Salmos 78

Dutch (DUTCH) vs NAA

Sair da comparação
NAA Nova Almeida Atualizada 2017
1 Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
1 Meu povo, escute a minha lei; dê ouvidos às palavras da minha boca.
2 Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;
2 Abrirei os meus lábios para proferir parábolas e publicarei enigmas dos tempos antigos.
3 Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.
3 O que ouvimos e aprendemos, o que os nossos pais nos contaram,
4 Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.
4 não o encobriremos a seus filhos; contaremos à geração vindoura os louvores do e o seu poder, e as maravilhas que fez.
5 Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israel; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken;
5 Ele estabeleceu um testemunho em Jacó, e instituiu uma lei em Israel, e ordenou aos nossos pais que os transmitissem a seus filhos,
6 Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;
6 a fim de que a nova geração os conhecesse, e os filhos que ainda hão de nascer se levantassem e, por sua vez, os contassem aos seus descendentes;
7 En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;
7 para que pusessem a sua confiança em Deus e não se esquecessem dos feitos de Deus, mas lhe observassem os mandamentos;
8 En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.
8 e que não fossem, como seus pais, geração obstinada e rebelde, geração de coração inconstante, e cujo espírito não foi fiel a Deus.
9 (De kinderen van Efraim, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.)
9 Os filhos de Efraim, embora armados com arcos, bateram em retirada no dia do combate.
10 Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.
10 Não guardaram a aliança de Deus, não quiseram andar na sua lei;
11 En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.
11 esqueceram-se das suas obras e das maravilhas que lhes havia mostrado.
12 Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.
12 Deus fez prodígios na presença de seus pais na terra do Egito, no campo de Zoã.
13 Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.
13 Dividiu o mar e os fez passar por ele; fez parar as águas como um montão.
14 En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.
14 Durante o dia, os guiou com uma nuvem e de noite, com um clarão de fogo.
15 Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.
15 No deserto, fendeu rochas e lhes deu de beber abundantemente como de abismos.
16 Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.
16 Da pedra fez brotar torrentes, fez manar água como rios.
17 Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.
17 Mas, ainda assim, continuaram a pecar contra ele e se rebelaram, no deserto, contra o Altíssimo.
18 En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.
18 Tentaram a Deus no seu coração, pedindo alimento que lhes fosse do gosto.
19 En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?
19 Falaram contra Deus, dizendo: “Será que Deus pode preparar-nos uma mesa no deserto?
20 Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?
20 É verdade que ele feriu a rocha, e dela manaram águas, transbordaram as torrentes. Mas será que ele pode dar-nos pão também? Ou fornecer carne para o seu povo?”
21 Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israel;
21 Ouvindo isto, o acendeu-se fogo contra Jacó, e também se levantou o seu furor contra Israel,
22 Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.
22 porque não creram em Deus, nem confiaram na sua salvação.
23 Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;
23 Mesmo assim, deu ordens às nuvens e abriu as portas dos céus;
24 En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.
24 fez chover maná sobre eles, para alimentá-los, e lhes deu cereal do céu.
25 Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.
25 Todos comeram o pão dos anjos; ele enviou-lhes comida à vontade.
26 Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;
26 Fez soprar no céu o vento do Oriente e pelo seu poder conduziu o vento do Sul.
27 En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeen;
27 Também fez chover sobre eles carne como poeira e aves numerosas como a areia do mar.
28 En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen.
28 Fez com que caíssem no meio do arraial deles, ao redor de suas tendas.
29 Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.
29 Então comeram e se fartaram a valer; pois lhes fez o que desejavam.
30 Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,
30 Porém não reprimiram o apetite. Ainda tinham o alimento na boca,
31 Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.
31 quando se elevou contra eles a ira de Deus, e entre os seus mais robustos semeou a morte, e prostrou os jovens de Israel.
32 Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.
32 Apesar de tudo isso, continuaram a pecar e não creram nas maravilhas de Deus.
33 Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.
33 Por isso, ele fez com que os seus dias se dissipassem num sopro e os seus anos, em súbito terror.
34 Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;
34 Quando os fazia morrer, eles o buscavam; arrependidos, procuravam Deus.
35 En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.
35 Lembravam-se de que Deus era a sua rocha e o Deus Altíssimo, o seu Redentor.
36 En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.
36 Lisonjeavam-no, porém de boca, e com a língua lhe mentiam.
37 Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.
37 Porque o coração deles não era firme para com ele, nem foram fiéis à sua aliança.
38 Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.
38 Ele, porém, que é misericordioso, perdoa a iniquidade e não destrói; muitas vezes desvia a sua ira e não desperta toda a sua indignação.
39 En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.
39 Lembra-se de que eles são simples mortais, vento que passa e não volta mais.
40 Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!
40 Quantas vezes se rebelaram contra ele no deserto e nos lugares áridos lhe causaram tristeza!
41 Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk.
41 Tornaram a pôr Deus à prova, ofenderam o Santo de Israel.
42 Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste;
42 Não se lembraram do poder dele, nem do dia em que os resgatou do adversário;
43 Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan;
43 de como no Egito ele operou os seus sinais e os seus prodígios, no campo de Zoã;
44 En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.
44 e transformou em sangue os rios deles, para que das suas correntes não bebessem.
45 Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.
45 Enviou contra eles enxames de moscas que os devorassem e rãs que os destruíssem.
46 En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.
46 Entregou às lagartas as suas colheitas e aos gafanhotos, o fruto do seu trabalho.
47 Hij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen.
47 Com chuvas de pedra lhes destruiu as vinhas e os seus sicômoros, com geada.
48 Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.
48 Entregou ao granizo o gado deles e aos raios, os seus rebanhos.
49 Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.
49 Lançou contra eles o furor da sua ira: cólera, indignação e calamidade, legião de anjos portadores de males.
50 Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.
50 Deu livre curso à sua ira; não poupou da morte a alma deles, mas entregou a vida deles à peste.
51 En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.
51 Matou todos os primogênitos no Egito, as primícias do vigor nas tendas de Cam.
52 En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.
52 Fez sair o seu povo como ovelhas e o guiou pelo deserto, como um rebanho.
53 Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.
53 Dirigiu-o com segurança, e não tiveram medo, ao passo que o mar submergiu os seus inimigos.
54 En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.
54 Levou-os até a sua terra santa, até o monte que a sua mão direita adquiriu.
55 En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israels in hun tenten wonen.
55 Da presença deles expulsou as nações, cuja região repartiu com eles por herança; e nas suas tendas fez habitar as tribos de Israel.
56 Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.
56 Ainda assim, tentaram o Deus Altíssimo, e a ele resistiram, e não lhe guardaram os testemunhos.
57 En zij weken terug, en handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.
57 Tornaram atrás e foram infiéis como os seus pais; desviaram-se como um arco enganoso.
58 En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.
58 Pois o provocaram à ira com os seus lugares altos e com as suas imagens de escultura despertaram o seu ciúme.
59 God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israel zeer.
59 Deus ouviu isso e se indignou; rejeitou completamente o povo de Israel.
60 Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.
60 Por isso, abandonou o tabernáculo de Siló, a tenda de sua morada aqui na terra,
61 En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.
61 e passou a arca da aliança ao cativeiro, e a sua glória, à mão do adversário.
62 En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.
62 Entregou o seu povo à espada e se encolerizou contra a sua própria herança.
63 Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.
63 O fogo devorou os jovens deles, e as suas donzelas não tiveram canto nupcial.
64 Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet.
64 Os seus sacerdotes caíram à espada, e as suas viúvas não fizeram lamentações.
65 Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn.
65 Então o Senhor despertou como de um sono, como um valente que grita excitado pelo vinho;
66 En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.
66 fez recuar a golpes os seus adversários e os entregou a perpétuo desprezo.
67 Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraim verkoos Hij niet.
67 Além disso, rejeitou a tenda de José e não elegeu a tribo de Efraim.
68 Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad.
68 Pelo contrário, escolheu a tribo de Judá, o monte Sião, que ele amava.
69 En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.
69 E construiu o seu santuário durável como os céus e firme como a terra que estabeleceu para sempre.
70 En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;
70 Também escolheu o seu servo Davi, e o tirou do aprisco das ovelhas,
71 Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israel, Zijn erfenis.
71 do cuidado das ovelhas e suas crias, para ser o pastor de Jacó, seu povo, e de Israel, sua herança.
72 Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.
72 E ele os apascentou segundo a integridade do seu coração e os dirigiu com sábias mãos.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Salmos 78, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.