João 21

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Later vertoonde Jezus zich nogmaals aan zijn leerlingen, bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt:
1 Depois disso, Jesus se manifestou outra vez aos discípulos junto ao mar de Tiberíades. Foi assim que ele se manifestou:
2 Simon Petrus, Tomas die Didymus wordt genoemd, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee van Jezus' leerlingen waren bijeen.
2 Estavam juntos Simão Pedro, Tomé, chamado Dídimo, Natanael, que era de Caná da Galileia, os filhos de Zebedeu e mais dois discípulos de Jesus.
3 Simon Petrus zei: “Ik ga vissen.” De anderen zeiden: “Wij komen met je mee.” Ze gingen naar de boot en stapten in, maar die nacht vingen ze niets.
3 Simão Pedro disse aos outros: — Vou pescar. Os outros responderam: — Nós também vamos com você. Foram e entraram no barco, mas, naquela noite, não pegaram nada.
4 Toen de ochtend aanbrak, stond Jezus op de oever, maar de leerlingen beseften niet dat het Jezus was.
4 Ao romper o dia, Jesus estava na praia, mas os discípulos não reconheceram que era ele.
5 Jezus vroeg hen: “Hebben jullie niets gevangen?” Ze antwoordden: “Nee.”
5 Jesus lhes perguntou: Eles responderam: — Não.
6 Hij zei tegen hen: “Werp het net uit aan de rechterkant van de boot. Dan zullen jullie wél vis vangen.” Ze wierpen het net uit en toen zat er zoveel vis in dat ze het niet terug aan boord konden krijgen.
6 Então Jesus disse: Assim fizeram e já não podiam puxar a rede, tão grande era a quantidade de peixes.
7 Toen zei de leerling van wie Jezus veel hield tegen Petrus: “Het is de Heer.” Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, trok hij zijn bovenkleed aan – want hij was nauwelijks gekleed – en sprong in het water.
7 E o discípulo a quem Jesus amava disse a Pedro: — É o Senhor! Simão Pedro, ouvindo que era o Senhor, cingiu-se com a sua túnica, porque tinha tirado a roupa, e lançou-se ao mar.
8 De andere leerlingen voeren erheen in het bootje, terwijl ze het net met de vissen meesleepten. Ze bevonden zich namelijk niet ver van de oever, op bijna honderd meter afstand.
8 Os outros discípulos vieram no barquinho puxando a rede com os peixes, porque estavam somente a uns noventa metros da margem.
9 Toen ze uitstapten, de oever op, zagen ze dat daar een vuur was aangelegd. Er lag vis op en er was ook brood.
9 Ao saltarem em terra, viram ali umas brasas com peixe por cima; e também havia pão.
10 Jezus zei tegen hen: “Breng wat van de vissen die jullie hebben gevangen.”
10 Jesus lhes disse:
11 Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen: wel 153, en toch scheurde het niet.
11 Simão Pedro entrou no barco e arrastou a rede para a terra. A rede estava cheia, com cento e cinquenta e três grandes peixes. E, mesmo sendo tantos peixes, a rede não se rompeu.
12 Jezus zei tegen hen: “Kom eten.” Geen van zijn leerlingen durfde Hem te vragen: “Wie bent U?”, want ze beseften dat het de Heer was.
12 Jesus disse a eles: Nenhum dos discípulos ousava perguntar: “Quem é você?” Porque sabiam que era o Senhor.
13 Jezus kwam dichterbij, nam het brood en gaf hun ervan. Hetzelfde deed Hij met de vis.
13 Jesus veio, pegou o pão e deu a eles. Depois fez a mesma coisa com o peixe.
14 Dit was de derde keer dat Jezus zich aan zijn leerlingen vertoonde nadat Hij uit de dood was verrezen.
14 E esta já era a terceira vez que Jesus se manifestava aos seus discípulos depois de ressuscitado dentre os mortos.
15 Nadat ze hadden gegeten, zei Jezus tegen Simon Petrus: “Simon, zoon van Johannes, heb jij Mij meer lief dan de anderen hier?” Hij antwoordde: “Ja Heer, U weet dat ik van U hou.” Jezus zei: “Weid mijn lammeren.”
15 Depois de terem comido, Jesus perguntou a Simão Pedro: Ele respondeu: — Sim, o Senhor sabe que eu o amo. Jesus lhe disse:
16 Jezus vroeg hem een tweede keer: “Simon, zoon van Johannes, heb jij Mij lief?” Hij antwoordde: “Ja Heer, U weet dat ik van U hou.” Jezus zei tegen hem: “Weid mijn schapen.”
16 Jesus perguntou pela segunda vez: Ele respondeu: — Sim, o Senhor sabe que eu o amo. Jesus lhe disse:
17 Jezus vroeg hem voor de derde keer: “Simon, zoon van Johannes, hou jij van Mij?” Petrus werd bedroefd omdat Jezus hem voor de derde keer vroeg: “Hou jij van Mij?” Hij antwoordde: “Heer, U weet alles. U weet dat ik van U hou.” Jezus zei tegen hem: “Weid mijn schapen.
17 Pela terceira vez Jesus lhe perguntou: Pedro ficou triste por Jesus ter perguntado pela terceira vez: “Você me ama?” E respondeu: — O Senhor sabe todas as coisas; sabe que eu o amo. Jesus lhe disse:
18 Ik zeg je nadrukkelijk, toen je jonger was, deed je zelf je gordel om en ging je naar de plaats waar je wilde zijn. Maar wanneer je oud bent geworden, zal je je handen uitstrekken en een ander zal jou je gordel omdoen en je naar een plaats brengen waar je niet wil zijn.”
18 Em verdade, em verdade lhe digo que, quando era mais moço, você se cingia e andava por onde queria. Mas, quando você for velho, estenderá as mãos, e outro o cingirá e o levará para onde você não quer ir.
19 Jezus zei dit om aan te geven hoe Petrus zou sterven tot eer van God. Vervolgens zei Hij tegen hem: “Volg Mij.”
19 Jesus disse isso para significar com que tipo de morte Pedro havia de glorificar a Deus. Depois de falar assim, Jesus acrescentou:
20 Petrus draaide zich om en zag dat de leerling van wie Jezus veel hield hen volgde. Dit was ook de leerling die zich tijdens het Pesachmaal naast Jezus aan tafel had bevonden en die zich naar Hem toe gebogen had om te vragen: “Heer, wie is het die U zal verraden?”
20 Então Pedro, voltando-se, viu que o discípulo a quem Jesus amava vinha seguindo; era o mesmo que na ceia havia se reclinado sobre o peito de Jesus para perguntar: “Senhor, quem é o traidor?”
21 Toen Petrus hem zag, vroeg hij aan Jezus: “Heer, wat zal er met hem gebeuren?”
21 Ao vê-lo, Pedro perguntou a Jesus: — Senhor, e quanto a este?
22 Jezus antwoordde: “Als Ik wil dat hij hier blijft totdat Ik terugkom, is dat jouw zaak toch niet? Zorg jij maar dat je Mij volgt.”
22 Jesus respondeu:
23 Zo ontstond onder de christenen het gerucht dat die leerling niet zou sterven. Jezus had echter niet tegen Petrus gezegd dat hij niet zou sterven, maar: “Als Ik wil dat hij hier blijft totdat Ik terugkom, is dat jouw zaak toch niet?”
23 Então se espalhou entre os irmãos a notícia de que aquele discípulo não morreria. Ora, Jesus não tinha dito que tal discípulo não morreria, mas: “Se eu quero que ele permaneça até que eu venha, o que você tem com isso?”
24 Dat was dezelfde leerling die deze dingen verklaart en ze op schrift heeft gesteld. En zoals wij weten is deze getuigenis betrouwbaar.
24 Este é o discípulo que dá testemunho a respeito destas coisas e que as escreveu; e sabemos que o seu testemunho é verdadeiro.
25 Jezus heeft nog veel andere dingen gedaan. Als die allemaal op schrift gesteld zouden worden, zou de wereld volgens mij te klein zijn voor de boeken die dan geschreven zouden worden.
25 Há, porém, ainda muitas outras coisas que Jesus fez. Se todas elas fossem relatadas uma por uma, penso que nem no mundo inteiro caberiam os livros que seriam escritos.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 21, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.