Zacarias 8

Dutch (DUTCH) vs NTLH

Sair da comparação
NTLH Nova Tradução na Linguagem de Hoje 2000
1 Daarna geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
1 O Senhor Todo-Poderoso falou comigo e disse:
2 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb geijverd over Sion met een groten ijver; ja, met grote grimmigheid heb Ik over haar geijverd.
2 — Eu tenho um grande amor por Jerusalém, um amor que me faz ficar irado contra os seus inimigos.
3 Alzo zegt de HEERE: Ik ben wedergekeerd tot Sion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal geheten worden een stad der waarheid, en de berg des HEEREN der heirscharen, een berg der heiligheid.
3 Eu voltarei para Jerusalém e ali morarei. Então Jerusalém será chamada de “Cidade Fiel”, e o monte do Todo-Poderoso será chamado de “ Monte Santo”.
4 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem; een ieder zal zijn stok in zijn hand hebben vanwege de veelheid der dagen.
4 Mais uma vez, os velhinhos e as velhinhas, com as suas bengalas na mão, vão se sentar nas praças de Jerusalém.
5 En de straten dier stad zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes, spelende op haar straten.
5 E as praças ficarão cheias de meninos e meninas brincando.
6 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Omdat het wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel dezes volks in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? spreekt de HEERE der heirscharen.
6 Isso pode parecer impossível aos que voltaram do cativeiro na Babilônia, mas não é impossível para mim, o Senhor Todo-Poderoso.
7 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal Mijn volk verlossen uit het land des opgangs, en uit het land des nedergangs der zon.
7 Vou salvar o meu povo; eu os tirarei dos países do Leste e do Oeste, para onde foram levados como prisioneiros,
8 En Ik zal hen herwaarts brengen, dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, in waarheid en in gerechtigheid.
8 e os trarei de volta para Jerusalém, onde ficarão morando. Eles serão o meu povo, e eu serei o seu Deus e os governarei com justiça e fidelidade.
9 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Laat uw handen sterk zijn, gijlieden, die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit den mond der profeten, die geweest zijn ten dage, als de grond van het huis des HEEREN der heirscharen gelegd is, dat de tempel gebouwd zou worden.
9 O Senhor Todo-Poderoso diz: — Portanto, tenham coragem, todos os que estão ouvindo agora o mesmo que os
10 Want voor die dagen kwam des mensen loon te niet, en het loon van het vee was geen; en de uitgaande en de inkomende hadden geen vrede vanwege den vijand, want Ik zond alle mensen, een iegelijk tegen zijn naaste.
10 Pois até aquele tempo não havia dinheiro para pagar os trabalhadores, e os animais de carga não rendiam dinheiro para os seus donos. Havia tantos inimigos, que ninguém vivia seguro, pois eu fiz com que todos fossem inimigos uns dos outros.
11 Maar nu zal Ik aan het overblijfsel dezes volks niet wezen, gelijk in de vorige dagen, spreekt de HEERE der heirscharen.
11 Mas eu, o Senhor Todo-Poderoso, prometo que agora não vou tratar os que restam deste povo como fiz no passado.
12 Want het zaad zal voorspoedig zijn, de wijnstok zal zijn vrucht geven, en de aarde zal haar inkomen geven, en de hemelen zullen hun dauw geven; en Ik zal het overblijfsel dezes volks dit alles doen erven.
12 Eles semearão as suas terras em paz; as parreiras darão uvas, a terra dará boas colheitas, e cairá chuva do céu. Darei tudo isso aos que restarem do meu povo.
13 En het zal geschieden, gelijk als gij, o huis van Juda! en gij, o huis Israels, geweest zijt een vloek onder de heidenen, alzo zal Ik ulieden behoeden, en gij zult een zegening wezen; vreest niet, laat uw handen sterk zijn.
13 Moradores de Judá e de Israel! No passado os povos de outras nações maldiziam uns aos outros assim: “Que Deus os castigue como castigou o povo de Judá e de Israel!” Mas eu vou salvar vocês, e no futuro aqueles mesmos povos dirão uns aos outros: “Que Deus os abençoe como abençoou o povo de Judá e de Israel!” Não fiquem com medo! Tenham coragem!
14 Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Gelijk als Ik gedacht heb ulieden kwaad te doen, toen Mij uw vaderen grotelijks vertoornden, zegt de HEERE der heirscharen, en het heeft Mij niet berouwd;
14 O Senhor Todo-Poderoso diz ao povo: — Quando os seus antepassados me fizeram ficar irado, eu os castiguei, como havia resolvido antes. Não mudei de ideia.
15 Alzo denk Ik wederom in deze dagen goed te doen aan Jeruzalem, en aan het huis van Juda; vreest niet!
15 E agora resolvi abençoar o povo de Jerusalém e de Judá e não vou mudar de ideia. Portanto, não fiquem com medo.
16 Dit zijn de dingen, die gij doen zult: spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; oordeelt de waarheid en een oordeel des vredes in uw poorten.
16 São estas as coisas que vocês devem fazer: digam todos a verdade uns aos outros e decidam com justiça os casos nos tribunais a fim de que haja paz.
17 En denkt niet de een des anderen kwaad in ulieder hart; en hebt een valsen eed niet lief; want al deze zijn dingen, die Ik haat, spreekt de HEERE.
17 Porém não façam planos para prejudicar uns aos outros e não jurem falso, pois eu, o Senhor , odeio tudo isso.
18 Wederom geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
18 O Senhor Todo-Poderoso falou comigo e disse:
19 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het vasten der vierde, en het vasten der vijfde, en het vasten der zevende, en het vasten der tiende maand, zal den huize van Juda tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen; hebt dan de waarheid en den vrede lief.
19 — Os jejuns do quarto, quinto, sétimo e décimo meses de cada ano vão virar dias de alegria, dias de festa para o povo de Judá. Portanto, amem a verdade e a paz.
20 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog zal het geschieden, dat de volken, en de inwoners van vele steden komen zullen;
20 O Senhor Todo-Poderoso diz: — Vai chegar o dia em que moradores de muitas cidades virão até Jerusalém.
21 En de inwoners der ene stad zullen gaan tot de inwoners der andere, zeggende: Laat ons vlijtig henengaan, om te smeken het aangezicht des HEEREN, en om den HEERE der heirscharen te zoeken; ik zal ook henengaan.
21 Os moradores de uma cidade dirão aos de outra cidade: “Nós vamos adorar o Senhor Todo-Poderoso e pedir que ele nos abençoe!” E os outros responderão: “Pois nós vamos com vocês!”
22 Alzo zullen vele volken, en machtige heidenen komen, om den HEERE der heirscharen te Jeruzalem te zoeken, en om het aangezicht des HEEREN te smeken.
22 Muitos povos e nações poderosas virão a Jerusalém para adorar o Senhor Todo-Poderoso e pedirem que ele os abençoe.
23 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van een Joodsen man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is.
23 Naqueles dias, dez estrangeiros irão agarrar um judeu para lhe dizer: “Nós queremos seguir a sua religião, pois ouvimos dizer que Deus está com vocês.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Zacarias 8, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.