele nacht doorbracht in gebed tot God.
12 Naquela ocasião Jesus subiu um monte para orar e passou a noite orando a Deus.
13 Toen het dag werd, riep Hij zijn leerlingen bij zich. Hij koos twaalf van hen uit en noemde hen apostelen:
13 Quando amanheceu, chamou os seus discípulos e escolheu doze deles. E deu o nome de apóstolos a estes doze:
14 Simon, die ook Petrus wordt genoemd, zijn broer Andreas, Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeüs,
14 Simão, em quem pôs o nome de Pedro, e o seu irmão André; Tiago e João; Filipe e Bartolomeu;
15 Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Simon die de Zeloot wordt genoemd,
15 Mateus e Tomé; Tiago, filho de Alfeu; Simão, o nacionalista;
16 Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd.
16 Judas, filho de Tiago; e Judas Iscariotes, que foi o traidor.
17 Jezus daalde met hen de berg af en ging op een vlak terrein staan, samen met een grote groep van zijn leerlingen en een groot aantal mensen uit heel Judea, Jeruzalem en de kuststrook van Tyrus en Sidon.
17 Jesus desceu do monte com eles e parou com muitos dos seus seguidores num lugar plano. Uma grande multidão estava ali. Era gente de toda a Judeia, de Jerusalém e das cidades de Tiro e Sidom , que ficam na beira do mar.
18 Zij waren gekomen om naar Hem te luisteren en van hun ziekten te worden genezen. Ook wie werd gekweld door onreine geesten, werd genezen.
18 Eles tinham vindo para ouvir Jesus e para serem curados das suas doenças. Os que estavam atormentados por espíritos maus também vieram e foram curados.
19 Iedereen in de menigte probeerde Hem aan te raken, omdat er kracht van Hem uitging en Hij hen allen genas.
19 Todos queriam tocar em Jesus porque dele saía um poder que curava todas as pessoas.
20 Hij keek zijn leerlingen aan en zei: “Jullie die arm zijn, zijn gezegend, want Gods koninkrijk behoort jullie toe.
20 Jesus olhou para os seus discípulos e disse:
21 Jullie die nu honger hebben, zijn gezegend, want je zal verzadigd worden. Jullie die nu wenen, zijn gezegend, want je zal lachen.
21 — Felizes são vocês que agora têm fome,
22 Jullie zijn gezegend wanneer de mensen je haten en wanneer ze je buitensluiten en bespotten en je naam bezoedelen omwille van de Mensenzoon.
22 — Felizes são vocês quando os odiarem, rejeitarem, insultarem e disserem que vocês são maus por serem seguidores do
23 Wanneer dat gebeurt, verheug je dan en spring op van blijdschap, want jullie beloning in de hemel zal groot zijn. De profeten werden namelijk ook zo behandeld door de voorouders van deze mensen.
23 Fiquem felizes e muito alegres quando isso acontecer, pois uma grande recompensa está guardada no céu para vocês. Pois os antepassados dessas pessoas fizeram essas mesmas coisas com os
24 Maar wee jullie rijken, want jullie hebben je troost reeds ontvangen.
24 — Mas ai de vocês que agora são ricos,
25 Wee jullie die nu voldoende te eten hebben, want je zal hongerlijden. Wee jullie die nu lachen, want je zal rouwen en wenen.
25 — Ai de vocês que agora têm tudo,
26 Wee jullie wanneer alle mensen positief over je spreken, want hun voorouders deden dat met de valse profeten.
26 — Ai de vocês quando todos os elogiarem, pois os antepassados dessas pessoas também elogiaram os falsos profetas.
27 Maar tegen jullie die luisteren, zeg Ik: heb je vijanden lief, doe goed aan wie jullie haten.
27 — Mas eu digo a vocês que estão me ouvindo: amem os seus inimigos e façam o bem para os que odeiam vocês.
28 Zegen wie jullie verwensen, bid voor wie jullie beledigen.
28 Desejem o bem para aqueles que os amaldiçoam e orem em favor daqueles que maltratam vocês.
29 Als iemand jou op de wang slaat, bied hem dan ook je andere wang aan; als iemand je mantel afneemt, ontzeg hem dan niet je hemd.
29 Se alguém lhe der um tapa na cara, vire o outro lado para ele bater também. Se alguém tomar a sua
30 Geef aan iedereen die iets van je wil hebben en als iemand iets van je afneemt, eis het dan niet terug.
30 Dê sempre a qualquer um que lhe pedir alguma coisa; e, quando alguém tirar o que é seu, não peça de volta.
31 Behandel de mensen op de manier waarop jullie door hen behandeld willen worden.
31 Façam aos outros a mesma coisa que querem que eles façam a vocês.
32 Als jullie liefdevol behandelen wie jullie liefdevol behandelt, is dat toch geen verdienste? Zelfs de zondaars hebben lief wie hen liefheeft.
32 — Se vocês amam somente aqueles que os amam, o que é que estão fazendo de mais? Até as pessoas de má fama amam as pessoas que as amam.
33 En als jullie goed behandelen wie jullie goed behandelt, is dat toch geen verdienste? Zelfs de zondaars doen dat.
33 E, se vocês fazem o bem somente para aqueles que lhes fazem o bem, o que é que estão fazendo de mais? Até as pessoas de má fama fazem isso.
34 En als je leent aan diegenen van wie jullie hopen terug te krijgen, dan is dat toch geen verdienste? Zelfs de zondaars lenen aan zondaars om hetzelfde bedrag terug te krijgen.
34 E, se vocês emprestam somente para aqueles que vocês acham que vão lhes pagar, o que é que estão fazendo de mais? Até as pessoas de má fama emprestam aos que têm má fama, para receber de volta o que emprestaram.
35 Heb je vijanden lief en doe goed en leen aan anderen zonder tegenprestaties te verwachten. Dan zal je beloning groot zijn en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed voor de mensen die ondankbaar en slecht zijn.
35 Façam o contrário: amem os seus inimigos e façam o bem para eles. Emprestem e não esperem receber de volta o que emprestaram e assim vocês terão uma grande recompensa e serão filhos do Deus Altíssimo. Façam isso porque ele é bom também para os ingratos e maus.
36 Toon medeleven, zoals jullie Vader medeleven toont.
36 Tenham misericórdia dos outros, assim como o Pai de vocês tem misericórdia de vocês.
37 Oordeel niet over anderen, dan zal er over jou niet worden geoordeeld. Veroordeel anderen ook niet, dan zal je zelf niet worden veroordeeld. Vergeef, dan zal jou worden vergeven.
37 — Não julguem os outros, e Deus não julgará vocês. Não condenem os outros, e Deus não condenará vocês. Perdoem os outros, e Deus perdoará vocês.
38 Geef, dan zal aan jou worden gegeven. Een maatbak vol – aangedrukt, geschud en overvol – zal je worden toebedeeld, want de maat die jij hanteert, zal op jou worden toegepast.”
38 Deem aos outros, e Deus dará a vocês. Ele será generoso, e as bênçãos que ele lhes dará serão tantas, que vocês não poderão segurá-las nas suas mãos. A mesma medida que vocês usarem para medir os outros Deus usará para medir vocês.
39 Hij vertelde hun nog een parabel: “Een blinde kan toch geen blinde leiden? Dan vallen ze toch allebei in een kuil?
39 E Jesus fez estas comparações:
40 Een leerling staat niet boven zijn leraar, maar ieder die volleerd is, zal zijn zoals zijn leraar.
40 Nenhum aluno é mais importante do que o seu professor. Porém, quando tiver terminado os estudos, o aluno ficará igual ao seu professor.
41 Hoe is het mogelijk dat je wel de splinter in het oog van je naaste ziet, maar de balk in je eigen oog niet opmerkt?
41 — Por que é que você vê o cisco que está no olho do seu irmão e não repara na trave de madeira que está no seu próprio olho?
42 Hoe kan je tegen je naaste zeggen: broer, laat mij die splinter uit je oog verwijderen, terwijl je de balk in jouw oog niet ziet? Hypocriet, verwijder eerst de balk uit je eigen oog. Dan zal je goed genoeg zien om de splinter uit het oog van je naaste te verwijderen.
42 Como é que você pode dizer ao seu irmão: “Me deixe tirar esse cisco do seu olho”, se você não repara na trave que está no seu próprio olho? Hipócrita! Tire primeiro a trave que está no seu olho e então poderá ver bem para tirar o cisco que está no olho do seu irmão.
43 Er is geen goede boom die slechte vruchten oplevert, en ook geen slechte boom die goede vruchten oplevert.
43 — A árvore boa não dá frutas ruins, assim como a árvore que não presta não dá frutas boas.
44 Want elke boom is herkenbaar aan zijn vruchten. Men kan toch geen vijgen oogsten van een doornstruik, of druiven plukken van een stekelplant?
44 Pois cada árvore é conhecida pelas frutas que ela produz. Não é possível colher figos de espinheiros, nem colher uvas de pés de urtiga.
45 Een goed mens haalt uit de voorraad goedheid in zijn hart goede dingen tevoorschijn, en een slecht mens haalt slechte dingen tevoorschijn uit zijn voorraad slechtheid. Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond.
45 A pessoa boa tira o bem do depósito de coisas boas que tem no seu coração. E a pessoa má tira o mal do seu depósito de coisas más. Pois a boca fala do que o coração está cheio.
46 Waarom spreken jullie Mij aan met ‘Heer, Heer’, maar doen jullie niet wat Ik zeg?
46 — Por que vocês me chamam “Senhor, Senhor” e não fazem o que eu digo?
47 Ieder die naar Mij toe komt, mijn woorden hoort en ze in praktijk brengt – Ik zal jullie uitleggen waarop hij lijkt.
47 Eu vou mostrar a vocês com quem se parece a pessoa que vem e ouve a minha mensagem e é obediente a ela.
48 Hij lijkt op iemand die een huis bouwde en eerst een diepe sleuf groef om het fundament op rotsgrond te leggen. Toen er een overstroming kwam en het water tegen dat huis beukte, konden die het huis niet doen wankelen, omdat het stevig was gebouwd.
48 Essa pessoa é como um homem que, quando construiu uma casa, cavou bem fundo e pôs o alicerce na rocha. O rio ficou cheio, e as suas águas bateram contra aquela casa; porém ela não se abalou porque havia sido bem-construída.
49 Maar wie mijn woorden hoort en ze niet in praktijk brengt, is als iemand die een huis bouwde zonder fundament, los op de aarde. Toen het water ertegenaan beukte, stortte het meteen in en was het volledig verwoest.”
49 Mas quem ouve a minha mensagem e não é obediente a ela é como o homem que construiu uma casa na terra, sem alicerce. Quando a água bateu contra aquela casa, ela caiu logo e ficou totalmente destruída.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Lucas 6, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.