João 21

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Later vertoonde Jezus zich nogmaals aan zijn leerlingen, bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt:
1 Depois disto, tornou Jesus a manifestar-se aos discípulos junto do mar de Tiberíades; e foi assim que ele se manifestou:
2 Simon Petrus, Tomas die Didymus wordt genoemd, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee van Jezus' leerlingen waren bijeen.
2 estavam juntos Simão Pedro, Tomé, chamado Dídimo, Natanael, que era de Caná da Galileia, os filhos de Zebedeu e mais dois dos seus discípulos.
3 Simon Petrus zei: “Ik ga vissen.” De anderen zeiden: “Wij komen met je mee.” Ze gingen naar de boot en stapten in, maar die nacht vingen ze niets.
3 Disse-lhes Simão Pedro: Vou pescar. Disseram-lhe os outros: Também nós vamos contigo. Saíram, e entraram no barco, e, naquela noite, nada apanharam.
4 Toen de ochtend aanbrak, stond Jezus op de oever, maar de leerlingen beseften niet dat het Jezus was.
4 Mas, ao clarear da madrugada, estava Jesus na praia; todavia, os discípulos não reconheceram que era ele.
5 Jezus vroeg hen: “Hebben jullie niets gevangen?” Ze antwoordden: “Nee.”
5 Perguntou-lhes Jesus: Filhos, tendes aí alguma coisa de comer? Responderam-lhe: Não.
6 Hij zei tegen hen: “Werp het net uit aan de rechterkant van de boot. Dan zullen jullie wél vis vangen.” Ze wierpen het net uit en toen zat er zoveel vis in dat ze het niet terug aan boord konden krijgen.
6 Então, lhes disse: Lançai a rede à direita do barco e achareis. Assim fizeram e já não podiam puxar a rede, tão grande era a quantidade de peixes.
7 Toen zei de leerling van wie Jezus veel hield tegen Petrus: “Het is de Heer.” Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, trok hij zijn bovenkleed aan – want hij was nauwelijks gekleed – en sprong in het water.
7 Aquele discípulo a quem Jesus amava disse a Pedro: É o Senhor! Simão Pedro, ouvindo que era o Senhor, cingiu-se com sua veste, porque se havia despido, e lançou-se ao mar;
8 De andere leerlingen voeren erheen in het bootje, terwijl ze het net met de vissen meesleepten. Ze bevonden zich namelijk niet ver van de oever, op bijna honderd meter afstand.
8 mas os outros discípulos vieram no barquinho puxando a rede com os peixes; porque não estavam distantes da terra senão quase duzentos côvados.
9 Toen ze uitstapten, de oever op, zagen ze dat daar een vuur was aangelegd. Er lag vis op en er was ook brood.
9 Ao saltarem em terra, viram ali umas brasas e, em cima, peixes; e havia também pão.
10 Jezus zei tegen hen: “Breng wat van de vissen die jullie hebben gevangen.”
10 Disse-lhes Jesus: Trazei alguns dos peixes que acabastes de apanhar.
11 Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen: wel 153, en toch scheurde het niet.
11 Simão Pedro entrou no barco e arrastou a rede para a terra, cheia de cento e cinquenta e três grandes peixes; e, não obstante serem tantos, a rede não se rompeu.
12 Jezus zei tegen hen: “Kom eten.” Geen van zijn leerlingen durfde Hem te vragen: “Wie bent U?”, want ze beseften dat het de Heer was.
12 Disse-lhes Jesus: Vinde, comei. Nenhum dos discípulos ousava perguntar-lhe: Quem és tu? Porque sabiam que era o Senhor.
13 Jezus kwam dichterbij, nam het brood en gaf hun ervan. Hetzelfde deed Hij met de vis.
13 Veio Jesus, tomou o pão, e lhes deu, e, de igual modo, o peixe.
14 Dit was de derde keer dat Jezus zich aan zijn leerlingen vertoonde nadat Hij uit de dood was verrezen.
14 E já era esta a terceira vez que Jesus se manifestava aos discípulos, depois de ressuscitado dentre os mortos.
15 Nadat ze hadden gegeten, zei Jezus tegen Simon Petrus: “Simon, zoon van Johannes, heb jij Mij meer lief dan de anderen hier?” Hij antwoordde: “Ja Heer, U weet dat ik van U hou.” Jezus zei: “Weid mijn lammeren.”
15 Depois de terem comido, perguntou Jesus a Simão Pedro: Simão, filho de João, amas-me mais do que estes outros? Ele respondeu: Sim, Senhor, tu sabes que te amo. Ele lhe disse: Apascenta os meus cordeiros.
16 Jezus vroeg hem een tweede keer: “Simon, zoon van Johannes, heb jij Mij lief?” Hij antwoordde: “Ja Heer, U weet dat ik van U hou.” Jezus zei tegen hem: “Weid mijn schapen.”
16 Tornou a perguntar-lhe pela segunda vez: Simão, filho de João, tu me amas? Ele lhe respondeu: Sim, Senhor, tu sabes que te amo. Disse-lhe Jesus: Pastoreia as minhas ovelhas.
17 Jezus vroeg hem voor de derde keer: “Simon, zoon van Johannes, hou jij van Mij?” Petrus werd bedroefd omdat Jezus hem voor de derde keer vroeg: “Hou jij van Mij?” Hij antwoordde: “Heer, U weet alles. U weet dat ik van U hou.” Jezus zei tegen hem: “Weid mijn schapen.
17 Pela terceira vez Jesus lhe perguntou: Simão, filho de João, tu me amas? Pedro entristeceu-se por ele lhe ter dito, pela terceira vez: Tu me amas? E respondeu-lhe: Senhor, tu sabes todas as coisas, tu sabes que eu te amo. Jesus lhe disse: Apascenta as minhas ovelhas.
18 Ik zeg je nadrukkelijk, toen je jonger was, deed je zelf je gordel om en ging je naar de plaats waar je wilde zijn. Maar wanneer je oud bent geworden, zal je je handen uitstrekken en een ander zal jou je gordel omdoen en je naar een plaats brengen waar je niet wil zijn.”
18 Em verdade, em verdade te digo que, quando eras mais moço, tu te cingias a ti mesmo e andavas por onde querias; quando, porém, fores velho, estenderás as mãos, e outro te cingirá e te levará para onde não queres.
19 Jezus zei dit om aan te geven hoe Petrus zou sterven tot eer van God. Vervolgens zei Hij tegen hem: “Volg Mij.”
19 Disse isto para significar com que gênero de morte Pedro havia de glorificar a Deus. Depois de assim falar, acrescentou-lhe: Segue-me.
20 Petrus draaide zich om en zag dat de leerling van wie Jezus veel hield hen volgde. Dit was ook de leerling die zich tijdens het Pesachmaal naast Jezus aan tafel had bevonden en die zich naar Hem toe gebogen had om te vragen: “Heer, wie is het die U zal verraden?”
20 Então, Pedro, voltando-se, viu que também o ia seguindo o discípulo a quem Jesus amava, o qual na ceia se reclinara sobre o peito de Jesus e perguntara: Senhor, quem é o traidor?
21 Toen Petrus hem zag, vroeg hij aan Jezus: “Heer, wat zal er met hem gebeuren?”
21 Vendo-o, pois, Pedro perguntou a Jesus: E quanto a este?
22 Jezus antwoordde: “Als Ik wil dat hij hier blijft totdat Ik terugkom, is dat jouw zaak toch niet? Zorg jij maar dat je Mij volgt.”
22 Respondeu-lhe Jesus: Se eu quero que ele permaneça até que eu venha, que te importa? Quanto a ti, segue-me.
23 Zo ontstond onder de christenen het gerucht dat die leerling niet zou sterven. Jezus had echter niet tegen Petrus gezegd dat hij niet zou sterven, maar: “Als Ik wil dat hij hier blijft totdat Ik terugkom, is dat jouw zaak toch niet?”
23 Então, se tornou corrente entre os irmãos o dito de que aquele discípulo não morreria. Ora, Jesus não dissera que tal discípulo não morreria, mas: Se eu quero que ele permaneça até que eu venha, que te importa?
24 Dat was dezelfde leerling die deze dingen verklaart en ze op schrift heeft gesteld. En zoals wij weten is deze getuigenis betrouwbaar.
24 Este é o discípulo que dá testemunho a respeito destas coisas e que as escreveu; e sabemos que o seu testemunho é verdadeiro.
25 Jezus heeft nog veel andere dingen gedaan. Als die allemaal op schrift gesteld zouden worden, zou de wereld volgens mij te klein zijn voor de boeken die dan geschreven zouden worden.
25 Há, porém, ainda muitas outras coisas que Jesus fez. Se todas elas fossem relatadas uma por uma, creio eu que nem no mundo inteiro caberiam os livros que seriam escritos.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 21, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.