Lucas 6

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Op een sabbat, toen Jezus tussen de graanvelden door wandelde, plukten zijn leerlingen enkele aren, wreven die fijn tussen hun handen, en aten ze op.
1 Aconteceu que, num sábado, passando Jesus pelas searas, os seus discípulos colhiam e comiam espigas, debulhando-as com as mãos.
2 Sommige van de farizeeën zeiden: “Waarom doen jullie iets dat op de sabbat niet is toegestaan?”
2 E alguns dos fariseus lhes disseram: Por que fazeis o que não é lícito aos sábados?
3 Jezus antwoordde: “Hebben jullie niet gelezen wat David deed toen hij en zijn mannen honger hadden?
3 Respondeu-lhes Jesus: Nem ao menos tendes lido o que fez Davi, quando teve fome, ele e seus companheiros?
4 Hij ging het huis van God binnen, nam de gewijde broden waarvan enkel de priesters mochten eten, at en gaf ervan aan zijn mannen.”
4 Como entrou na casa de Deus, tomou, e comeu os pães da proposição, e os deu aos que com ele estavam, pães que não lhes era lícito comer, mas exclusivamente aos sacerdotes?
5 Hij zei tegen hen: “De Mensenzoon is baas over de sabbat.”
5 E acrescentou-lhes: O Filho do Homem é senhor do sábado.
6 Op een andere sabbat, toen Hij naar de synagoge ging om te onderwijzen, was daar iemand met een verlamde rechterhand.
6 Sucedeu que, em outro sábado, entrou ele na sinagoga e ensinava. Ora, achava-se ali um homem cuja mão direita estava ressequida.
7 De Schriftgeleerden en de farizeeën hielden Jezus in de gaten om te zien of Hij op de sabbat zou genezen. Ze zochten namelijk iets waarvan ze Hem konden beschuldigen.
7 Os escribas e os fariseus observavam-no, procurando ver se ele faria uma cura no sábado, a fim de acharem de que o acusar.
8 Hij wist echter wat ze dachten en zei tegen de man met de verlamde hand: “Kom in het midden staan.” De man kwam daar staan.
8 Mas ele, conhecendo-lhes os pensamentos, disse ao homem da mão ressequida: Levanta-te e vem para o meio; e ele, levantando-se, permaneceu de pé.
9 Jezus zei tegen hen: “Ik zal jullie eens iets vragen. Wat is toegestaan op de sabbat: goed doen of kwaad doen, een leven redden of het vernietigen?”
9 Então, disse Jesus a eles: Que vos parece? É lícito, no sábado, fazer o bem ou o mal? Salvar a vida ou deixá-la perecer?
10 Hij keek om zich heen, naar hen allen, en zei tegen de man: “Steek je hand uit.” Dat deed de man en zijn hand genas.
10 E, fitando todos ao redor, disse ao homem: Estende a mão. Ele assim o fez, e a mão lhe foi restaurada.
11 Zij werden echter woedend en bespraken onder elkaar wat ze met Jezus zouden doen.
11 Mas eles se encheram de furor e discutiam entre si quanto ao que fariam a Jesus.
12 Het was in die periode dat Jezus de berg op ging om te bidden en de hele nacht doorbracht in gebed tot God.
12 Naqueles dias, retirou-se para o monte, a fim de orar, e passou a noite orando a Deus.
13 Toen het dag werd, riep Hij zijn leerlingen bij zich. Hij koos twaalf van hen uit en noemde hen apostelen:
13 E, quando amanheceu, chamou a si os seus discípulos e escolheu doze dentre eles, aos quais deu também o nome de apóstolos:
14 Simon, die ook Petrus wordt genoemd, zijn broer Andreas, Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeüs,
14 Simão, a quem acrescentou o nome de Pedro, e André, seu irmão; Tiago e João; Filipe e Bartolomeu;
15 Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Simon die de Zeloot wordt genoemd,
15 Mateus e Tomé; Tiago, filho de Alfeu, e Simão, chamado Zelote;
16 Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd.
16 Judas, filho de Tiago, e Judas Iscariotes, que se tornou traidor.
17 Jezus daalde met hen de berg af en ging op een vlak terrein staan, samen met een grote groep van zijn leerlingen en een groot aantal mensen uit heel Judea, Jeruzalem en de kuststrook van Tyrus en Sidon.
17 E, descendo com eles, parou numa planura onde se encontravam muitos discípulos seus e grande multidão do povo, de toda a Judeia, de Jerusalém e do litoral de Tiro e de Sidom,
18 Zij waren gekomen om naar Hem te luisteren en van hun ziekten te worden genezen. Ook wie werd gekweld door onreine geesten, werd genezen.
18 que vieram para o ouvirem e serem curados de suas enfermidades; também os atormentados por espíritos imundos eram curados.
19 Iedereen in de menigte probeerde Hem aan te raken, omdat er kracht van Hem uitging en Hij hen allen genas.
19 E todos da multidão procuravam tocá-lo, porque dele saía poder; e curava todos.
20 Hij keek zijn leerlingen aan en zei: “Jullie die arm zijn, zijn gezegend, want Gods koninkrijk behoort jullie toe.
20 Então, olhando ele para os seus discípulos, disse-lhes:
21 Jullie die nu honger hebben, zijn gezegend, want je zal verzadigd worden. Jullie die nu wenen, zijn gezegend, want je zal lachen.
21 Bem-aventurados vós, os que agora tendes fome, porque sereis fartos.
22 Jullie zijn gezegend wanneer de mensen je haten en wanneer ze je buitensluiten en bespotten en je naam bezoedelen omwille van de Mensenzoon.
22 Bem-aventurados sois quando os homens vos odiarem e quando vos expulsarem da sua companhia, vos injuriarem e rejeitarem o vosso nome como indigno, por causa do Filho do Homem.
23 Wanneer dat gebeurt, verheug je dan en spring op van blijdschap, want jullie beloning in de hemel zal groot zijn. De profeten werden namelijk ook zo behandeld door de voorouders van deze mensen.
23 Regozijai-vos naquele dia e exultai, porque grande é o vosso galardão no céu; pois dessa forma procederam seus pais com os profetas.
24 Maar wee jullie rijken, want jullie hebben je troost reeds ontvangen.
24 Mas ai de vós, os ricos! Porque tendes a vossa consolação.
25 Wee jullie die nu voldoende te eten hebben, want je zal hongerlijden. Wee jullie die nu lachen, want je zal rouwen en wenen.
25 Ai de vós, os que estais agora fartos! Porque vireis a ter fome.
26 Wee jullie wanneer alle mensen positief over je spreken, want hun voorouders deden dat met de valse profeten.
26 Ai de vós, quando todos vos louvarem! Porque assim procederam seus pais com os falsos profetas.
27 Maar tegen jullie die luisteren, zeg Ik: heb je vijanden lief, doe goed aan wie jullie haten.
27 Digo-vos, porém, a vós outros que me ouvis: amai os vossos inimigos, fazei o bem aos que vos odeiam;
28 Zegen wie jullie verwensen, bid voor wie jullie beledigen.
28 bendizei aos que vos maldizem, orai pelos que vos caluniam.
29 Als iemand jou op de wang slaat, bied hem dan ook je andere wang aan; als iemand je mantel afneemt, ontzeg hem dan niet je hemd.
29 Ao que te bate numa face, oferece-lhe também a outra; e, ao que tirar a tua capa, deixa-o levar também a túnica;
30 Geef aan iedereen die iets van je wil hebben en als iemand iets van je afneemt, eis het dan niet terug.
30 dá a todo o que te pede; e, se alguém levar o que é teu, não entres em demanda.
31 Behandel de mensen op de manier waarop jullie door hen behandeld willen worden.
31 Como quereis que os homens vos façam, assim fazei-o vós também a eles.
32 Als jullie liefdevol behandelen wie jullie liefdevol behandelt, is dat toch geen verdienste? Zelfs de zondaars hebben lief wie hen liefheeft.
32 Se amais os que vos amam, qual é a vossa recompensa? Porque até os pecadores amam aos que os amam.
33 En als jullie goed behandelen wie jullie goed behandelt, is dat toch geen verdienste? Zelfs de zondaars doen dat.
33 Se fizerdes o bem aos que vos fazem o bem, qual é a vossa recompensa? Até os pecadores fazem isso.
34 En als je leent aan diegenen van wie jullie hopen terug te krijgen, dan is dat toch geen verdienste? Zelfs de zondaars lenen aan zondaars om hetzelfde bedrag terug te krijgen.
34 E, se emprestais àqueles de quem esperais receber, qual é a vossa recompensa? Também os pecadores emprestam aos pecadores, para receberem outro tanto.
35 Heb je vijanden lief en doe goed en leen aan anderen zonder tegenprestaties te verwachten. Dan zal je beloning groot zijn en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed voor de mensen die ondankbaar en slecht zijn.
35 Amai, porém, os vossos inimigos, fazei o bem e emprestai, sem esperar nenhuma paga; será grande o vosso galardão, e sereis filhos do Altíssimo. Pois ele é benigno até para com os ingratos e maus.
36 Toon medeleven, zoals jullie Vader medeleven toont.
36 Sede misericordiosos, como também é misericordioso vosso Pai.
37 Oordeel niet over anderen, dan zal er over jou niet worden geoordeeld. Veroordeel anderen ook niet, dan zal je zelf niet worden veroordeeld. Vergeef, dan zal jou worden vergeven.
37 Não julgueis e não sereis julgados; não condeneis e não sereis condenados; perdoai e sereis perdoados;
38 Geef, dan zal aan jou worden gegeven. Een maatbak vol – aangedrukt, geschud en overvol – zal je worden toebedeeld, want de maat die jij hanteert, zal op jou worden toegepast.”
38 dai, e dar-se-vos-á; boa medida, recalcada, sacudida, transbordante, generosamente vos darão; porque com a medida com que tiverdes medido vos medirão também.
39 Hij vertelde hun nog een parabel: “Een blinde kan toch geen blinde leiden? Dan vallen ze toch allebei in een kuil?
39 Propôs-lhes também uma parábola: Pode, porventura, um cego guiar a outro cego? Não cairão ambos no barranco?
40 Een leerling staat niet boven zijn leraar, maar ieder die volleerd is, zal zijn zoals zijn leraar.
40 O discípulo não está acima do seu mestre; todo aquele, porém, que for bem-instruído será como o seu mestre.
41 Hoe is het mogelijk dat je wel de splinter in het oog van je naaste ziet, maar de balk in je eigen oog niet opmerkt?
41 Por que vês tu o argueiro no olho de teu irmão, porém não reparas na trave que está no teu próprio?
42 Hoe kan je tegen je naaste zeggen: broer, laat mij die splinter uit je oog verwijderen, terwijl je de balk in jouw oog niet ziet? Hypocriet, verwijder eerst de balk uit je eigen oog. Dan zal je goed genoeg zien om de splinter uit het oog van je naaste te verwijderen.
42 Como poderás dizer a teu irmão: Deixa, irmão, que eu tire o argueiro do teu olho, não vendo tu mesmo a trave que está no teu? Hipócrita, tira primeiro a trave do teu olho e, então, verás claramente para tirar o argueiro que está no olho de teu irmão.
43 Er is geen goede boom die slechte vruchten oplevert, en ook geen slechte boom die goede vruchten oplevert.
43 Não há árvore boa que dê mau fruto; nem tampouco árvore má que dê bom fruto.
44 Want elke boom is herkenbaar aan zijn vruchten. Men kan toch geen vijgen oogsten van een doornstruik, of druiven plukken van een stekelplant?
44 Porquanto cada árvore é conhecida pelo seu próprio fruto. Porque não se colhem figos de espinheiros, nem dos abrolhos se vindimam uvas.
45 Een goed mens haalt uit de voorraad goedheid in zijn hart goede dingen tevoorschijn, en een slecht mens haalt slechte dingen tevoorschijn uit zijn voorraad slechtheid. Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond.
45 O homem bom do bom tesouro do coração tira o bem, e o mau do mau tesouro tira o mal; porque a boca fala do que está cheio o coração.
46 Waarom spreken jullie Mij aan met ‘Heer, Heer’, maar doen jullie niet wat Ik zeg?
46 Por que me chamais Senhor, Senhor, e não fazeis o que vos mando?
47 Ieder die naar Mij toe komt, mijn woorden hoort en ze in praktijk brengt – Ik zal jullie uitleggen waarop hij lijkt.
47 Todo aquele que vem a mim, e ouve as minhas palavras, e as pratica, eu vos mostrarei a quem é semelhante.
48 Hij lijkt op iemand die een huis bouwde en eerst een diepe sleuf groef om het fundament op rotsgrond te leggen. Toen er een overstroming kwam en het water tegen dat huis beukte, konden die het huis niet doen wankelen, omdat het stevig was gebouwd.
48 É semelhante a um homem que, edificando uma casa, cavou, abriu profunda vala e lançou o alicerce sobre a rocha; e, vindo a enchente, arrojou-se o rio contra aquela casa e não a pôde abalar, por ter sido bem-construída.
49 Maar wie mijn woorden hoort en ze niet in praktijk brengt, is als iemand die een huis bouwde zonder fundament, los op de aarde. Toen het water ertegenaan beukte, stortte het meteen in en was het volledig verwoest.”
49 Mas o que ouve e não pratica é semelhante a um homem que edificou uma casa sobre a terra sem alicerces, e, arrojando-se o rio contra ela, logo desabou; e aconteceu que foi grande a ruína daquela casa.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Lucas 6, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.