Zacarias 8

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Daarna geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
1 A palavra do Senhor dos Exércitos veio a mim, dizendo:
2 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb geijverd over Sion met een groten ijver; ja, met grote grimmigheid heb Ik over haar geijverd.
2 — Assim diz o Senhor dos Exércitos: Tenho grande amor por Sião. É um amor tão grande que me leva à indignação contra os seus inimigos.
3 Alzo zegt de HEERE: Ik ben wedergekeerd tot Sion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal geheten worden een stad der waarheid, en de berg des HEEREN der heirscharen, een berg der heiligheid.
3 — Assim diz o Senhor : Voltarei para Sião e habitarei no meio de Jerusalém. E Jerusalém será chamada de “Cidade Fiel”, e o monte do Senhor dos Exércitos será chamado de “Monte Santo”.
4 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem; een ieder zal zijn stok in zijn hand hebben vanwege de veelheid der dagen.
4 — Assim diz o Senhor dos Exércitos: Os velhos e as velhas voltarão a sentar-se nas praças de Jerusalém, levando cada um na mão a sua bengala, por causa da sua muita idade.
5 En de straten dier stad zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes, spelende op haar straten.
5 As praças da cidade se encherão de meninos e meninas, que nelas brincarão.
6 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Omdat het wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel dezes volks in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? spreekt de HEERE der heirscharen.
6 — Assim diz o Senhor dos Exércitos: Isso pode parecer impossível aos olhos do remanescente deste povo naqueles dias, mas não será impossível para mim, diz o Senhor dos Exércitos.
7 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal Mijn volk verlossen uit het land des opgangs, en uit het land des nedergangs der zon.
7 — Assim diz o Senhor dos Exércitos: Eis que salvarei o meu povo, tirando-o da terra do Oriente e da terra do Ocidente.
8 En Ik zal hen herwaarts brengen, dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, in waarheid en in gerechtigheid.
8 Eu os trarei, e habitarão em Jerusalém. Eles serão o meu povo, e eu serei o seu Deus, em verdade e em justiça.
9 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Laat uw handen sterk zijn, gijlieden, die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit den mond der profeten, die geweest zijn ten dage, als de grond van het huis des HEEREN der heirscharen gelegd is, dat de tempel gebouwd zou worden.
9 — Assim diz o Senhor dos Exércitos: Sejam fortes, todos vocês que nestes dias estão ouvindo estas palavras da boca dos profetas, a saber, nos dias em que foram lançados os alicerces da Casa do Senhor dos Exércitos, para que o templo fosse construído.
10 Want voor die dagen kwam des mensen loon te niet, en het loon van het vee was geen; en de uitgaande en de inkomende hadden geen vrede vanwege den vijand, want Ik zond alle mensen, een iegelijk tegen zijn naaste.
10 Porque, antes daqueles dias, não havia salário para os trabalhadores, nem pagamento pelo trabalho dos animais. Não havia paz para o que entrava, nem para o que saía, por causa dos inimigos, porque eu incitei cada um contra o seu próximo.
11 Maar nu zal Ik aan het overblijfsel dezes volks niet wezen, gelijk in de vorige dagen, spreekt de HEERE der heirscharen.
11 Mas, agora, não tratarei o remanescente deste povo como tratei o povo no passado, diz o Senhor dos Exércitos.
12 Want het zaad zal voorspoedig zijn, de wijnstok zal zijn vrucht geven, en de aarde zal haar inkomen geven, en de hemelen zullen hun dauw geven; en Ik zal het overblijfsel dezes volks dit alles doen erven.
12 Porque haverá semeadura em paz, as videiras darão o seu fruto, a terra, as suas colheitas, e os céus, o seu orvalho. E farei com que o remanescente deste povo herde tudo isso.
13 En het zal geschieden, gelijk als gij, o huis van Juda! en gij, o huis Israels, geweest zijt een vloek onder de heidenen, alzo zal Ik ulieden behoeden, en gij zult een zegening wezen; vreest niet, laat uw handen sterk zijn.
13 Casa de Judá e casa de Israel, assim como vocês foram uma maldição entre as nações, assim agora eu os salvarei, e vocês serão uma bênção. Não tenham medo! Pelo contrário, sejam fortes!
14 Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Gelijk als Ik gedacht heb ulieden kwaad te doen, toen Mij uw vaderen grotelijks vertoornden, zegt de HEERE der heirscharen, en het heeft Mij niet berouwd;
14 — Porque assim diz o Senhor dos Exércitos: Assim como eu havia decidido castigar vocês, quando os seus pais me provocaram à ira, diz o Senhor dos Exércitos, e não mudei de ideia,
15 Alzo denk Ik wederom in deze dagen goed te doen aan Jeruzalem, en aan het huis van Juda; vreest niet!
15 também decidi agora fazer bem a Jerusalém e à casa de Judá nestes dias. Não tenham medo!
16 Dit zijn de dingen, die gij doen zult: spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; oordeelt de waarheid en een oordeel des vredes in uw poorten.
16 Eis as coisas que vocês devem fazer: Que cada um fale a verdade com o seu próximo. Nos tribunais, julguem com justiça, segundo a verdade, em favor da paz.
17 En denkt niet de een des anderen kwaad in ulieder hart; en hebt een valsen eed niet lief; want al deze zijn dingen, die Ik haat, spreekt de HEERE.
17 Que ninguém faça planos para prejudicar o seu próximo, nem ame o juramento falso, porque eu odeio todas estas coisas, diz o Senhor .
18 Wederom geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
18 A palavra do Senhor dos Exércitos veio a mim, dizendo:
19 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het vasten der vierde, en het vasten der vijfde, en het vasten der zevende, en het vasten der tiende maand, zal den huize van Juda tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen; hebt dan de waarheid en den vrede lief.
19 — Assim diz o Senhor dos Exércitos: O jejum do quarto mês, o do quinto, o do sétimo e o do décimo serão para a casa de Judá um dia de júbilo, alegria e festividades solenes. Portanto, amem a verdade e a paz.
20 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog zal het geschieden, dat de volken, en de inwoners van vele steden komen zullen;
20 — Assim diz o Senhor dos Exércitos: Ainda virão povos e moradores de muitas cidades,
21 En de inwoners der ene stad zullen gaan tot de inwoners der andere, zeggende: Laat ons vlijtig henengaan, om te smeken het aangezicht des HEEREN, en om den HEERE der heirscharen te zoeken; ik zal ook henengaan.
21 e os moradores de uma cidade irão à outra, dizendo: “Vamos depressa suplicar o favor do Senhor e buscar o Senhor dos Exércitos; eu também irei.”
22 Alzo zullen vele volken, en machtige heidenen komen, om den HEERE der heirscharen te Jeruzalem te zoeken, en om het aangezicht des HEEREN te smeken.
22 Muitos povos e nações poderosas virão a Jerusalém buscar o Senhor dos Exércitos e suplicar o favor do Senhor .
23 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van een Joodsen man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is.
23 — Assim diz o Senhor dos Exércitos: Naqueles dias, dez homens, de todas as línguas das nações, pegarão, sim, pegarão na borda da roupa de um judeu e lhe dirão: “Queremos ir com vocês, porque ouvimos que Deus está com vocês.”

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Zacarias 8, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.