João 11

Dutch: Gods Boek (NLD_GBV) vs ARA

Sair da comparação
ARA Almeida Revista e Atualizada 1993
1 Er was iemand ziek: Lazarus van Betanië, de woonplaats van Maria en haar zuster Marta.
1 Estava enfermo Lázaro, de Betânia, da aldeia de Maria e de sua irmã Marta.
2 Dit was de Maria die de Heer met nardusolie zou zalven en die zijn voeten met haar haren zou drogen. Het was haar broer Lazarus die ziek was.
2 Esta Maria, cujo irmão Lázaro estava enfermo, era a mesma que ungiu com bálsamo o Senhor e lhe enxugou os pés com os seus cabelos.
3 De zussen stuurden iemand naar Jezus toe om te zeggen: “Heer, uw goede vriend is ziek.”
3 Mandaram, pois, as irmãs de Lázaro dizer a Jesus: Senhor, está enfermo aquele a quem amas.
4 Toen Jezus dat hoorde, zei Hij: “Deze ziekte zal niet eindigen in de dood, maar in eer voor God: hierdoor zal de grootheid van de Zoon van God zichtbaar worden.”
4 Ao receber a notícia, disse Jesus: Esta enfermidade não é para morte, e sim para a glória de Deus, a fim de que o Filho de Deus seja por ela glorificado.
5 Jezus was goed bevriend met Marta en haar zus, en met Lazarus.
5 Ora, amava Jesus a Marta, e a sua irmã, e a Lázaro.
6 Nadat Hij had gehoord dat Lazarus ziek was, bleef Hij nog twee dagen waar Hij was.
6 Quando, pois, soube que Lázaro estava doente, ainda se demorou dois dias no lugar onde estava.
7 Daarna zei Hij tegen zijn leerlingen: “Laten we weer naar Judea gaan.”
7 Depois, disse aos seus discípulos: Vamos outra vez para a Judeia.
8 De leerlingen zeiden tegen Hem: “Rabbi, de mensen in Judea hebben onlangs nog geprobeerd U te stenigen, en U wilt weer daarnaartoe?”
8 Disseram-lhe os discípulos: Mestre, ainda agora os judeus procuravam apedrejar-te, e voltas para lá?
9 Jezus antwoordde: “Duurt de dag geen twaalf uur? Wie overdag wandelt, struikelt niet, omdat hij ziet door het daglicht.
9 Respondeu Jesus: Não são doze as horas do dia? Se alguém andar de dia, não tropeça, porque vê a luz deste mundo;
10 Maar wie 's nachts wandelt, struikelt omdat hij niet over licht beschikt.”
10 mas, se andar de noite, tropeça, porque nele não há luz.
11 Nadat Hij dat gezegd had, zei Hij tegen hen: “Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga hem wakker maken.”
11 Isto dizia e depois lhes acrescentou: Nosso amigo Lázaro adormeceu, mas vou para despertá-lo.
12 De leerlingen zeiden tegen Hem: “Heer, als hij is ingeslapen, zal hij genezen.”
12 Disseram-lhe, pois, os discípulos: Senhor, se dorme, estará salvo.
13 Jezus bedoelde dat Lazarus dood was, maar zij dachten dat Hij het had over de gewone slaap.
13 Jesus, porém, falara com respeito à morte de Lázaro; mas eles supunham que tivesse falado do repouso do sono.
14 Toen zei Jezus onomwonden tegen hen: “Lazarus is dood.
14 Então, Jesus lhes disse claramente: Lázaro morreu;
15 Maar Ik ben blij voor jullie dat Ik er niet bij was, want nu kunnen jullie leren geloven. Laten we naar hem toe gaan.”
15 e por vossa causa me alegro de que lá não estivesse, para que possais crer; mas vamos ter com ele.
16 Tomas, die ook Didymus wordt genoemd, zei tegen de andere leerlingen: “Laten wij ook maar gaan, dan kunnen we met Hem sterven.”
16 Então, Tomé, chamado Dídimo, disse aos condiscípulos: Vamos também nós para morrermos com ele.
17 Toen Jezus aankwam, ontdekte Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
17 Chegando Jesus, encontrou Lázaro já sepultado, havia quatro dias.
18 Betanië ligt dicht bij Jeruzalem, op ongeveer drie kilometer afstand.
18 Ora, Betânia estava cerca de quinze estádios perto de Jerusalém.
19 Er waren veel Joodse mensen naar Marta en Maria toe gekomen om hen te troosten na het overlijden van hun broer.
19 Muitos dentre os judeus tinham vindo ter com Marta e Maria, para as consolar a respeito de seu irmão.
20 Toen Marta hoorde dat Jezus eraan kwam, ging ze Hem tegemoet. Maria bleef thuis.
20 Marta, quando soube que vinha Jesus, saiu ao seu encontro; Maria, porém, ficou sentada em casa.
21 Marta zei tegen Jezus: “Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet zijn gestorven.
21 Disse, pois, Marta a Jesus: Senhor, se estiveras aqui, não teria morrido meu irmão.
22 Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U van Hem vraagt.”
22 Mas também sei que, mesmo agora, tudo quanto pedires a Deus, Deus to concederá.
23 Jezus antwoordde: “Je broer zal verrijzen.”
23 Declarou-lhe Jesus: Teu irmão há de ressurgir.
24 Marta zei: “Ik weet dat hij zal verrijzen, bij de verrijzenis op de Laatste Dag.”
24 Eu sei, replicou Marta, que ele há de ressurgir na ressurreição, no último dia.
25 Jezus antwoordde: “Ik ben de verrijzenis en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook als hij sterft.
25 Disse-lhe Jesus: Eu sou a ressurreição e a vida. Quem crê em mim, ainda que morra, viverá;
26 En ieder die leeft en in Mij gelooft, zal nooit sterven. Geloof je dat?”
26 e todo o que vive e crê em mim não morrerá, eternamente. Crês isto?
27 Ze zei: “Ja, Heer, ik geloof dat U de Messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.”
27 Sim, Senhor, respondeu ela, eu tenho crido que tu és o Cristo, o Filho de Deus que devia vir ao mundo.
28 Nadat ze dat had gezegd, ging ze terug om haar zus Maria te halen. Ze vertelde haar onder vier ogen: “De Leraar is hier en Hij wil je spreken.”
28 Tendo dito isto, retirou-se e chamou Maria, sua irmã, e lhe disse em particular: O Mestre chegou e te chama.
29 Toen Maria dat hoorde, stond ze snel op om Jezus tegemoet te gaan.
29 Ela, ouvindo isto, levantou-se depressa e foi ter com ele,
30 Jezus was hun woonplaats nog niet binnengekomen, maar Hij bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem had ontmoet.
30 pois Jesus ainda não tinha entrado na aldeia, mas permanecia onde Marta se avistara com ele.
31 De Joodse mensen die bij haar thuis waren om haar te troosten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging. Daarom volgden ze haar, in de veronderstelling dat ze naar het graf ging om daar te wenen.
31 Os judeus que estavam com Maria em casa e a consolavam, vendo-a levantar-se depressa e sair, seguiram-na, supondo que ela ia ao túmulo para chorar.
32 Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus was en Hem zag, viel ze aan zijn voeten neer en zei: “Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet zijn gestorven.”
32 Quando Maria chegou ao lugar onde estava Jesus, ao vê-lo, lançou-se-lhe aos pés, dizendo: Senhor, se estiveras aqui, meu irmão não teria morrido.
33 Toen Jezus zag hoe ze weende en hoe ook de Joodse mensen die met haar waren meegekomen aan het wenen waren, raakte Hij zwaar misnoegd en ontsteld.
33 Jesus, vendo-a chorar, e bem assim os judeus que a acompanhavam, agitou-se no espírito e comoveu-se.
34 Hij vroeg: “Waar hebben jullie Hem neergelegd?” Ze zeiden tegen Hem: “Kom maar kijken, Heer.”
34 E perguntou: Onde o sepultastes? Eles lhe responderam: Senhor, vem e vê!
35 Toen begon Jezus te wenen.
35 Jesus chorou.
36 De Joodse mensen zeiden: “Kijk eens hoe goed Hij met hem bevriend was!”
36 Então, disseram os judeus: Vede quanto o amava.
37 Maar sommigen van hen zeiden: “Die Man heeft een blinde genezen; had Hij niet kunnen voorkomen dat Lazarus stierf?”
37 Mas alguns objetaram: Não podia ele, que abriu os olhos ao cego, fazer que este não morresse?
38 Toen Jezus bij het graf kwam – een grot die met een steen was afgesloten – raakte Hij opnieuw zwaar misnoegd.
38 Jesus, agitando-se novamente em si mesmo, encaminhou-se para o túmulo; era este uma gruta a cuja entrada tinham posto uma pedra.
39 Jezus zei: “Neem die steen weg.” Marta, de zus van de overledene, zei: “Maar Heer, de stank! Het is al de vierde dag dat hij er ligt.”
39 Então, ordenou Jesus: Tirai a pedra. Disse-lhe Marta, irmã do morto: Senhor, já cheira mal, porque já é de quatro dias.
40 Jezus zei: “Heb Ik je niet verteld dat je Gods grootheid zal zien als je gelooft?”
40 Respondeu-lhe Jesus: Não te disse eu que, se creres, verás a glória de Deus?
41 Toen namen ze de steen weg. Jezus keek omhoog en zei: “Vader, Ik dank U dat U mijn gebed heeft verhoord.
41 Tiraram, então, a pedra. E Jesus, levantando os olhos para o céu, disse: Pai, graças te dou porque me ouviste.
42 Ik weet dat U mijn gebed altijd verhoort, maar Ik zeg dit omwille van de mensen die hier staan, opdat ze zullen geloven dat U Mij heeft gezonden.”
42 Aliás, eu sabia que sempre me ouves, mas assim falei por causa da multidão presente, para que creiam que tu me enviaste.
43 Nadat Jezus dit had gezegd, riep Hij luid: “Lazarus, kom naar buiten!”
43 E, tendo dito isto, clamou em alta voz: Lázaro, vem para fora!
44 De dode kwam naar buiten; zijn handen en voeten waren nog in lijkdoeken gewikkeld en zijn gezicht met een doek omwonden. Jezus zei: “Maak hem uit de doeken los en laat hem gaan.”
44 Saiu aquele que estivera morto, tendo os pés e as mãos ligados com ataduras e o rosto envolto num lenço. Então, lhes ordenou Jesus: Desatai-o e deixai-o ir.
45 Veel van de Joodse mensen die met Maria waren meegekomen en hadden gezien wat Jezus had gedaan, kwamen tot geloof in Hem.
45 Muitos, pois, dentre os judeus que tinham vindo visitar Maria, vendo o que fizera Jesus, creram nele.
46 Maar anderen gingen naar de farizeeën en vertelden hun wat Jezus had gedaan.
46 Outros, porém, foram ter com os fariseus e lhes contaram dos feitos que Jesus realizara.
47 Daarom riepen de hoofdpriesters en de farizeeën de Joodse Raad bijeen. Ze vroegen: “Wat zullen we doen nu deze Man zoveel wonderlijke tekenen verricht?
47 Então, os principais sacerdotes e os fariseus convocaram o Sinédrio; e disseram: Que estamos fazendo, uma vez que este homem opera muitos sinais?
48 Als we Hem zo laten voortdoen, zal iedereen in Hem geloven. En dan zullen de Romeinen ingrijpen door ons heiligdom en ons volk van ons af te nemen.”
48 Se o deixarmos assim, todos crerão nele; depois, virão os romanos e tomarão não só o nosso lugar, mas a própria nação.
49 Maar één van hen – Kajafas; hij was dat jaar hogepriester – zei tegen hen: “Jullie begrijpen het echt niet!
49 Caifás, porém, um dentre eles, sumo sacerdote naquele ano, advertiu-os, dizendo: Vós nada sabeis,
50 Beseffen jullie niet dat het beter is dat één mens sterft voor het volk dan dat de hele natie te gronde gaat?”
50 nem considerais que vos convém que morra um só homem pelo povo e que não venha a perecer toda a nação.
51 Deze woorden kwamen niet van hemzelf, maar als de hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus voor het Joodse volk zou sterven.
51 Ora, ele não disse isto de si mesmo; mas, sendo sumo sacerdote naquele ano, profetizou que Jesus estava para morrer pela nação
52 En niet alleen voor het Joodse volk, maar ook om Gods kinderen die verspreid over de wereld wonen, tot één volk samen te voegen.
52 e não somente pela nação, mas também para reunir em um só corpo os filhos de Deus, que andam dispersos.
53 Vanaf die dag maakten de Joodse leiders plannen om Hem te doden.
53 Desde aquele dia, resolveram matá-lo.
54 Daarom begaf Jezus zich niet langer in het openbaar onder de Joodse mensen. Hij vertrok daarvandaan naar de rand van de wildernis, naar een stadje dat Efraïm heette. Daar verbleef Hij met zijn leerlingen.
54 De sorte que Jesus já não andava publicamente entre os judeus, mas retirou-se para uma região vizinha ao deserto, para uma cidade chamada Efraim; e ali permaneceu com os discípulos.
55 Het Joodse Pesachfeest was bijna aangebroken en veel mensen reisden vóór het Pesachfeest vanuit het hele land naar Jeruzalem, om daar de reinigingsceremonie te ondergaan.
55 Estava próxima a Páscoa dos judeus; e muitos daquela região subiram para Jerusalém antes da Páscoa, para se purificarem.
56 Ze zochten naar Jezus en wanneer ze op het tempelterrein stonden vroegen ze elkaar: “Wat denken jullie? Zou Hij naar het feest komen?”
56 Lá, procuravam Jesus e, estando eles no templo, diziam uns aos outros: Que vos parece? Não virá ele à festa?
57 De hoofdpriesters en de farizeeën hadden bevolen dat als iemand wist waar Jezus was, hij hen moest verwittigen, zodat ze Hem zouden kunnen arresteren.
57 Ora, os principais sacerdotes e os fariseus tinham dado ordem para, se alguém soubesse onde ele estava, denunciá-lo, a fim de o prenderem.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar João 11, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.