João 7

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Later reisde Jezus rond in Galilea. Hij wilde niet in Judea rondreizen, want de Joodse leiders waren van plan Hem te doden.
1 Passadas estas coisas, Jesus andava pela Galileia, porque não desejava percorrer a Judeia, visto que os judeus procuravam matá-lo.
2 Binnenkort zou het Joodse Loofhuttenfeest plaatsvinden.
2 Ora, a festa dos judeus, chamada de Festa dos Tabernáculos, estava próxima.
3 Daarom zeiden Jezus' broers tegen Hem: “Vertrek toch; ga naar Judea. Dan kunnen je leerlingen de bijzondere dingen zien die Jij doet.
3 Dirigiram-se, pois, a ele os seus irmãos e lhe disseram: Deixa este lugar e vai para a Judeia, para que também os teus discípulos vejam as obras que fazes.
4 Immers, niemand die bekend wil zijn, gaat in het geheim te werk. Als Jij al die bijzondere dingen doet, maak Jezelf dan aan de wereld bekend!”
4 Porque ninguém há que procure ser conhecido em público e, contudo, realize os seus feitos em oculto. Se fazes estas coisas, manifesta-te ao mundo.
5 Zelfs zijn broers geloofden namelijk niet in Hem.
5 Pois nem mesmo os seus irmãos criam nele.
6 Jezus antwoordde: “Mijn moment is nog niet gekomen, maar voor jullie is elk tijdstip goed.
6 Disse-lhes, pois, Jesus: O meu tempo ainda não chegou, mas o vosso sempre está presente.
7 De wereld kan jullie niet haten, maar ze haat Mij, omdat Ik verklaar dat de dingen die zij doet, slecht zijn.
7 Não pode o mundo odiar-vos, mas a mim me odeia, porque eu dou testemunho a seu respeito de que as suas obras são más.
8 Gaan jullie maar naar het feest. Ik ga niet naar dit feest omdat mijn moment nog niet is gekomen.”
8 Subi vós outros à festa; eu, por enquanto, não subo, porque o meu tempo ainda não está cumprido.
9 Nadat Hij dit tegen hen had gezegd, bleef Hij in Galilea.
9 Disse-lhes Jesus estas coisas e continuou na Galileia.
10 Maar toen zijn broers naar het feest waren vertrokken, ging Hij zelf ook – onopvallend en in het geheim.
10 Mas, depois que seus irmãos subiram para a festa, então, subiu ele também, não publicamente, mas em oculto.
11 Tijdens het feest zochten de Joodse leiders naar Jezus. Ze vroegen: “Waar is Hij?”
11 Ora, os judeus o procuravam na festa e perguntavam: Onde estará ele?
12 Onder de mensen werd veel over Hem gefluisterd. Sommigen zeiden: “Hij is een goed mens”. Anderen zeiden: “Welnee, Hij misleidt het volk.”
12 E havia grande murmuração a seu respeito entre as multidões. Uns diziam: Ele é bom. E outros: Não, antes, engana o povo.
13 Maar uit angst voor de Joodse leiders sprak niemand openlijk over Jezus.
13 Entretanto, ninguém falava dele abertamente, por ter medo dos judeus.
14 Halverwege het feest ging Jezus naar het tempelterrein; daar onderwees Hij.
14 Corria já em meio a festa, e Jesus subiu ao templo e ensinava.
15 De Joodse leiders verbaasden zich. Ze vroegen: “Hoe weet die Man dat allemaal? Hij heeft geen onderwijs genoten.”
15 Então, os judeus se maravilhavam e diziam: Como sabe este letras, sem ter estudado?
16 Jezus reageerde: “Mijn onderwijs komt niet van Mijzelf, maar van Degene die Mij heeft gestuurd.
16 Respondeu-lhes Jesus: O meu ensino não é meu, e sim daquele que me enviou.
17 Als iemand ernaar verlangt, te doen wat God wil, zal hij weten of mijn onderwijs van God komt, of dat Ik spreek namens Mijzelf.
17 Se alguém quiser fazer a vontade dele, conhecerá a respeito da doutrina, se ela é de Deus ou se eu falo por mim mesmo.
18 Wie namens zichzelf spreekt, is uit op eer voor zichzelf, maar wie wil dat degene die hem heeft gestuurd de eer krijgt, is oprecht en heeft geen kwaad in de zin.
18 Quem fala por si mesmo está procurando a sua própria glória; mas o que procura a glória de quem o enviou, esse é verdadeiro, e nele não há injustiça.
19 Heeft Mozes jullie niet de Wet gegeven? Maar niemand van jullie houdt zich aan de Wet. Waarom willen jullie Mij doden?”
19 Não vos deu Moisés a lei? Contudo, ninguém dentre vós a observa. Por que procurais matar-me?
20 De menigte antwoordde: “U heeft een demon in U. Wie probeert U te doden?”
20 Respondeu a multidão: Tens demônio. Quem é que procura matar-te?
21 Jezus antwoordde: “Ik heb één bijzondere daad verricht en jullie verbazen je allemaal.
21 Replicou-lhes Jesus: Um só feito realizei, e todos vos admirais.
22 Mozes heeft jullie de besnijdenis gegeven – niet dat de besnijdenis van Mozes komt; ze komt van de aartsvaders – en daarom besnijden jullie jongetjes ook op de sabbat.
22 Pelo motivo de que Moisés vos deu a circuncisão (se bem que ela não vem dele, mas dos patriarcas ), no sábado circuncidais um homem.
23 Maar als iemand op de sabbat wordt besneden om te vermijden dat de Wet van Mozes wordt overtreden, waarom zijn jullie dan boos dat Ik iemand gezond heb gemaakt op de sabbat?
23 E, se o homem pode ser circuncidado em dia de sábado, para que a lei de Moisés não seja violada, por que vos indignais contra mim, pelo fato de eu ter curado, num sábado, ao todo, um homem?
24 Stop met oordelen op basis van uiterlijkheden, en oordeel op basis van wat rechtvaardig is.”
24 Não julgueis segundo a aparência, e sim pela reta justiça.
25 Sommige inwoners van Jeruzalem vroegen: “Is dit niet de Man die ze willen doden?
25 Diziam alguns de Jerusalém: Não é este aquele a quem procuram matar?
26 Maar kijk, Hij spreekt in het openbaar en ze zeggen er niets van. Zouden de autoriteiten misschien beseffen dat Hij de Messias is?
26 Eis que ele fala abertamente, e nada lhe dizem. Porventura, reconhecem verdadeiramente as autoridades que este é, de fato, o Cristo?
27 Van deze Man weten we echter waar Hij vandaan komt, terwijl niemand weet waar de Messias vandaan komt.”
27 Nós, todavia, sabemos donde este é; quando, porém, vier o Cristo, ninguém saberá donde ele é.
28 Toen Jezus op het tempelterrein aan het onderwijzen was, riep Hij uit: “Jullie weten wie Ik ben en waar Ik vandaan kom. Maar Ik ben niet namens Mijzelf gekomen. Hij die Mij gestuurd heeft, is de waarheid en jullie kennen Hem niet.
28 Jesus, pois, enquanto ensinava no templo, clamou, dizendo: Vós não somente me conheceis, mas também sabeis donde eu sou; e não vim porque eu, de mim mesmo, o quisesse, mas aquele que me enviou é verdadeiro, aquele a quem vós não conheceis.
29 Ik ken Hem, omdat Ik bij Hem vandaan kom; Hij heeft Mij gezonden.”
29 Eu o conheço, porque venho da parte dele e fui por ele enviado.
30 Toen probeerden ze Hem te arresteren, maar niemand slaagde erin Hem te grijpen, want zijn moment was nog niet gekomen.
30 Então, procuravam prendê-lo; mas ninguém lhe pôs a mão, porque ainda não era chegada a sua hora.
31 Toch geloofden veel mensen in Hem. Zij zeiden: “Wanneer de Messias komt, zal Hij toch niet meer wonderlijke tekenen verrichten dan deze Man?”
31 E, contudo, muitos de entre a multidão creram nele e diziam: Quando vier o Cristo, fará, porventura, maiores sinais do que este homem tem feito?
32 De farizeeën hoorden dat de mensen dit over Jezus fluisterden en de hoofdpriesters en farizeeën stuurden tempelwachters om Hem te arresteren.
32 Os fariseus, ouvindo a multidão murmurar estas coisas a respeito dele, juntamente com os principais sacerdotes enviaram guardas para o prenderem.
33 Toen zei Jezus: “Ik zal nog even bij jullie zijn; dan ga Ik terug naar Degene die Mij heeft gestuurd.
33 Disse-lhes Jesus: Ainda por um pouco de tempo estou convosco e depois irei para junto daquele que me enviou.
34 Jullie zullen Mij zoeken zonder Mij te vinden en waar Ik dan zal zijn, kunnen jullie niet komen.”
34 Haveis de procurar-me e não me achareis; também aonde eu estou, vós não podeis ir.
35 De Joodse mensen zeiden tegen elkaar: “Waar zou Hij naartoe gaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Hij zal toch niet naar de Joodse diaspora in het buitenland gaan, om de Grieken te onderwijzen?
35 Disseram, pois, os judeus uns aos outros: Para onde irá este que não o possamos achar? Irá, porventura, para a Dispersão entre os gregos, com o fim de os ensinar?
36 Wat bedoelde Hij toen Hij zei: ‘Jullie zullen Mij zoeken zonder Mij te vinden en waar Ik dan zal zijn, kunnen jullie niet komen’?”
36 Que significa, de fato, o que ele diz: Haveis de procurar-me e não me achareis; também aonde eu estou, vós não podeis ir?
37 Op de laatste en belangrijkste dag van het feest ging Jezus voor de menigte staan en riep Hij uit: “Als iemand dorst heeft, laat hij dan bij Mij komen en drinken.
37 No último dia, o grande dia da festa, levantou-se Jesus e exclamou: Se alguém tem sede, venha a mim e beba.
38 Zoals in de Schriften staat over wie in Mij gelooft: uit zijn binnenste zullen rivieren stromen van water dat leven geeft.”
38 Quem crer em mim, como diz a Escritura, do seu interior fluirão rios de água viva.
39 Hij zei dit over de Geest, die de mensen die in Jezus geloofden, zouden ontvangen. De Geest was er echter nog niet, want Jezus was nog niet naar Gods glorie teruggekeerd.
39 Isto ele disse com respeito ao Espírito que haviam de receber os que nele cressem; pois o Espírito até aquele momento não fora dado, porque Jesus não havia sido ainda glorificado.
40 Toen sommige mensen deze woorden hoorden, zeiden ze: “Deze Man is werkelijk de profeet.”
40 Então, os que dentre o povo tinham ouvido estas palavras diziam: Este é verdadeiramente o profeta;
41 Anderen zeiden: “Hij is de Messias.” Nog anderen zeiden: “De Messias komt toch niet uit Galilea?
41 outros diziam: Ele é o Cristo; outros, porém, perguntavam: Porventura, o Cristo virá da Galileia?
42 Zeggen de Schriften niet dat de Messias een van de afstammelingen van David zal zijn en uit Betlehem, de woonplaats van David, zal komen?”
42 Não diz a Escritura que o Cristo vem da descendência de Davi e da aldeia de Belém, donde era Davi?
43 Zo ontstond er verdeeldheid onder de mensen over Wie Hij was.
43 Assim, houve uma dissensão entre o povo por causa dele;
44 Sommigen probeerden Jezus te arresteren, maar niemand slaagde erin Hem te grijpen.
44 alguns dentre eles queriam prendê-lo, mas ninguém lhe pôs as mãos.
45 Toen gingen de tempelwachters terug naar de hoofdpriesters en farizeeën. Die vroegen hen: “Waarom hebben jullie Hem niet meegebracht?”
45 Voltaram, pois, os guardas à presença dos principais sacerdotes e fariseus, e estes lhes perguntaram: Por que não o trouxestes?
46 De tempelwachters antwoordden: “Er heeft nog nooit iemand gesproken zoals Hij.”
46 Responderam eles: Jamais alguém falou como este homem.
47 De farizeeën reageerden: “Heeft Hij jullie misschien ook misleid?
47 Replicaram-lhes, pois, os fariseus: Será que também vós fostes enganados?
48 Geen van de leiders en geen van de farizeeën gelooft toch in Hem?
48 Porventura, creu nele alguém dentre as autoridades ou algum dos fariseus?
49 Maar deze massa heeft geen besef van de Wet en zij is vervloekt!”
49 Quanto a esta plebe que nada sabe da lei, é maldita.
50 Nikodemus, die eerder bij Jezus was geweest en die een van de farizeeën was, vroeg hen:
50 Nicodemos, um deles, que antes fora ter com Jesus, perguntou-lhes:
51 “Volgens onze wetten mag een mens toch niet worden veroordeeld zonder dat hij eerst wordt verhoord en zonder dat wordt onderzocht wat hij heeft gedaan?”
51 Acaso, a nossa lei julga um homem, sem primeiro ouvi-lo e saber o que ele fez?
52 Ze antwoordden: “Kom jij soms ook uit Galilea? Ga het maar na, dan zal je ontdekken dat uit Galilea geen profeet kan komen.”
52 Responderam eles: Dar-se-á o caso de que também tu és da Galileia? Examina e verás que da Galileia não se levanta profeta.
53 Toen ging iedereen naar huis.
53 [E cada um foi para sua casa.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 7, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.