João 11

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Er was iemand ziek: Lazarus van Betanië, de woonplaats van Maria en haar zuster Marta.
1 Um homem chamado Lázaro estava doente. Ele era de Betânia, da aldeia de Maria e de sua irmã Marta.
2 Dit was de Maria die de Heer met nardusolie zou zalven en die zijn voeten met haar haren zou drogen. Het was haar broer Lazarus die ziek was.
2 Esta Maria, cujo irmão Lázaro estava doente, era a mesma que ungiu o Senhor com perfume e lhe enxugou os pés com os seus cabelos.
3 De zussen stuurden iemand naar Jezus toe om te zeggen: “Heer, uw goede vriend is ziek.”
3 Por isso, as irmãs de Lázaro mandaram dizer a Jesus: — Aquele que o Senhor ama está doente.
4 Toen Jezus dat hoorde, zei Hij: “Deze ziekte zal niet eindigen in de dood, maar in eer voor God: hierdoor zal de grootheid van de Zoon van God zichtbaar worden.”
4 Ao receber a notícia, Jesus disse:
5 Jezus was goed bevriend met Marta en haar zus, en met Lazarus.
5 Ora, Jesus amava Marta e a irmã dela, e também Lázaro.
6 Nadat Hij had gehoord dat Lazarus ziek was, bleef Hij nog twee dagen waar Hij was.
6 Quando soube que Lázaro estava doente, ainda se demorou dois dias no lugar onde estava.
7 Daarna zei Hij tegen zijn leerlingen: “Laten we weer naar Judea gaan.”
7 Depois, disse aos seus discípulos:
8 De leerlingen zeiden tegen Hem: “Rabbi, de mensen in Judea hebben onlangs nog geprobeerd U te stenigen, en U wilt weer daarnaartoe?”
8 Os discípulos disseram: — Mestre, ainda há pouco os judeus queriam apedrejá-lo! E o senhor quer voltar para lá?
9 Jezus antwoordde: “Duurt de dag geen twaalf uur? Wie overdag wandelt, struikelt niet, omdat hij ziet door het daglicht.
9 Jesus respondeu:
10 Maar wie 's nachts wandelt, struikelt omdat hij niet over licht beschikt.”
10 Mas, se andar de noite, tropeça, porque nele não há luz.
11 Nadat Hij dat gezegd had, zei Hij tegen hen: “Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga hem wakker maken.”
11 Tendo dito isso, acrescentou:
12 De leerlingen zeiden tegen Hem: “Heer, als hij is ingeslapen, zal hij genezen.”
12 Então os discípulos disseram: — Senhor, se dorme, estará salvo.
13 Jezus bedoelde dat Lazarus dood was, maar zij dachten dat Hij het had over de gewone slaap.
13 Jesus falava da morte de Lázaro, mas eles pensavam que tivesse falado do repouso do sono.
14 Toen zei Jezus onomwonden tegen hen: “Lazarus is dood.
14 Então Jesus lhes disse claramente:
15 Maar Ik ben blij voor jullie dat Ik er niet bij was, want nu kunnen jullie leren geloven. Laten we naar hem toe gaan.”
15 Por causa de vocês me alegro de que não estivesse lá, para que vocês possam crer. Mas vamos até ele.
16 Tomas, die ook Didymus wordt genoemd, zei tegen de andere leerlingen: “Laten wij ook maar gaan, dan kunnen we met Hem sterven.”
16 Então Tomé, chamado Dídimo, disse aos outros discípulos: — Vamos também nós para morrer com o Mestre!
17 Toen Jezus aankwam, ontdekte Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
17 Quando Jesus chegou, encontrou Lázaro já sepultado havia quatro dias.
18 Betanië ligt dicht bij Jeruzalem, op ongeveer drie kilometer afstand.
18 Ora, Betânia ficava a mais ou menos três quilômetros de Jerusalém.
19 Er waren veel Joodse mensen naar Marta en Maria toe gekomen om hen te troosten na het overlijden van hun broer.
19 Muitos dos judeus vieram visitar Marta e Maria, a fim de consolá-las por causa do irmão.
20 Toen Marta hoorde dat Jezus eraan kwam, ging ze Hem tegemoet. Maria bleef thuis.
20 Marta, quando soube que Jesus estava chegando, foi encontrar-se com ele; Maria, porém, ficou sentada em casa.
21 Marta zei tegen Jezus: “Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet zijn gestorven.
21 Então Marta disse a Jesus: — Se o Senhor estivesse aqui, o meu irmão não teria morrido.
22 Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U van Hem vraagt.”
22 Mas também sei que, mesmo agora, tudo o que o senhor pedir a Deus, ele concederá.
23 Jezus antwoordde: “Je broer zal verrijzen.”
23 Jesus disse a ela:
24 Marta zei: “Ik weet dat hij zal verrijzen, bij de verrijzenis op de Laatste Dag.”
24 Ao que Marta respondeu: — Eu sei que ele há de ressurgir na ressurreição, no último dia.
25 Jezus antwoordde: “Ik ben de verrijzenis en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook als hij sterft.
25 Então Jesus declarou:
26 En ieder die leeft en in Mij gelooft, zal nooit sterven. Geloof je dat?”
26 E todo o que vive e crê em mim não morrerá eternamente. Você crê nisto?
27 Ze zei: “Ja, Heer, ik geloof dat U de Messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.”
27 Marta respondeu: — Sim, Senhor! Eu creio que o senhor é o Cristo, o Filho de Deus que devia vir ao mundo.
28 Nadat ze dat had gezegd, ging ze terug om haar zus Maria te halen. Ze vertelde haar onder vier ogen: “De Leraar is hier en Hij wil je spreken.”
28 Depois de dizer isto, Marta foi chamar Maria, a sua irmã, e lhe disse em particular: — O Mestre chegou e está chamando você.
29 Toen Maria dat hoorde, stond ze snel op om Jezus tegemoet te gaan.
29 Quando Maria ouviu isso, levantou-se depressa e foi até ele,
30 Jezus was hun woonplaats nog niet binnengekomen, maar Hij bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem had ontmoet.
30 pois Jesus ainda não tinha entrado na aldeia, mas permanecia onde Marta o havia encontrado.
31 De Joodse mensen die bij haar thuis waren om haar te troosten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging. Daarom volgden ze haar, in de veronderstelling dat ze naar het graf ging om daar te wenen.
31 Os judeus que estavam com Maria em casa e a consolavam, vendo-a levantar-se depressa e sair, seguiram-na, pensando que ela ia ao túmulo para chorar.
32 Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus was en Hem zag, viel ze aan zijn voeten neer en zei: “Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet zijn gestorven.”
32 Quando Maria chegou ao lugar onde Jesus estava, ao vê-lo, lançou-se aos seus pés, dizendo: — Se o Senhor estivesse aqui, o meu irmão não teria morrido.
33 Toen Jezus zag hoe ze weende en hoe ook de Joodse mensen die met haar waren meegekomen aan het wenen waren, raakte Hij zwaar misnoegd en ontsteld.
33 Quando Jesus viu que ela chorava, e que os judeus que a acompanhavam também choravam, agitou-se no espírito e se comoveu.
34 Hij vroeg: “Waar hebben jullie Hem neergelegd?” Ze zeiden tegen Hem: “Kom maar kijken, Heer.”
34 E perguntou: Eles responderam: — Senhor, venha ver!
35 Toen begon Jezus te wenen.
35 Jesus chorou.
36 De Joodse mensen zeiden: “Kijk eens hoe goed Hij met hem bevriend was!”
36 Então os judeus disseram: — Vejam o quanto ele o amava.
37 Maar sommigen van hen zeiden: “Die Man heeft een blinde genezen; had Hij niet kunnen voorkomen dat Lazarus stierf?”
37 Mas alguns disseram: — Será que ele, que abriu os olhos ao cego, não podia fazer com que Lázaro não morresse?
38 Toen Jezus bij het graf kwam – een grot die met een steen was afgesloten – raakte Hij opnieuw zwaar misnoegd.
38 Jesus, agitando-se novamente em si mesmo, foi até o túmulo, que era uma gruta em cuja entrada tinham colocado uma pedra.
39 Jezus zei: “Neem die steen weg.” Marta, de zus van de overledene, zei: “Maar Heer, de stank! Het is al de vierde dag dat hij er ligt.”
39 Então Jesus ordenou: Marta, irmã do falecido, disse a Jesus: — Senhor, já cheira mal, porque está morto há quatro dias.
40 Jezus zei: “Heb Ik je niet verteld dat je Gods grootheid zal zien als je gelooft?”
40 Jesus respondeu:
41 Toen namen ze de steen weg. Jezus keek omhoog en zei: “Vader, Ik dank U dat U mijn gebed heeft verhoord.
41 Então tiraram a pedra. E Jesus, levantando os olhos para o céu, disse:
42 Ik weet dat U mijn gebed altijd verhoort, maar Ik zeg dit omwille van de mensen die hier staan, opdat ze zullen geloven dat U Mij heeft gezonden.”
42 Eu sei que sempre me ouves, mas falei isso por causa da multidão presente, para que creiam que tu me enviaste.
43 Nadat Jezus dit had gezegd, riep Hij luid: “Lazarus, kom naar buiten!”
43 E, depois de dizer isso, clamou em alta voz:
44 De dode kwam naar buiten; zijn handen en voeten waren nog in lijkdoeken gewikkeld en zijn gezicht met een doek omwonden. Jezus zei: “Maak hem uit de doeken los en laat hem gaan.”
44 Aquele que tinha morrido saiu, tendo os pés e as mãos amarrados com ataduras e o rosto envolto num lenço. Então Jesus lhes ordenou:
45 Veel van de Joodse mensen die met Maria waren meegekomen en hadden gezien wat Jezus had gedaan, kwamen tot geloof in Hem.
45 Muitos dos judeus que tinham vindo visitar Maria, vendo o que Jesus havia feito, creram nele.
46 Maar anderen gingen naar de farizeeën en vertelden hun wat Jezus had gedaan.
46 Outros, porém, foram até os fariseus e lhes contaram o que Jesus havia feito.
47 Daarom riepen de hoofdpriesters en de farizeeën de Joodse Raad bijeen. Ze vroegen: “Wat zullen we doen nu deze Man zoveel wonderlijke tekenen verricht?
47 Então os principais sacerdotes e os fariseus convocaram o Sinédrio e disseram: — O que estamos fazendo, uma vez que este homem opera muitos sinais?
48 Als we Hem zo laten voortdoen, zal iedereen in Hem geloven. En dan zullen de Romeinen ingrijpen door ons heiligdom en ons volk van ons af te nemen.”
48 Se o deixarmos assim, todos crerão nele; depois, virão os romanos e tomarão não só o nosso lugar, mas a própria nação.
49 Maar één van hen – Kajafas; hij was dat jaar hogepriester – zei tegen hen: “Jullie begrijpen het echt niet!
49 Mas um deles, Caifás, que era sumo sacerdote naquele ano, advertiu-os, dizendo: — Vocês não sabem nada,
50 Beseffen jullie niet dat het beter is dat één mens sterft voor het volk dan dat de hele natie te gronde gaat?”
50 nem entendem que é melhor para vocês que morra um só homem pelo povo e que não venha a perecer toda a nação.
51 Deze woorden kwamen niet van hemzelf, maar als de hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus voor het Joodse volk zou sterven.
51 Ora, Caifás não disse isto por conta própria, mas, sendo sumo sacerdote naquele ano, profetizou que Jesus estava para morrer pela nação.
52 En niet alleen voor het Joodse volk, maar ook om Gods kinderen die verspreid over de wereld wonen, tot één volk samen te voegen.
52 E não somente pela nação, mas também para reunir em um só corpo os filhos de Deus, que andam dispersos.
53 Vanaf die dag maakten de Joodse leiders plannen om Hem te doden.
53 Desde aquele dia, resolveram matar Jesus.
54 Daarom begaf Jezus zich niet langer in het openbaar onder de Joodse mensen. Hij vertrok daarvandaan naar de rand van de wildernis, naar een stadje dat Efraïm heette. Daar verbleef Hij met zijn leerlingen.
54 Assim sendo, Jesus já não andava publicamente entre os judeus, mas retirou-se para uma região vizinha ao deserto, para uma cidade chamada Efraim, onde permaneceu com os discípulos.
55 Het Joodse Pesachfeest was bijna aangebroken en veel mensen reisden vóór het Pesachfeest vanuit het hele land naar Jeruzalem, om daar de reinigingsceremonie te ondergaan.
55 Estava próxima a Páscoa dos judeus, e muitos daquela região foram a Jerusalém antes da Páscoa para se purificar.
56 Ze zochten naar Jezus en wanneer ze op het tempelterrein stonden vroegen ze elkaar: “Wat denken jullie? Zou Hij naar het feest komen?”
56 Lá, procuravam Jesus e, estando eles no templo, diziam uns aos outros: — O que vocês acham? Ele não virá à festa?
57 De hoofdpriesters en de farizeeën hadden bevolen dat als iemand wist waar Jezus was, hij hen moest verwittigen, zodat ze Hem zouden kunnen arresteren.
57 Ora, os principais sacerdotes e os fariseus haviam ordenado que, se alguém soubesse onde ele estava, o denunciasse, para que pudessem prendê-lo.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 11, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.