Salmos 78

Dutch (DUTCH) vs ARC

Sair da comparação
ARC Almeida Revista e Corrigida 2009
1 Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
1 Escutai a minha lei, povo meu; inclinai os ouvidos às palavras da minha boca.
2 Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;
2 Abrirei a boca numa parábola; proporei enigmas da antiguidade,
3 Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.
3 os quais temos ouvido e sabido, e nossos pais no-los têm contado.
4 Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.
4 Não os encobriremos aos seus filhos, mostrando à geração futura os louvores do Senhor , assim como a sua força e as maravilhas que fez.
5 Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israel; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken;
5 Porque ele estabeleceu um testemunho em Jacó, e pôs uma lei em Israel, e ordenou aos nossos pais que a fizessem conhecer a seus filhos,
6 Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;
6 para que a geração vindoura a soubesse, e os filhos que nascessem se levantassem e a contassem a seus filhos;
7 En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;
7 para que pusessem em Deus a sua esperança e se não esquecessem das obras de Deus, mas guardassem os seus mandamentos
8 En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.
8 e não fossem como seus pais, geração contumaz e rebelde, geração que não regeu o seu coração, e cujo espírito não foi fiel para com Deus.
9 (De kinderen van Efraim, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.)
9 Os filhos de Efraim, armados e trazendo arcos, retrocederam no dia da peleja.
10 Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.
10 Não guardaram o concerto de Deus e recusaram andar na sua lei.
11 En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.
11 E esqueceram-se das suas obras e das maravilhas que lhes fizera ver,
12 Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.
12 maravilhas que ele fez à vista de seus pais na terra do Egito, no campo de Zoã.
13 Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.
13 Dividiu o mar, e os fez passar por ele; fez com que as águas parassem como num montão.
14 En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.
14 De dia os guiou com uma nuvem, e toda a noite, com um clarão de fogo.
15 Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.
15 Fendeu as penhas no deserto e deu- lhes de beber como de grandes abismos.
16 Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.
16 Fez sair fontes da rocha e fez correr as águas como rios.
17 Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.
17 E ainda prosseguiram em pecar contra ele, provocando ao Altíssimo na solidão.
18 En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.
18 E tentaram a Deus no seu coração, pedindo carne para satisfazerem o seu apetite.
19 En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?
19 E falaram contra Deus e disseram: Poderá Deus, porventura, preparar- nos uma mesa no deserto?
20 Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?
20 Eis que feriu a penha, e águas correram dela; rebentaram ribeiros em abundância; poderá também dar- nos pão ou preparar carne para o seu povo?
21 Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israel;
21 Pelo que o Senhor os ouviu e se indignou; e acendeu um fogo contra Jacó, e furor também subiu contra Israel,
22 Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.
22 porquanto não creram em Deus, nem confiaram na sua salvação,
23 Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;
23 posto que tivesse mandado às altas nuvens, e tivesse aberto as portas dos céus,
24 En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.
24 e fizesse chover sobre eles o maná para comerem, e lhes tivesse dado do trigo do céu.
25 Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.
25 Cada um comeu o pão dos poderosos; ele lhes mandou comida com abundância.
26 Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;
26 Fez soprar o vento do Oriente nos céus e trouxe o Sul com a sua força.
27 En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeen;
27 E choveu sobre eles carne como pó, e aves de asas como a areia do mar.
28 En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen.
28 E as fez cair no meio do seu arraial, ao redor de suas habitações.
29 Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.
29 Então, comeram e se fartaram bem; pois lhes satisfez o desejo.
30 Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,
30 Não refrearam o seu apetite. Ainda lhes estava a comida na boca,
31 Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.
31 quando a ira de Deus desceu sobre eles, e matou os mais fortes deles, e feriu os escolhidos de Israel.
32 Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.
32 Com tudo isto, ainda pecaram e não deram crédito às suas maravilhas.
33 Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.
33 Pelo que consumiu os seus dias na vaidade e os seus anos, na angústia.
34 Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;
34 Pondo-os ele à morte, então, o procuravam; e voltavam, e de madrugada buscavam a Deus.
35 En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.
35 E lembravam-se de que Deus era a sua rocha, e o Deus Altíssimo, o seu Redentor.
36 En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.
36 Todavia, lisonjeavam-no com a boca e com a língua lhe mentiam.
37 Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.
37 Porque o seu coração não era reto para com ele, nem foram fiéis ao seu concerto.
38 Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.
38 Mas ele, que é misericordioso, perdoou a sua iniquidade e não os destruiu; antes, muitas vezes desviou deles a sua cólera e não deixou despertar toda a sua ira,
39 En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.
39 porque se lembrou de que eram carne, um vento que passa e não volta.
40 Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!
40 Quantas vezes o provocaram no deserto e o ofenderam na solidão!
41 Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk.
41 Voltaram atrás, e tentaram a Deus, e duvidaram do Santo de Israel.
42 Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste;
42 Não se lembraram do poder da sua mão, nem do dia em que os livrou do adversário;
43 Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan;
43 como operou os seus sinais no Egito e as suas maravilhas no campo de Zoã;
44 En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.
44 e converteu em sangue os seus rios e as suas correntes, para que não pudessem beber.
45 Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.
45 E lhes mandou enxames de moscas que os consumiram, e rãs que os destruíram.
46 En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.
46 Deu, também, ao pulgão a sua novidade, e o seu trabalho, aos gafanhotos.
47 Hij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen.
47 Destruiu as suas vinhas com saraiva, e os seus sicômoros, com pedrisco.
48 Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.
48 Também entregou o seu gado à saraiva, e aos coriscos, os seus rebanhos.
49 Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.
49 E atirou para o meio deles, quais mensageiros de males, o ardor da sua ira: furor, indignação e angústia.
50 Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.
50 Abriu caminho à sua ira; não poupou a alma deles à morte, nem a vida deles à pestilência.
51 En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.
51 E feriu todo primogênito no Egito, primícias da sua força nas tendas de Cam,
52 En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.
52 mas fez com que o seu povo saísse como ovelhas e os guiou pelo deserto, como a um rebanho.
53 Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.
53 E os guiou com segurança, e não temeram; mas o mar cobriu os seus inimigos.
54 En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.
54 E conduziu-os até ao limite do seu santuário, até este monte que a sua destra adquiriu,
55 En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israels in hun tenten wonen.
55 e expulsou as nações de diante deles, e, dividindo suas terras, lhas deu por herança, e fez habitar em suas tendas as tribos de Israel.
56 Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.
56 Contudo, tentaram, e provocaram o Deus Altíssimo, e não guardaram os seus testemunhos.
57 En zij weken terug, en handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.
57 Mas tornaram atrás e portaram-se aleivosamente como seus pais; viraram-se como um arco traiçoeiro,
58 En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.
58 pois lhe provocaram a ira com os seus altos e despertaram-lhe o zelo com as suas imagens de escultura.
59 God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israel zeer.
59 Deus ouviu isto e se indignou; e sobremodo aborreceu a Israel,
60 Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.
60 pelo que desamparou o tabernáculo em Siló, a tenda que estabelecera como sua morada entre os homens,
61 En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.
61 e deu a sua força ao cativeiro, e a sua glória, à mão do inimigo,
62 En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.
62 e entregou o seu povo à espada, e encolerizou-se contra a sua herança.
63 Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.
63 Aos seus jovens, consumiu-os o fogo, e as suas donzelas não tiveram festa nupcial.
64 Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet.
64 Os seus sacerdotes caíram à espada, e suas viúvas não se lamentaram.
65 Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn.
65 Então, o Senhor despertou como de um sono, como um valente que o vinho excitasse.
66 En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.
66 E feriu os seus adversários, que fugiram, e os pôs em perpétuo desprezo.
67 Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraim verkoos Hij niet.
67 Além disto, rejeitou a tenda de José e não elegeu a tribo de Efraim.
68 Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad.
68 Antes, elegeu a tribo de Judá, o monte Sião, que ele amava.
69 En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.
69 E edificou o seu santuário como aos lugares elevados, como a terra que fundou para sempre.
70 En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;
70 Também elegeu a Davi, seu servo, e o tirou dos apriscos das ovelhas.
71 Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israel, Zijn erfenis.
71 De após as ovelhas pejadas o trouxe, para apascentar a Jacó, seu povo, e a Israel, sua herança.
72 Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.
72 Assim, os apascentou, segundo a integridade do seu coração, e os guiou com a perícia de suas mãos.

Ler em outra tradução

Comparar com outra

Estude este capítulo no WhatsApp

Peça à IA da Bíblia Fala para explicar Salmos 78, comparar traduções ou montar um estudo — tudo direto pelo WhatsApp.